Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 58 - 2005
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 58 – Nr. 06 - Juni 2005
 
ISSN 1372-6501
Fragiele schoonheid in het kleinere aquarium, deel 2
Arend van den Nieuwenhuizen
182
’s Ochtends bij het ontbijt, waarde lezer, kijken mijn vrouw en ik altijd naar de nieuwsberichten op de teletekst van binnen- en buitenlandse zenders. Aan de ene kant leert vergelijking van het een en ander dat lang niet alle berichtgeving met elkaar overeen komt, aan de andere kant dat het bijna overal kommer en kwel is. We worden nooit of nauwelijks opgebeurd met iets aardigs of opwekkends, behalve op België één en twee, pagina 199. Daar is altijd wel iets te lezen dat ons een glimlach of hoofdschudden ontlokt.
Zo waren er, als u dit leest alweer meerdere maanden geleden, binnen veertien dagen twee berichten die handelden over door Britse wetenschappers uitgevoerde onderzoeken bij koeien en schapen. Ze hadden onderzocht hoe deze dieren onder andere op lijden en lusten reageerden.
Nou bij koeien, wist ik dat wel zo’n beetje, want ik heb in mijn jeugd in de zomervakantie vaak op een grote boerderij gelogeerd en daarbij ondervonden hoe nieuwsgierig koeien kunnen zijn, precies weten wanneer het melktijd is, de boer – die ze overigens allemaal een naam gaf – goed kenden en zich bij gebrek aan een stier in de wei soms wat vreemd gedroegen. De wetenschappers bleken ook geconcludeerd te hebben dat koeien last hadden van seksuele noden.
Van schapen wist ik niets en was het leuk om bijvoorbeeld te lezen dat sommige dieren in een kudde vriendschap sloten en elkaar herkenden. Ze bekeken zich zelf in een voorgehouden spiegel hetgeen ons, ondanks vele pogingen, bij onze kat nooit is gelukt. Schapen zijn blijkbaar ook verdrietig als er een dode te betreuren valt. Het bericht eindigde met een opsteker: “de vrouwtjes genieten intens van seks”. Al zie ik u niet, ik lees uw gedachten: “wat heeft dat in ’s hemelsnaam met vissen te maken?”
Wel, na het met plezier kennis nemen van de bovenstaande berichten, vroeg ik mij toch af of de dieren tijdens het onderzoek misschien waren gemanipuleerd. Op een boerderij kun je namelijk, wanneer het er de geschikte tijd voor is, meemaken hoe gemakkelijk het is om een stier, bijna op commando, met een koe te laten paren. Geakkelijk omdat beide partners een hele tijd “celibatair” hebben geleefd en het vreugdevolle weerzien met de andere sekse zeer snel tot een reactie leidt.

 

Cichliden voor beginners
Walter van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
191
Cichliden zijn zoetwatervissen die alle behoren tot de familie van de CICHLIDAE. Een immens grote familie met een enorme diversiteit aan genera en soorten. Bovendien leiden de voortdurende revisies van deze genera en soorten tot verwarring alom. Een kennismaking...
Cichliden zijn “secundaire zoetwatervissen” omdat – vandaag – algemeen wordt aangenomen dat zij zich ontwik-keld zouden hebben uit marine voorvaderen. Er zijn voldoende aanwijzingen en onderzoeken die deze bewering ondersteunen. Het verklaart meteen ook waarom een cichlide – in tegenstelling tot alle andere zoetwatervissen – links en rechts maar één neusopening bezit ... net zoals bij de zeevissen. Meteen is het uitwendig belangrijkste kenmerk vermeld waaraan je een cichlide direct kunt onderscheiden van andere vissen.
Bovendien hebben de eieren van de muilbroedende soorten, evenals de eieren van de zeevissen, geen hechtor-gaan. Over het waarom van het muilbroeden is men het nog niet helemaal eens, maar dit zou één van de redenen kunnen zijn. In zee worden de eieren immers met de zeestroming meegedragen, terwijl dit in een meer of een stilstaand water, niet het geval is. Dit zou dan ook een extra impuls kunnen geweest zijn om de eieren dan maar in de bek uit te broeden. Muilbroeden wordt bovendien beschouwd als een van de minst primitieve, een zeer effectie-ve en “recent” ontwikkelde broedvorm.

 
Vallisneria spiralis, een plant met weinig zorgen
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
196
Wat de Ronde Van Vlaanderen in de wielersport betekent, is Vallisneria spiralis in de aquariumplantenwereld: dé klassieker onder de klassiekers! Deze plant wordt al tientallen jaren gehouden en vermeerderd in aquaria en is in onze hobby niet meer weg te denken.
Vallisneria spiralis behoort tot de familie HYDROCHARITACEAE en werd in 1753 door Linnaeus beschreven. Er bestaan verschillende soorten Vallisneria en binnen de soorten zijn er nog eens verschillende variëteiten. Zo bespreekt Christel Kasselmann in haar “Handboek aquariumplanten” (uitgegeven bij Tirion) de Vallisneria spiralis var. denseserrulata. Deze variëteit van Vallisneria spiralis vond ze onder andere in het Tanganyika-meer en had in deze biotoop een opvallend harde bladstructuur. Voor meer details betreffende deze specifieke variëteit, verwijs ik naar het vermelde werk van Kasselmann, dat je met grote kans in uw clubbibliotheek zult vinden.

 
Medauroidea extradentata
Bart van Aken - Betta Buggenhout
198
Deze maand beschrijf ik een echte aanrader voor beginnende liefhebbers in de phasmiden (= verzamelnaam voor wandelende takken en bladeren) hobby. Medauroidea extradentata of gehoornde tak stelt geen moeilijke eisen en blijft toch een erg attractieve soort. Het is niet meteen een soort om dikwijls te hanteren daar ze erg snel de poten loslaten wanneer ze schrikken. Feitelijk zijn geen soorten geschikt om dikwijls te hanteren want de dieren ervaren dit als een stress situatie.
De gehoornde tak is beter bekend onder de naam Baculum extradentatum, maar wetenschappers zijn volop bezig met de herindeling van de Baculum-familie zodat wellicht nog wat naamsveranderingen zullen volgen.
Medauroidea extradentata wordt in Europa gehouden en gekweekt sinds 1950. De soort is dus goed verspreid onder de liefhebbers maar je vindt ze zelden in de dierenzaken. Door de jarenlange kweek in Europa zijn ze nummer 5 op de lijst opgesteld door de Phasmid Study Group*.

 
Nishikigoi, een waaier van kleuren. Deel 2: Kohaku
Louis Vanreusel - Aquarius Lokeren
200
Aanvankelijk had men het gehele koi-gamma onderverdeeld in 13 groepen, waarvan 10 niet-metaalkleurige en 3 metaalglanzende soorten. Inmiddels is dit gamma uitgegroeid tot 14 koi-variëteiten, beter zou zijn “koi-soorten”, nl. bij de niet-metaalglanzende vissen: Kohaku; Taisho Sanshoku of Taisho Sanke; Showa Sanshoku; Bekko; Utsuri Mono; Asagi, Shusui; Koromo; Kawarimono; Tancho; Kinginrin – klasse 1 met o.a. Kohaku, Taisho Sanke, Showa Sanshoku en Utsurimono; Kinginrin – klasse 2 waaronder alle soorten die niet in klasse 1 zijn opgenomen.
Bij de metaalglanzende vissen treffen we Hikari Mujimono of Ogon; Hikari Moyomono en Hikari Utsuri.
In de loop der jaren zijn bij de “Goshiki”, een onderverdeling van de groep Kawarimono, zo’n prachtige exemplaren te voorschijn gekomen dat men op vele koi shows voor deze variëteit een aparte groep heeft bijgemaakt. Ook voor de Doitsu versies is op vele shows een afzonderlijke categorie voorzien. De tijd en het experimenteren gaan echter door en meer en meer wrijgen we prachtige Kikohuryu te zien, een product uit een kruising van een Kumonryo met een Ogon. Deze soort wordt ondergebracht in de groep van Hikari Moyomono.
In dit en volgende artikels zullen we telkens één groep bespreken.

De Kohaku is een tweekleurige koi bestaande uit een witte ondergrond met rode vlekken.
“De weg naar de koi-wereld begint en eindigt met een Kohaku”
Het is de meest bekende van alle types en daarom ook de meest interessante.


 
De kleintjes uit de vijver...
Notonecta glauca
, het bootsmannetje
Ruda Rýbnicfan - Aquatom vzw
205
Deze op het eerste zicht zo onschuldig ogende waterbewoner wordt door de Duitsers niet ten onrechte “Wasserbiene” genoemd. De steken welke ze als aanvaller of verdediger geven, zijn uiterst pijnlijk. Zo u op uw vijver een nog levende vis op zijn zijde ziet drijven, moet u hem eens uitvangen. Aan de naar onder gerichte flank merkt u meteen de steekwonde op. Meestal is de vis echter ten dode opgeschreven. Slechts grotere vissen overleven een dergelijke verwonding. Tijdens de steek heeft het bootsmannetje immers bij zijn slachtoffer een portie verteringsap geïnjecteerd dat de spieren en/of organen aantast door weefselversterf of gangreen te veroorzaken.
De “waterbij”, “bootsmannetje” of “rugzwemmer” behoort met zijn amper twee centimeter lengte beslist tot de kleintjes maar is niettemin een uiterst belangrijke waterbewoner.
Het diertje zwemt op zijn rug welke de vorm van een kiel heeft en dus goed aangepast is voor snelle en stabiele verplaatsingen op het water. Neem daarbij nog dat het derde paar poten zeer lang, afgeplat en met borstelharen verbreed is, zodat ze echte “roeispannen” vormen.

 
Polygonium amphibium , Veenwortel
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
208
Waar we de veenwortel, in de vijver, plaatsen kan hem bitter weinig schelen. Er zijn slechts weinig planten die zo’n enorm aanpassingsvermogen bezitten als de veenwortel.
- In het water geplant – tot 150 cm diep – heeft hij slappe holle kale stengels en langgesteelde vlottende ovale en licht behaarde bladeren. Op het eerste zicht kan men de plant voor de bloeiperiode verwarren met één der vertegenwoordigers van de fonteinkruiden of POTAMOGETONACEAE. De hoog rechtopstaande roze schijnaren bloeien overvloedig van juni tot oktober. Dit is dan ook de normale verschijningsvorm.
- Op vochtige plaatsen bereikt de plant slechts een hoogte tussen 20 en 50 cm en ontwikkelt hij hartvormige, matig behaarde, bladeren met korte bladstelen. De stengels zijn stevig en vol omdat ze, in tegenstelling tot de watervariant, het volle gewicht van de plant moeten dragen. De beharing vermindert sterk het verdampen van de inwendige watervoorraad. Bloemen komen zelden voor.
- Op droge plaatsen kruipt de plant veeleer over de grond. De bladeren zijn sterk behaard en bloei komt nooit voor.
Natuurlijk komen er ook overgangsvormen en natuurlijke bastaarden voor wat het determineren er niet gemakkelijker op maakt. Deze buitenbeentjes vertonen dikwijls een rood aanlopende stengel.
Ondergronds vormt zich een taaie, zich sterk vertakkende, wortelstok.
Alternatieve menu's: groenvoer: maïs
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
210
De laatste jaren, naar aanleiding van de aanleg van een vijver, besteed ik nogal wat aandacht aan de bewoners ervan en kom ik vrij frequent in contact met vissers. Die moeten uiteraard op de hoogte zijn van de vissen hun gewoonten. Wat zij zoal in visvijvers en kanalen strooien om hun slachtoffers te lokken, is de aandacht meer dan waard.
In winkels voor “visserijartikels” stond ik perplex van de voorraden maïs in de rekken. Rijen met glazen bokalen en blikken met kleurige etiketten, gevuld met goudgele en andere maïskorrels. Er zijn weinig warenhuizen die zo’n uitgebreid assortiment “kippenvoer” aanbieden.
Bij de potten met rode of zwarte korrels gaat het heus niet om een modeverschijnsel of een fantasietje. Vissen onderscheiden wel geen kleuren zoals u en ik, maar zijn wel gevoelig voor het rode spectrumgedeelte en vermits de grijswaarden van rood en zwart vrijwel dezelfde zijn…
Is dergelijk voedsel vooral bedoeld om de vegetariërs te verwennen, dan komen de karperachtigen beslist op de eerste plaats. Zij zijn immers voorzien van een stel keeltanden waarmee ze iets kunnen fijnwrijven tegen de, er tegenover liggende, harde “karper-, steen- of kouwplaat”. Daar ze, in tegenstelling tot de vleeseters, niet over een echte maag en de erbij horende verteringssappen beschikken, moeten ze het voedsel op een andere manier “opneembaar” maken. Ze bezitten immers slechts een “voordarm” – een verwijding van de slokdarm – en een lang darmkanaal.
  BBAT-informatief 213
  VOEDSELGIDS Eendagsvliegen  
Top   Oevervliegen, steenvliegen