Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 58 - 2005
Volgende maand
   

 

Jaargang 58– Nr. 1 - Januari 2005
 
ISSN 1372-6501
  EDITORIAAL 002
  Nieuwjaarsboodschap van De heer Roland Sneyers, voorzitter van de Belgische Bond voor Aquarium- en Terrariumhouders vzw. bij de aanvang van deze 58ste jaargang.

 

Barbus conchonius Hamilton, 1822
Arend van den Nieuwenhuizen
004
In 1903 werd in Duitsland een vis geïmporteerd, die heel weinig eisen bleek te stellen en ondanks het grote verspreidingsgebied zelfs in betrekkelijk koel water kon worden gehouden. Verder zorgde de kleurenpracht er voor dat hij binnen korte tijd de harten van de liefhebbers veroverde en zowel in Duitsland als in de Lage Landen bekend werd onder de populaire naam “prachtbarbeel”.
De prachtbarbeel komt voor het bovenste- en middelste deel van de Ganges, Brahma en Mahanadi stroomgebieden in India en Pakistan. Er zijn ook vondsten bekend uit de streek rondom Poona in Zuid-India (Cauvery stroomgebied- Malabarkust).
Volgens diverse mededelingen komt hij in de natuur vooral voor in waters zoals kleinere rivieren, stroompjes, beken en poelen. Verder wordt de vis ook veel in vijvers gehouden. In het Cauvery stroomgebied (Malabarkuststreek) leeft hij in gezelschap van o.a. Danio malabaricus, Barbus ticto, B. phutunio, B. chola , de glasbaars (Chanda ranga), Rasbora daniconius e.a..

 
AMPULLARIIDAE
Walter Van der Jeught - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
010
Waar gaan we het over hebben? Juist: over slakken, meer bepaald over appelslakken.
Als je thuis appelslakken in je aquarium hebt en je kunt ze niet determineren, dan kun je er van uit-gaan dat in de dierenzaak gewoonlijk Pomacea canaliculata of Pomacea bridgesi wordt aangeboden. Zelf houd ik deze laatste thuis in mijn aquaria, meer bepaald de mooie gele vorm die algemeen onder aquarianen verbreid is. Het is dan ook over het genus Pomacea dat de meeste tekst van dit artikel handelt.
Betreft het een in de handelszaak gekochte “platte” schelp dan ben je waarschijnlijk de eigenaar geworden van Marisa cornuarietis, de grote ramhoornslak.
Minder algemeen, maar soms aangeboden, is Pomacea paludosa: de florida-appelslak. Trouwens als je, je slak(ken) wilt determineren, kun je de kleur gewoon negeren. Er zijn immers binnen één soort vele kleurvariaties (zowel wat betreft de schelp als het lichaam).
Uitzonderlijk duikt er in de handel al eens een zelden geïmporteerde soort op en het wordt dan – on-danks het “helpende” naamkaartje “appelslak” van de verkoper – zeer moeilijk ze correct te determineren. In dit verband wil ik nogmaals een pleidooi houden om in de aquariumzaak eerst de wetenschappelijke naamgeving te gebruiken en slechts als toevoeging, eventueel, de populaire handelsnaam. Tracht – als ze je onbekend is – dan vooral te weten te komen uit welk gebied ze afkomstig is. Het maakt de identificatie (soms) iets gemakkelijker.
Kijk hierbij verder naar de schelpopening, de hele schelpvorm (inclusief de top), het umbilicaalpunt (meet de grootte op), de naad van de schelp en indien mogelijk de schelpafsluiting (het operculum). Kijk na of deze laatste hoornachtig (flexibel) of verkalkt is. Tracht dan met deze gegevens, in de weliswaar schaarse literatuur over deze dieren, op zoek te gaan naar het juiste genus en de soort. De clubbibliotheek kan je hier waarschijnlijk zeer goede diensten bewijzen.

 
De blinde holenvis, een interessante kostganger...
Astyanax jordani
(Hubbs & Innes, 1936)
Luc Coppens - Exotica Roeselare
018
Op zeer vele tentoonstellingen zien we de blinde holenvis in een speciaal ingericht aquarium. Dit is dan steeds de nabootsing van een ondergrondse grot: druipstenen afhangend van de dekruit en een klein lampje verbergend, een paar opgestapelde stenen en verder niets. Niet schitterend als huiskameraquarium, maar een bijzonder attractiepunt op een clubtentoonstelling.
De blinde holenvis werd in 1949 voor het eerst in Europa geïmporteerd, maar dertien jaar eerder in 1936 ontdekt door de bekende ichtyoloog Jordan in de Cueva Chia, een grot in het dal van de Rio Tampaon, een zijrivier van de Rio Panuco in Zuidoost-San Louis, Potosoi, Mexico. Aanvankelijk werd deze tot de karperzalmen of CHARACIDAE behorende soort beschreven als Anoptichthys jordani Hubbs et Innes. “Ichthys” betekent “vis”, “anopt” zonder ogen.
De ontdekking van deze blinde karperzalm was natuurlijk een sensatie, maar al gauw werden in andere grotten ook blinde vissen gevonden, die dan andere namen kregen, zoals A. hubbsi en A. antrobius. Het natuurlijke milieu van deze zalmen bleek zich uit te strekken van Texas, over Mexico tot Panama. Een grondige studie wees achteraf uit dat deze niet alleen blinde, maar ook ongepigmenteerde vissen door hun vorm en alle verdere kenmerken, af te leiden waren van Astyanax fasciatus mexicanus, welke in Midden-Amerika ruim verspreid is, waardoor Anopthichthys jordani een synoniem werd. Omdat ze toch onderling minieme degeneratieverschijnselen vertonen, kon het gebeuren dat gedurende lange tijd de genoemde synoniemen in bepaalde literatuur nog opdoken. In wezen is de blinde holenvis dus geen afzonderlijke soort, maar om reden dat het bijzonder aardige vissen zijn met een typische geaardheid en er lange tijd niets over ze is geschreven, krijgen ze een afzonderlijke vermelding.


 
Neolamprologus buescheri
Etienne Leyers - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
021
Op een cichlidenbeurs in Antwerpen kon ik de hand leggen op een 6-tal Neolamprologus buescheri (cape Kachese Zambia). Onze Nederlandse vriend, die de vissen aanbood, beweerde dat het 4 vrouwtjes en 2 mannetjes waren. Thuisgekomen richtte ik een aquarium in van 150 x 50 x 60 cm dat bevolkt werd met de 6 buescheri's en een 10-tal N. brichardi (Malasa Tanzania). Op de bodem een groepje van 8 Neolamprologus ocellatus die gehuisvest waren in een groot aantal lege schelpenvan wijngaardslakken. Bij het inrichten van het aquarium had ik terdege rekening gehouden met hun agressief paringsgedrag en dus voor de nodige schuilmogelijkheden gezorgd.

 
De kleintjes uit de vijver...
Nepa cinerea
, de waterschorpioen
Ruda Rýbnicfan - Aquatom vzw
022
Meestal hebben we alleen maar oog voor de planten en vissen welke onze vijver bevolken. Als we even te tijd nemen om eens rustig te kijken zien we onder de oppervlakte allerlei klein grut evolueren. Juist deze lilliputters blijken bij nader observeren dikwijls een zeer interessante levenswijze te vertonen.
Velen onder ons hebben tijdens hun jeugd één of meer waterschorpioenen buit gemaakt en samen met allerlei ander waterongedierte zoals schaatsenrijders (Gerris lacustris), bootsmannetjes (Notonecta glauca) en staafwantsen (Ranatra linearis) in een oud conservenblik of pekelharingbokaal naar huis versleept. Daar kwam al dat gewriemel dan in een oude teil of emmer terecht. Omdat we wisten dat de lange buis, even lang als de rest van het lichaam, achteraan het lichaam diende om atmosferische lucht op te nemen werden ze in maar enkele centimeters diep water ondergebracht. Na enige dagen bleken dan wel enkele van deze zogezegde schorpioenen roerloos en iets of wat verfomfaaid, op de bodem te liggen. Met een beetje geluk zagen we dat plots één van de diertjes een soortgenoot besloop en onverwacht tussen zijn schaarvormige voorpoten klemde en vervolgens zorgvuldig uitzoog.

 
Nieuwe indeling van het genus Corydoras
Eddy Derijst - Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, Brussel
025
Traditioneel worden de bodembewonende Corydoras (door beginnende liefhebbers meestal “grondkuisers” genoemd) ingedeeld in de meervalfamilie CALLICHTHYIDAE, waarin ze samen met de genera Aspidoras en Brochis de onderfamilie CORYDORADINAE vormen.
Bij de onderlinge verwantschap tussen de drie genera werd verondersteld dat Brochis en Corydoras afstammen van een zelfde voorouder en dat Aspidoras de onmiddellijke zustergroep van beide vormt. Deze veronderstelling werd lange tijd aangehouden. In 1952 deelde J.J. Hoedeman de onderfamilie CORYDORADINAE op in twee genusgroepen. Het soortenrijk genus Corydoras werd even later opgedeeld met een subgenus Microcorydoras door G.S. Myers in 1953 (waarin de kleinere soorten werden ondergebracht maar praktisch door niemand werd nagevolgd), of verdeeld in soortgroepen op basis van lichaamskleur, metrische- en morfologische gegevens (Nijssen & Isbrücker, 1986). De echte fylogenetische afkomst (afstamming van een zelfde voorouder) en de verwantschap binnen het genus werden echter niet onderzocht.

 
  BBAT-informatief 032
  VIVARIUM Heteropteryx dilatata  
Top   Thayeria boehlkei