Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 58 - 2005
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 58 – Nr. 09 - September 2005
 
ISSN 1372-6501
Kweken met Apistogramma macmasteri
Robert Van Mossevelde - Betta Buggenhout
254
Tijdens een van de vele bezoeken die ik aan aquariumzaken bracht, op zoek naar dwergcichliden, ontdekte ik ongeveer tien jaar geleden het toen nog zeer zeldzame visje Dicrossus maculatus. Ik kocht er een 6-tal nog zeer jonge dieren en bracht ze over in een voor klein blijvende cichliden ingericht aquarium. Na enkele maanden bleken het echter allemaal mannetjes te zijn.
Een tweede aankoop van vijf stuks leverde me ook allemaal mannen op. Een derde keer dat ik zes stuks kocht, bleken er na een tijdje eindelijk toch twee vrouwtjes tussen te zitten. Daar wou ik eens mee kweken, want met hun naamgenoot Dicrossus filamentosa, was het me steeds gelukt om er mooie nestjes van groot te brengen.
Er over praten met vrienden, eveneens liefhebbers van dwergcichliden, leerde me dat ook zij enkel mannelijke dieren hadden gekocht, vrouwtjes waren toen uiterst zeldzaam. Het kweken met Dicrossus maculatus is me echter niet gelukt.
Gelukkig gaat het niet zo bij alle dwergcichliden, er zijn er nog heel wat die wel gemakkelijk tot paring te brengen zijn.
Nemen we nu bijvoorbeeld, Apistogramma macmasteri, een visje dat ik ook een 10-tal jaar geleden kocht op een van mijn zoektochten naar klein blijvende cichliden.

 

Fragiele schoonheid in het kleinere aquarium (slot)
Arend van den Nieuwenhuizen
259
Zoals beloofd, begint dit artikel met enkele tips over de bestrijding van de beruchte peperstip. Andere onderwerpen zijn de inrichting en de bevolking van een gezelschapsaquarium voor killivissen met aandacht voor het te creëren milieu en het combineren van enkele soorten c.q. populaties. Uitgangspunt is daarbij een gezelschap rondom de in het juninummer afgebeelde, parende Scriptaphyosemion geryi.
Tenslotte summier enkele opmerkingen over het bewaren van de eieren.
In het juninummer las u in deel 2 aan het einde van pagina 189 en in het begin van pag. 190 het volgende: “Een vijand van de killivisliefhebber is de beruchte peperstip (Öodinium spec.). Fundulopanchax amieti en vooral Nothobranchius- en andere, in de natuur in wat harder water voorkomende soorten, zijn er gevoelig voor als we ze in te zacht en licht zuur water houden”.
Voor de goede orde: het bovenstaande betekent niet dat alle Nothobranchius-soorten in de natuur in harder water voorkomen, maar wél, dat het verstandig is om alle Nothobranchius-soorten te houden in water met de genoemde profylactische zouttoevoeging. Bij verdere optimale omstandigheden behoort desondanks een geregelde controle zodat bij een onverwachte besmetting direct kan worden ingegrepen.

 
Blyxa aubertii
Guido Bertels - ATVV Blauwe Alg Kessel - vanuit Sri Lanka
268
Het zal nu zowat 36 jaar geleden zijn dat van mijn koudwater- naar een warmwateraquarium (nu noemen we dat tropisch zoetwateraquarium) overgeschakeld werd. Hoewel ik tijdens deze periode altijd wel ergens cichliden had zitten, ging mijn voorkeur voor het huiskameraquarium toch naar een plantenbak, en op het laatste besteedde ik zelfs meer aandacht aan de planten dan aan de vissen. In mijn eerste aquarium, van 70 cm, stond een Amazone-zwaardplant en een echt stuk kienhout. Hoewel verlichting, filtering en al de rest heel miniem was, groeide dit plantje na een paar maanden uit het aquarium. Ondertussen was in de huiskamer een plaatsje gevonden voor een aquarium van 120 cm. In die tijd nog met een ijzeren frame en bodem. De bijhorende lichtkap met één lamp van 40 Watt werd uitgebouwd zodat er twee in gemonteerd konden worden. Hoewel 120 x 40 x 50 cm niet de ideale afmetingen waren, kon hier al heel wat meer groen in geplant worden, met de destijds best verkrijgbare en houdbare soorten. In die tijd hamerde men er nogal eens op dat waterplanten goed en moerasplanten slecht waren voor het aquarium. Na verloop van tijd werden die begrippen wat ruimer en nu spreken we van aquariumplanten.

 
Nieuwe indeling van de keizersvissen - famile Pomacanthidae
Eddy Derijst - Koninklijk Belgisch Instituur voor Natuurwetenschappen, Brussel - Siervis Geraardsbergen
272
De vertegenwoordigers van de keizersvissen (anderen noemen ze "Engelvissen") behoren tot de populairste vissen uit de zeewater liefhebberij. Ik kan me nauwelijks een zeewateraquarium voorstellen waarin geen keizer rondzwemt. Meestal zijn het wel soorten die wij om hun kleinere afmetingen (10-12 cm) “dwergkeizers” noemen maar juist hierdoor zijn ze uitermate geschikt voor het rifaquarium. In de familie vinden we evenwel ook soorten die we tot de reuzen onder de aquariumvissen kunnen rekenen omdat ze eens volwassen tot 45 à 50 cm kunnen uitgroeien. Uiteraard zijn deze laatste minder geschikt voor het normale huiskamer aquarium, maar komen zeker tot hun recht in de volumineuze bakken van de publieke aquaria. In de natuur zijn het ook deze vissen die door hun afmetingen en vooral door de kleurenpracht die ze tentoon spreiden, zeer vlug de aandacht trekken van onderwaterliefhebbers. Vooral Pomacanthus imperator en Pygoplites diacanthus worden regelmatig in waterdiepten tussen 2 en 4 m waargenomen en zijn dus ook voor gewone snorkelaar in al hun pracht te bewonderen.
Binnen de familie, die ongeveer 85 verschillende soorten telt en zich heeft verspreid in alle tropische zeeën, treffen we een grote variatie in afmetingen, lichaamskleur, gedrag en voedinggewoonten. Deze verscheidenheid en het relatief klein aantal soorten, maakt hen interessante studieobjecten zowel voor de aquariumliefhebberij als de voor de wetenschap.

 
  BBAT-informatief 277
  VOEDSELGIDS Snaveldragers, snavelinsecten  
Top