Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 58 - 2005
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 58 – Nr. 07-08 - Juli-Augustus 2005
 
ISSN 1372-6501
Een koudwateraquarium
Johan Keulemans - Pristella Schoten
218
Bij een koudwateraquarium denken de meeste liefhebbers direct aan een aquarium met goudvissen of met één van de vele kweekvormen ervan. Laat het duidelijk wezen dat dit maar een heel kleine greep is uit de soorten die in een koudwateraquarium gehouden kunnen worden. Er bestaan voldoende soorten om een koudwateraquarium te bevolken, alleen spijtig dat men ze zelden ergens aantreft.
Vooreerst zal men al eens goed moeten nadenken wat men verstaat onder een koudwateraquarium. Bedoelen we hiermee een onverwarmd aquarium dat in de woonkamer staat, die toch nog een gemiddelde temperatuur heeft van een 18 à 20 °C het jaar rond. Of bedoelen we een aquarium dat een temperatuur heeft van 10 à 18 °C en waarvan dat de watertemperatuur in de winter nog kan dalen. Je hebt nu eenmaal koud water en koud water.

 

Ervaring met het koud zeewateraquarium
Marc Boulaert - Aquarianen Gent
222
Na een 10-tal jaar ervaring met het tropische zeewateraquarium, kwam het verlangen dit ook eens te proberen met de koudwater variant. Een tussenstap, het Middellandse-zeeaquarium, welk zeer goede resultaten opleverde, was de aanzet hiertoe. Vijfentwintig jaar geleden werd daartoe, met een achttal leden van onze vereniging, een vangstexpeditie naar het Noord-Franse Wimereux op poten gezet. Dankzij een getijdenboekje wisten we het ideale uur om deze rotsachtige kuststrook te verkennen naar de door ons begeerde, toekomstige, aquariumbewoners. Gelaarsd, van emmers en plastic zakken voorzien, vertrok onze groep aldus om ongeveer 6 uur naar het jachtterrein.
Het eerste wat ons er opviel, was de verscheidenheid aan wiersoorten (van geelgroen naar donkergroen en van bruingroen naar purperrood). Zij zaten alle vast met een voetje op de stenen, wat het niet zo eenvoudig maakte om ze zonder beschadiging los te maken. Daar waren breedbladige soorten bij die tot 1,5 cm lang waren. Iedereen was er van overtuigd dat dit kleurenpalet in het zeeaquarium een prachtig effect zou teweegbrengen en zo werd het voorzichtig losmaken van deze wieren onze eerste zorg. Beter en gemakkelijker ware het geweest om ons te voorzien van een hamer en een beitel, om zo aan de voet een stukje rots af te houwen om de wortelvoet van de wieren niet te beschadigen.

 
Een cichlide voor het koudwateraquarium, Gymnogeophagus meridionalis
Walter Deproost - Belgische Cichliden Vereniging
226
Begin de jaren tachtig verscheen bij ons in de handel een “nieuwe” Zuid-Amerikaanse cichlide, met name Gymnogeophagus rhabdotus. Er was in die tijd weinig of niets verder bekend van deze aanwinst en omdat bij de meeste liefhebbers de dieren ook geen lang leven kenden, dachten we dat de soortnaam verwees naar het Antwerps gezegde “rap dood” of vlug naar de vissenhemel. Ondertussen weten we natuurlijk beter en was het korte leven voornamelijk te wijten aan de manier waarop we de vissen hielden, namelijk permanent in te warm water. De dieren zijn afkomstig van het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, waar de temperatuur van het water gedurende een tijd van het jaar heel wat lager is dan in de evenaarszone.

 
Oryzias... voor in het koudwateraquarium en in de vijver
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
228
De “Cisse” stelt er in onze club meestal mee tentoon in een soort “natuur-nabij-aquarium” en heeft ze ook in zijn vijver zitten: rijstvisjes. Ze behoren tot de familie der ADRIANICHTHYIDAE in de onderfamilie der ORYZIINAE. Daar behoren ze tot de orde der BELINOFORMES, de geepachtigen, in het Nederlands ook wel naaldvissen genoemd en in de klasse der ACTINOPTEYGII, de straalvinnigen. Algemeen staan ze bekend als “Japanse rijstvisjes” of als “medaka” wat komt uit de omgangstaal van hun herkomstgebied.
De visjes worden niet groter dan ca. 4 cm. Oryzias luidt hun wetenschappelijke genusnaam en ze zijn nauw verwant aan het genus Aplocheilus. Oryzias onderscheidt zich van deze laatste echter door een puntiger bek en een specifieke, zelfs ongewoon, korte bovenkaak.
Ze leven er meestal aan het wateroppervlak en ook in de vijver is zo’n school van enkele honderden een prachtig zicht als deze voorbijtrekt. Dat ze ook goede muggenverdelgers zijn is in hun natuurlijke biotoop mooi meegenomen en maakt dat sommige soorten daar zelfs beschermd zijn.
Een andere specifieke eigenschap is dat na de bevruchting de eitjes met een fijne “draad” nog enkele uren aan het vrouwtje blijven vastzitten. Ze worden “gelost” (de draad wordt hier letterlijk met de moeder verbro-ken) als het vrouwtje langsheen en tussen geschikte planten zwemt, waar ze dan blijven aan- en tussenhangen en meteen ook aan hun lot overgelaten. Dit kenmerk hebben ze met nog slecht twee andere soorten gemeen: deze van het genus Micropanchax en met Cubanichthys cubensis, een killi-vis uit Cuba.

 
Tanichthys albonubes
Jacques Roelandts
231
Tanichthys albonubes, ook wel Chinese danio genoemd, behoort tot de familie van de CYPRINIDAE en de onderfamilie der RASBORINAE. Deze soort werd in 1932 beschreven door Lin Shu-Yen en meer dan 60 jaar geleden werd dit mooie en levendige visje voor het eerst ingevoerd. Het leeft in het zuiden van China, in de provincie Guangdong, met als hoofdstad Canton of Guangzhou. Men treft het aan in de kleine en snelstromende beken van de “Witte-Wolken-Bergen”.
In de literatuur wordt ook de streek rond Hong Kong opgegeven, maar niets wijst erop dat dit klopt. Zonder er conclusies uit te willen trekken, geven we mee dat er in dezelfde streek, een rivier is met de naam Tan Jiang River. Met wat verbeelding hoort men hierin de genusnaam van de Chinese danio. Opgelet, onze oude bijbel (nog voor de Mergus er was), namelijk het boek van Axelrod uit 1984, geeft als uitleg voor de genusnaam Tanichthys dat deze afgeleid is van de naam van de vinder van het visje: Tan Kam Fei. Joost mag het weten hoe de vork werkelijk aan de steel zit, de visjes zelf trekken het zich in elk geval niet aan!


 
Noemacheillus barbatulus, het bermpje of steengrondeltje
Ruda Rýbnicfan - Aquatom vzw
236
Linnaeus beschreef in 1758 de vis als Cobitis barbatula. Guenther in 1868 vond dat hij in het door hem, speciaal voor het bermpje, opgestelde monotypische genus Noemacheillus thuishoorde. “Barbatula” werd dan wegens het geslacht van het genus “barbatulus”.
Dit belette nochtans niet dat de “baarden” bleven. Van bovenuit gezien zijn ze zeer duidelijk te onderscheiden. Naar voren gericht vinden we in het midden twee kleintjes, aan beide zijden geflankeerd door zeker een dubbel zo lange. Uit elke mondhoek vertrekt er dan weer zo een. Cobitis taenia of de kleine modderkruiper bezit er eveneens zes. Misgurnus fossilis of de grote modderkruiper bezit echter tien van zulke tastharen.
Een verder kenmerk om de diertjes van elkaar te onderscheiden, vormen de stekels. Noemacheillus barbatulus bezit in een groef of kuiltje onder het oog een klein stekeltje; Cobitis taenia bezit echter een duidelijk zichtbaar oprichtbaar, gevorkt exemplaar; bij Misgurnus fossilis ontbreken dan weer de stekels.

 
Uitheemse vissoorten in Vlaanderen: een verrijking of een pest?
Dieter Anseeuw - Aquatropica Kortrijk
238
“Exoten zijn organismen die, door direct of indirect toedoen van de mens, in een gebied buiten hun oorspronkelijke verspreidingsareaal gebracht zijn.” Deze definitie door Holcík (1991) geeft een goede omschrijving van wat men verstaat onder een exoot (uitheemse soort) vanuit biologische invalshoek. Een ecologische definitie is voor de wetgeving veelal om praktische redenen niet hanteerbaar, zodat arbitraire criteria dienen te worden gehanteerd. De Vlaamse wetgeving geeft met het Besluit van de Vlaamse Executieve betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten (21.04.1993 - B.S. 31.07.1993) een eigen invulling aan de term exoten: “Diersoorten die niet of sedert minder dan vijftig jaar voor de inwerkingtreding van dit besluit in het wild voorkomen in België, met uitzondering van de soorten die de laatste vijftig jaar een natuurlijke areaaluitbreiding kenden”. Als men dan weet dat rond het begin van de 20ste eeuw een eerste belangrijke golf van vistransport richting West-Europa op gang kwam, mag gesteld worden dat de arbitrair gekozen tijdspanne van vijftig jaar echt wel veel te krap bemeten is. Bovendien houdt de wet hier geen rekening met het feit dat soorten door toedoen van de mens kunnen zijn uitgestorven. Zo wordt het uitzetten van de Europese steur (Acipenser sturio) wettelijk aanzien als het introduceren van een exoot vermits de soort al meer dan 50 jaar niet meer in België wordt aangetroffen. Volgens de ecologische definitie is de steur evenwel inheems en is hier sprake van een herintroductie. Een ander opmerkelijk geval is het vetje (Leucaspius delineatus). Deze soort zou van 1890 af als verstekeling zijn meegekomen en via het nieuw aangelegde kanalensysteem onze wateren hebben gekoloniseerd. Het visje wordt thans erkend als een beschermde soort, volgens de Conventie van Bern. Vermits de soort al langer dan 50 jaar in België voorkomt, wordt deze vanuit wettelijk standpunt niet als een exoot beschouwd.
Alternatieve menu's: groenvoer: spinazie
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
244
Na de Eerste Wereldoorlog gaf “Landbouw” in de Verenigde Staten de opdracht om het groentenverbruik aan te zwengelen. Natuurlijk werd deze promotieopdracht in eerste instantie verstrekt aan gehaaide reclamejongens. Deze zochten in de eerste plaats naar een figuur die de massa aansprak. Het werd “Popeye, the Sailorman”. Dat was psychologisch een voltreffer. De doorsnee Amerikaan was vertrouwd met de Pelgrim* geschiedenis en zag de avonturen van een matroos wel zitten. Popeye was de underdog die de “American dream” vertolkte en zonder naar de status van zijn tegenstander te kijken, voor zijn werkelijke of vermeende rechten opkwam, voor de dames in de bres sprong ... maar toch steeds op één of andere manier zijn slag thuishaalde.
Tot hiertoe liep alles gesmeerd. Nu moest nog een smakelijke, good looking groente – liefst niet te prijzig – gevonden worden om hem explosief aan te sterken.
Vitamines waren nog niet zo erg bekend. Mineralen spraken meer tot de verbeelding. Laat daar nu toch een wetenschapper juist een artikel gepubliceerd hebben over een groente met een hoog ijzergehalte.
  Temperatuur als parameter
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
246
Aquarianen praten onderling meestal over de meest geschikte pH, de juiste °dH en de meest briljante verlichting, maar denken weinig – en wellicht ten onrechte – niet zo veel aan de invloed van de temperatuur.
Indien u aquarianen hoort praten over de warmte blijft het thema meestal beperkt tot de minimum- en maximumwaarden ervan voor hun troeteldieren. Soms hoort het opvoeren van de temperatuur er ook bij, om de paardrift aan te zwengelen of om parasieten de duivel aan te doen, bijvoorbeeld om hun versneld te laten ontwikkelen waardoor de vis van hen bevrijd wordt en we de boosdoeners in open water de rekening kunnen aanbieden. De witte stip (Ichthyophthirius) zal het beamen.
Zo heb ik ook mijn bedenkingen bij de in de natuur opgenomen maxima. In de tropen worden tijdens expedities de vissen doorgaans gevangen tijdens de hoge waterstanden in het voorjaar. Later op het jaar, tijdens de zomer en de herfst, zijn deze plaatsen via de waterwegen moeilijk bereikbaar en wie dan door de nog weinig water bevattende riviertjes en poelen ploetert, riskeert een krokodil aan zijn broek.

  BBAT-informatief 248
  VOEDSELGIDS Snaveldragers, snavelinsecten  
Top