Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 58 - 2005
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 58 – Nr. 04 - April 2005
 
ISSN 1372-6501
Fragiele schoonheid in het kleinere aquarium (1)
Arend van den Nieuwenhuizen
112
Er was eens een Nederlandse aquariumliefhebber die zich in de jaren vijftig, samen met nog een klein aantal andere hobbyisten in binnen- en buitenland, bezig hield met het kweken van killivissen, waartoe een groep behoort die destijds bekend werd onder de naam “bodemleggers”. Zoals het goede aquariumliefhebbers betaamt, schreven zij af en toe in wereldwijd gelezen aquariumtijdschriften over hun ervaringen met deze en andere killivissen. Zo kon het gebeuren dat enkele liefhebbers in Nederland en Duitsland op een dag een brief kregen waarin een zakenman liet weten geïnteresseerd te zijn in de eitjes van de zogenaamde “bodemleggers” en ... of het mogelijk zou zijn deze in wat grotere aantallen te leveren. Zo ja, dan was hij bereid daar een dollarcent per stuk voor te betalen, mits bij de eitjes nauwkeurig zou worden aangegeven hoe lang het nog zou duren voor de jonge visjes zouden uitkomen. Aangezien de genoemde liefhebbers met elkaar in contact stonden, bespraken zij de vreemde vraag en besloten eens uit te vissen wat daar achter stak. Toen bleek dat een zakenman meende een gat in de markt te hebben ontdekt, want … als nu eens een aantal van zulke eitjes in een plastic zakje werd bewaard tot het moment dat de visjes uit moesten komen, dan kon je ze als “speelgoed” verkopen aan kinderen met ongeveer de volgende gebruiksaanwijzing: ”bewaren bij een bepaalde temperatuur, het zakje legen in een vlak schaaltje en water opgieten”. Na korte tijd heeft uw kind dan jonge visjes”…
Het bovenstaande is geen verhaal “uit de duim”, maar werkelijk gebeurd. Waarbij gelijk kan worden vermeld, dat geen van de benaderde aquariumliefhebbers ooit aan het verzoek heeft voldaan.

 

De roodborstcichlide, Laetacara dorsigera
Marc Ysebaert - Aquarianen Gent
121
In 1986 beschreef de ichtyoloog Kullander bepaalde soorten uit het genus Laetacara dat vroeger onder de verzamelnaam Aequidens ressorteerde.
De naam is samengesteld uit het Latijnse bijvoeglijk naamwoord “Laetus” (= vrolijk) en het woord “acara”, waarmee de Guarani de bontbaars aanduiden en is een toespeling op de strepen op de snuit.
Vanwege die strepen worden de Laetacara-soorten in de VSA “smiling acaras” (lachende bontbaarzen) genoemd. De soortnaam dorsigera betekent zoiets als “op de rug getekend“ en doelt op de rugvin.
Aanvankelijk werd de roodborstcichlide beschreven onder de naam Acara dorsiger. De type-exemplaren, die 5,5 cm lang worden, stammen uit de Rio Paraguay. De soortnaam heeft betrekking op de zwarte vlek die de rugvin van zowel de mannetjes als de vrouwtjes tekent, hoewel zij bij deze laatste minder scherp begrensd is. In zijn land van herkomst heet L. dorsigera “carà-bobo”.
Jakob Heckel schreef in 1840: “Dit leuke kleine visje … leeft in de moerassen in de buurt van de Paraguay bij Villa-Marià. De bewoners hebben het de bijnaam ‘Bobo’ (de domme) gegeven, omdat hij zich zomaar met de hand laat vangen.”

 
Echinodorus cordifolius
Luc Stivens
124
De deskundigen hebben het niet eenvoudig gehad om deze plant de juiste naam te geven. Wij denken daar niet meteen aan omdat deze plant één der meest bekende is uit de familie der ALISMATACEAE. Hij werd reeds ontdekt in 1753 en toen als Alisma cordifolia beschreven. In 1837 werd hij een tweede maal beschreven als Sagittaria radicans. We hebben er het raden naar om te weten of zo’n radicaal andere benaming te wijten was aan te weinig wetenschappers die zich met naamgeving in de botanica bezighielden of dat er (waarschijnlijk) te weinig contact tussen de diverse belangstellenden was. Uiteindelijk gaf Grisebach twintig jaar later (in 1857 dus) hem de correcte naam Echinodorus cordifolius. Om de verwarring nog groter te maken, komt de plant in de handel soms nogal eens voor onder de naam Echinodorus radicans.

 
Gopherus agassizii, een schildpad in de woestijn
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
126
Rafinesque maakte het zich in 1816 (1) vrij gemakkelijk bij het zoeken van een genusnaam voor de in de Noord-Amerikaanse woestijnen rondscharrelende schildpadden. Ze groeven holen, woelden in de aarde en vielen dus onder het plaatselijk begrip voor zulke dieren “gopher”. Er even een Latijns klinkend staartje aangekleefd en “Gopherus” ging van start.
In 1863 beschreef James Graham Cooper een woestijnschildpad welke vooral voorkwam in de Majave en Sonoran Basin desert en gaf haar als genusnaam de door Agassiz in zijn vierdelig werk:” Contributions to the Natural History of the United States” voorgestelde naam Xerobates. Xerobates is gevormd uit het Griekse woorden xero = droog en bates = wie wandelt door, rondwaart of -spookt.
Hij gaf haar, als eerbetoon aan dat wetenschappelijk monument dat Jean Louis Rodolphe Agassiz (2) was, de soortnaam “agassizii”. Later verzeilde het dier naar Gopherus. Nu is deze verhuis de laatste jaren sterk ter discussie komen te staan. Onderzoek van DNA wijst uit dat er in Gopherus twee groepen voorkomen welke zo’n twee miljoen jaar geleden hun eigen weg gingen en sterke verschillen vertonen in de structuur van gebeente en schilden. Dus duikt in vele moderne wetenschappelijke bijdragen de naam Xerobates agassizii weer op.
Walt Disney loste ongewild een misvatting over deze woestijndieren grandioos op. De vooruitstekende en bij het mannetje omhoog krullende uitstekel aan de voorzijde, het plastron, werd algemeen beschouwd als een soort schop dienstig bij het uitgraven van het hol. Niemand vroeg zich echter af waarom het bij de vrouwtjes klein, vlak en smal was. Ook zij moesten toch een hol graven. Toen in de film ”The Living Desert” twee mannetjes met elkaar op de vuist gingen was het raadsel opgelost.
De handigste van de twee plaatste zijn schoffel onder het schild van de andere en krikte hem langzaam maar zeker omhoog. Toen zijn rivaal omkantelde hield hij het voor bekeken en schuifelde samen met de dame in kwestie naar een rustig plekje. De overwonnen tegenstander trachtte intussen met wiebelen en wriemelen terug op zijn poten te kantelen. Als zoiets niet vlug lukt, wordt dit vanwege de felle zon “schildpad gekookt in eigen nat en pantser”.

 
Kleintjes in de vijver...
Lymnea stagnalis, de gewone of grote poelslak
Ruda Rýbnikfan - Aquatom vzw
132
De LYMNAEIDAE zijn lid van de Pulmonata wat er op wijst dat ze longen of iets dat als zodanig fungeert, bezitten. De Pulmonata zijn dan weer opgedeeld in twee orden. In de Stylommatophora zijn de op het land levende longslakken ondergebracht en in de Bassommaphora vinden we de waterlongslakken terug. Men is de mening toegedaan dat deze waterbewoners hun “roots” bij de landbewoners liggen.
De long wordt gevormd door een gedeelte van de mantelholte welke rijkelijk voorzien is van een dicht net oppervlakkig gelegen bloedvaten.
Dat we hier “long” en “kieuw” met een danig korreltje zout moeten nemen, bewijzen exemplaren welke op veertig meter diepte werden gevangen.
Van zo ver onder de waterspiegel even naar boven komen luchthappen, is gewoon onmogelijk. Men constateerde dat de mantelholte van deze exemplaren overstroomd was en ze dit water regelmatig vernieuwden. Hier fungeerde de bewuste mantelholte dus wel duidelijk als een specie kieuw. Deze slakken vangen aan met ventileren van zodra het zuurstofgehalte onder de 11 % van de normale waarde in de “longlucht” daalt.
De concentratie aan koolzuurgas heeft – in tegenstelling tot bij vele andere dieren – geen invloed op de ademhaling.
Ook het dichte net aan bloedvaten op de brede voelhoorns draagt zijn steentje bij als hulpademhalingsorgaan. Deze huid of kieuwademhaling is wel niet in staat om aan de hele zuurstofbehoefte te voldoen maar verlengt wel aanmerkelijk de duikperiode. Men spreekt daarom van adaptiefkieuwen.
Wellicht sprak men, gezien dit dubbele gebruik, hier beter van “huidademhaling”.

 
BBAT NATIONALE HUISKEURING 2004
Deel 3 - AFBBAT - OVAT - FAK - KAT
Marc Thelissen - Keurmeester
137
Op 2 oktober 2004 vertrok ik rond 7.00 uur vanuit Neeroeteren richting Deurne om er Ludo Segal op te pikken en aan de ronde van Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams Brabant te beginnen. Rond 08.30 uur was ik bij Ludo in de straat, doch ik was zijn huisnummer vergeten en moest hem met mijn mobieltje contacteren om aan het juiste huis te stoppen en Ludo met camera en materiaal op te pikken.
Met Ludo als goede gids reden wij naar onze eerste keuringsplaats: het gezelschapsaquarium van Jan Van Sebroeck te Niel. Jan beet de spits af. Voor Jan is het al de derde deelname aan de “Nationale Huiskeuring” op drie edities. Hij is lid van De Minor Rupel-Vaartland. Eén keer was hij de kampioen in de categorie “Gezelschapsaquaria” en één keer tweede.

 
  BBAT-informatief 140
  VOEDSELGIDS Voedselgids (voorpagina)    
Top   Inhoudsopgave