Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 57 - 2004
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 57– Nr. 7-8 - Juli-Augustus 2004
 
ISSN 1372-6501
THEMA NUMMER : OLDTIMERS
Naar jaarlijkse gewoonte ook dit jaar een "thema"nummer. In aansluiting met de rubriek "Terug opgevist" waarin we de lezer maandelijks een populaire doch wellicht vergeten vis of plant voorstellen, werd voor deze 57ste jaargeng als thema "Oldtimers" gekozen. We stellen U een aantal planten en vissen voor die sinds de begindagen van de aquaristiek veel gehouden werden maar nu enigszins in de vergeethoek beland zijn. Waarom? we hebben er het gissen naar! Misschien zijn niet "spectaculair" genoeg? Al zult U als lezer na het doornemen van deze "special" wellicht van het tegendeel overtuigd zijn!
Nymphaea lotus, Nuphar japonica
Arend van den Nieuwenhuizen
202
De in West-Afrika voorkomende tijgerlotus (Nymphaea lotus) wordt bij de inrichting van onze aquaria vaak als contrastplant gebruikt omdat ze zich niet enkel door de vorm, maar vooral ook door de kleur van andere aquariumplanten onderscheidt. De bladeren van deze veelvormige solitairplant zijn vrijwel rond, gaafrandig en aan de basis diep ingesneden met puntige basale lobben. De variabele, gevlekte tekening van de lichtgroene tot middelgroene bladeren is meestal het duidelijkst bij de groene vormen en minder bij de rode. Er zijn rode tijgerlotussen met zuiver effen rode bladeren, maar het komt ook voor dat zich aan één plant zowel effen rode als donker gevlekte rode bladeren ontwikkelen. De rode bladkleur kan qua intensiteit verschillen en soms zien we, zelfs aan één plant, rode bladeren en zulke waar duidelijk een vermenging met de kleur groen is te zien. Behalve de tijgerlotus zijn er nog enkele andere min of meer bekende Nymphaea-soorten in de handel, zoals Nymphaea micrantha uit Afrika en Nymphaea rudgeana uit Midden-Amerika en noordelijk en oostelijk Zuid-Amerika. Aan het genus Nuphar, dat ook tot de familie NYMPHAEACEAE behoort, wordt ten onrechte nauwelijks aandacht besteed.

 

Paradijselijk mooi...
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland
210
Kan een vis zo mooi zijn dat men die reeds bij de eerst aanblik “paradijsvis” noemt? Het overkwam in 1869 een labyrintvis uit China Macropodus opercularis (Linnaeus, 1758 ). Meteen markeerde dit het beginpunt van een succesvolle Europese entree van een geheel nieuwe aquaristieke familie en al snel veroverden meerde-re goerami’s de harten van vele aquarianen.
De kweek van dit 8 tot 12 cm groot wordend mooie juweel is niet moeilijk en dat is meteen de reden dat de paradijsvis van het begin af zeer populair werd. Men kon (en kan) ze zelfs op kamertemperatuur houden al mag deze niet onder de 15 °C dalen. Hoger dan 20 °C is ook niet meteen nodig, maar voor de kweek is een temperatuur tussen 22 en 25 °C toch raadzaam. Belangrijker is dat waterhoogte slechts een 10-tal centimeter mag bedragen! De pH houd je best tussen 6 en 8. U leest het goed, veel eisen aan het water stelt Macropodus opercularis niet.

 
Bedotia geayi
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
215
Pellegrin bleef deze vissen zo trouw dat hij ze nog enkele malen ten tonele voerde. Eerst als Bedotia longianalis Pellegrin, 1914, later als Bedotia tricolor Pellegrin, 1932.
Dat deze prachtige vis eerst in 1907 beschreven werd, is best te verklaren. Het berggebied in Mananjara op Oost-Madagaskar, waar ze in de bergbeken en enkele lager gelegen vlakten voorkomen, was in het begin van de vorige eeuw nu ook niet bepaald de gedroomde omgeving om uw jaarlijkse vakantie door te brengen.
Eigenaardig is wel dat Regan al in 1903, aan de hand van twee geconserveerde exemplaren, een Bedotia madagascariensis beschreef. Het onderscheid tussen de vissen van Regan en Pellegrin is zeer klein. Wat men zeker weet is dat ze maar negen centimeter lang waren. Mijn bedenking: waren het wel volwassen dieren? Raar is wel dat men van déze Bedotia madagascariensis nooit meer verdere exemplaren heeft gevangen. Men heeft hem daarom dan maar op de „rode lijst“ geplaatst. Het vermoeden bestaat dat de beschrijving van Pellegrin wel eens mosterd na de maaltijd kan zijn. Dus niet verwonderd zijn indien ooit de door Regan gegeven naam Bedotia longianalis als de juiste erkend wordt.
De eerste importen vonden plaats rond 1958. Sinds 1990 is hij overal vlot verkrijgbaar. De exemplaren welke bij ons vooral aangeboden worden, zijn beslist geen wildvangdieren maar kweekproducten afkomstig uit Oost-Europa, Zuidoost-Azië en Florida.

 
Astrontus ocellatus, de pauwoogcichlide
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
218
Dat de naam van de eerstbeschrijver tussen haakjes staat wijst erop dat de genusnaam in loop van tijd, zoals bij veel van zijn familieleden, één of meerdere malen veranderde.
De oorspronkelijke Lobotes ocellates werd door Baron Georges Cuvier ontdekt in de Atlantische Oceaan voor de Braziliaanse kust en later aan de hand van zijn gegevens beschreven door Louis Agassiz.
Atlantische Oceaan? Verwondert me niet. Primo vele cichliden kunnen vrij goed tegen een portie zout en secundo de Amazone zorgt er, met zijn enorme stuwkracht, voor dat kilometers uit de kust het water aldaar nog perfect drinkbaar of zoet is. Dus zomaar niet, door gebrek aan kennis van het gebied, zijn ontdekker een fout aanwrijven.
Tenslotte was de gevonden vis dood waardoor de kleuren mogelijk iets vervaagden.
In vele bijdragen wordt de eerstbeschrijving toegewezen aan Cuvier. Swaison, welke het genus Crenilabrus (later Astronotus) gestalte gaf, verwijst echter in 1939 reeds formeel naar Agassiz.
Zowel de wetenschappelijke als de Nederlandse naam zijn goed gekozen. Astronotus gaat terug op de Griekse woorden “astron” ster (hier vlek) en “notos” achterzijde (hier staart). Dit is goed zichtbaar op de oorspronkelijke afbeelding uit het werk van Spic & Agassiz.
Deze “oogvlek” zal wel bedoeld zijn om een sluipmoordenaar een aanval op de staart te ontraden. Pauwoogcichlide verwijst natuurlijk naar de lichter omrande cirkelvormige vlekken van de vis.

Wie zulke imposante dieren goed wil verzorgen, dient over een ruim aquarium te beschikken.
Zelf bezat ik ooit een zestal halfwas exemplaren – ong. 25 cm lang – in een bekken van 220 x 60 x 60 cm voorzien van een ruim filter. Een degelijke zuiveringsinstallatie vormt geen overbodige luxe. De dieren eten immers zeer veel en produceren evenredig daarmede een massa afval.
Bij de maaltijd zijn ze allesbehalve kieskeurig. In de natuur zijn dat dan vooral – in verhouding tot hun muilopening (= leeftijd) – allerlei waterinsecten, kleine veeleer trage vissen, schaal- en schelpdieren, kleine kikkers, fruit, waterplanten en zaden.
In het aquarium kan men dit best vertalen naar Artemia en Cyclops voor het jongbroed, waterinsecten, visjes, recepten uit eigen keuken** en droogvoer voor grotere exemplaren.

 
Botia macracanthus
Luc Coppens - Exotica Roeselare
224
Zelden verzorgt een liefhebber deze soort in een afzonderlijk aquarium. Meestal houdt men één, hoogstens een paar van deze vissen in het gezelschapsaquarium en geeft men er geen bijzondere aandacht aan. Toch is het de moeite waard even stil te staan bij deze exoot.
Botia macracanthus is een uitermate geschikte aquariumvis, maar stelt toch enkele eisen waaraan zijn omgeving dient te beantwoorden. Eigenlijk is het een scholenvis, die zijn agressiviteit niet kan verbergen als hij alleen gehouden wordt. Zelfs als men maar 2 of 3 exemplaren houdt, kan het gebeuren dat er zich één superieur voelt en de andere soortgenoten najaagt en verdrukt. Het kan zelfs zó ver gaan, dat de zwakkeling er het bijltje bij neerlegt. Aanvankelijk wekt hij zeker die indruk niet op, want hij verbergt zich vooral op schaduwrijke plaatsen tussen de planten. In tegenstelling met andere modderkruipers went hij vlug aan de omstandigheden en komt vaak op de voorgrond.

 
Hoogvinkarpers
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
226
In onze hobby zijn ze veruit de ouderdomdekens onder de van een “speciale rugvin” voorziene Poecilia. Al in 1902 werd Poecilia latipinna (Lesueur, 1821) door de Duitser Hans Stüve ingevoerd. Poecilia velifera (Regan, 1914) werd zelfs een jaar voor zijn eerstbeschrijving door J. Kropac uit Bremen aan de Duitsers getoond. Een derde Duitser transporteerde dan weer Poecilia petenensis (Günther, 1866) naar Dresden. Deze “Big Three” vormen al van het begin af van de vorige eeuw, voor onze hobby een stel prachtige aanwinsten.
Bij de Poecilia en zeker in het huidige subgenus Mollienesia zijn er minstens drie met een uitklapbare rugvin opgezadeld. Naast de mannetjes van Poecilia latipinna (Lesueur, 1821) zijn ook deze van Poecilia petenensis (Günther, 1866) en Poecilia velifera (Regan, 1914) voorzien van een fameus zeil. Dat enkele onder hen bijna niet van elkaar te onderscheiden zijn, mag de pret niet drukken. Bij de dames is, eens onder elkaar verzeild, uitsorteren hopeloos. Zullen we daarom over hun onderlinge bastaarden dan maar liever zwijgen?

 
De tijd van toen...
Willy Versavele - Exotica Roeselare
232
Ja, waar is de tijd van onze eerste mooie vooroorlogse vissen? Ik denk dat de mode veel invloed op onze liefhebberij heeft. Als er iets nieuw en mooier het daglicht ziet, wordt het huidige al snel opgegeven.
Neem nu bijvoorbeeld Hyphessobrycon flammeus of de rode rio. (Wie “rio” zegt denkt aan carnaval! Rio de Janeiro, of het mooie Copacabana strand, of de 404 meter hoge suikerbroodrots).
Omstreeks 1920 veroverde de rode rio in snel tempo de harten van vele aquarianen. Terecht, want deze vis is oersterk, levendig, mooi van kleur en gemakkelijk te kweken.

 
  BBAT-informatief 234
  VIVARIUM Cryptocoryne wendtii    
Top   Poecilia velifera