Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 59 - 2006
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 59– Nr. 03 - Maart 2006
 
ISSN 1372-6501
Etroplus suratensis, Etroplus maculatus... zoet of brak?
Arend van den Nieuwenhuizen
058
Op een nacht ongeveer 40 dagen voor mijn tachtigste verjaardag zat ik om een uur of een te neuzen in een album, dat in 1925 een jaar voor mijn geboorte werd uitgegeven door Verkade's fabrieken in Zaandam. De titel luidde - hoe kan het anders - "Mijn aquarium" geschreven door dr. A. F.J Portielje, directeur van Artis in Amsterdam. De illustraties bestonden uit kleuren plakplaatjes naar aquarellen van mevrouw J.P.H. Portielje-Scholten. De nummers 1 tot en met 5 op pagina 11 van het album tonen het paringsgedrag van het driedoornige stekelbaarsje, het eerste visje dat ik van mijn vader kreeg toen ik in 1930 - vier jaar oud zijnde - de bof had en hij mij opvrolijkte met het maken van een houten aquarium. De wanden waren met cement bekleedt en gedecoreerd met schelpen van het Scheveningse strand. Ik kon dus enkel van bovenaf de stekelbaarsjes tussen de waterpest zien zwemmen.
Drie jaar later lag ik in het voorjaar en de zomer, op mijn vrije schoolmiddagen, vaak langs de kant van glasheldere sloten en kon ik het gedrag van de stekelbaarsjes in de vrije natuur bekijken. Ik ving salamanders, ruilde ze onder hoede van mijn vader voor tropische visjes en bracht dat alles onder in acht volglazen aquaria. Intussen groeide de collectie albums en las ik steeds weer met grote interesse over vissen die elkaar de eieren als een bal toespeelden en andere die hun eieren verzorgden en de jongen bewaakten.
Nostalgisch gestemd, bladerde ik door het album en bedacht dat Portielje tot de dag van vandaag misschien het uniekste aquariumboek voor kinderen schreef. Al mijmerende werd het een uurtje later en viste ik uit de boekenkast een jaargang van een nog ouder tijdschrift om al lezende voor de zoveelste keer te constateren “vissen komen en gaan", terwijl wij van de “gaande" eigenlijk nog lang niet alles weten. 's Nachts om half vier werd aan dit artikel begonnen.

 

Kweken met dwergcichliden... Mikrogeophagus ramirezi
Robert Van Mossevelde - Betta Buggenhout
068
27 februari 1984: aankoop van Pterophyllum scalare
12 april 1984: aankoop van Apistogramma gibiceps
22 mei 1984: aankoop van Nematobrycon palmeri

Wanneer ik voor het eerst Mikrogeophagus ramirezi kocht, hoefde ik niet te noteren in het notaboekje dat ik van alle aankopen bijhoud. Zoals bijna iedere beginnende aquariumliefhebber kocht ik deze mooie visjes enkele dagen nadat ik mijn eerste aquarium inrichtte, een bakje van 80 x 40 x 40 cm. Dat was in 1961.
Geen enkele beginnende aquariaan gaat er aan voorbij als hij voor het eerst deze kleine mooie visjes, met hun iriserende kleuren, bij de handelaar ziet zwemmen. Dus kocht ik er een viertal, samen met nog wat zalmpjes, enkele guppy’s en natuurlijk ook wat neon tetra’s.
Een lang leven waren ze echter niet beschoren, want na enkele weken waren ze reeds, samen met de neons, naar de vissenhemel. Een paar weken later toch weer geprobeerd om enkele Apistogramma ramirezi, want dit was toen in 1961 nog hun wetenschappelijke naam, te kopen en weer waren ze snel dood. Het deed me besluiten ze dan maar “Apistogramma- grand mizéri” te noemen.
Pas toen ik al een tiental jaar lid was geworden van een aquariumclub en al wat meer wist over water ontharden en aanzuren, en het houden en kweken van vissen, kocht ik weer eens ramirezi’s. 6 stuks die ik met de gekende druppelmethode overbracht naar een kweekbakje van 70 cm, ingericht met veel ruwe stenen en in een hoek wat javavaren.

 
Glossostigma elatinoides
Mark Graafsma
074
Vorige maand noemde Arend Glossostigma elatinoides in het tweede deel van zijn artikel over de zon minnende planten. Omdat zijn tijd door omstandigheden wat beperkt is, vroeg hij mij een aanvullend stukje over deze plant schrijven. Dat was een beetje moeilijk, want ik heb deze soort nooit zelf gehouden. Ter beschikking gestelde literatuur en aantekeningen uit zijn archief hielpen mij op weg, zodat ik het er maar op heb gewaagd.
De Nederlandse liefhebber A.J. Redeker "importeerde" als eerste een hem onbekend plantje in Europa op een manier die deed denken aan de import van visseneieren uit verre streken. De "import" bestond namelijk uit een gewone per luchtpost verzonden brief door een relatie in Nieuw-Zeeland. In de brief zaten een paar, in een simpel plastic zakje verpakte, stengeltjes van een plant waarvan de naam Glossostigma elatinoides zou zijn. Nu was de heer Redeker gelukkigerwijze een buurman van de Nederlandse plantendeskundige H.W.E. van Bruggen, aan wie de plantjes logischerwijs ter beschikking werden gesteld. Van Bruggen bracht de plantjes in bloei en kon daardoor de juistheid van de opgegeven naam bevestigen. In juli 1973 verscheen van zijn hand het eerste, uitvoerige artikel over deze nieuwigheid in "Het Aquarium", het bondsorgaan van onze Noorderburen.

 
Centropyge loricula, de vuurvlam dwergkeizer
Beni Lecompte & Eddy Derijst - Siervis Geraardsbergen
076
Eén der meest opvallende soorten onder de dwergkeizers (Orde: Perciformes; Familie: POMACANTHIDAE) is zeker Centropyge loricula. Oorspronkelijk werd de vis beschreven door Albert Günther als Holacanthus loriculus, maar dit genus is momenteel voorbehouden voor de groter uitgroeiende keizersvissen. O.a . daarom heeft men de soort tegenwoordig ondergebracht in het genus Centropyge. Men treft de vis in de literatuur aan zowel onder de soortnaam C. loriculus als C. loricula. Het grammaticale geslacht van het genus Centropyge is echter vrouwelijk en daarom is de naam “loricula” volledig in overeenstemming met de genusnaam.
In 1954 beschreven L. P. Woods en L. P. Schultz Centropyge flammeus, een soort met een vuurrood lichaam, die de beschrijvers aan een oplaaiende vlam van het vuur deed denken (flammeus = vlam). John E. Randall ontdekte in 1990 echter dat de C. flammeus in feite identiek is met C. loricula. C. flammeus wordt daardoor een synoniem van de eerder beschreven C. loricula. De populaire Nederlandse benaming “vuurvlam dwergkeizer”, oorspronkelijk toegekend aan C. flammeus, blijft echter behouden voor de soort.
Het verspreidingsgebied is aanzienlijk te noemen. Het strekt zich uit in de Stille Oceaan van Oost-Indonesië en de Marianen-eilanden over alle eilandengroepen tot de Marquesas-eilanden en Pitcairn. Kortweg: de kusten van de eilanden rond Hawaï. De grootste concentratie treft men aan rond Palau, de Carolinen-, de Marshall- en de Genootschap-eilanden. Ooit las ik dat men hen ook aangetroffen had in de Caribische Zee, maar deze informatie zou op foutieve gronden steunen. Ze leven niet vlak onder het wateroppervlak, maar minstens op een diepte van 30 à 35 m, zelfs tot 60 m en meestal in de dichte omgeving van steenkoraal. De vissen kunnen dus slechts gevangen worden door duikers die voldoende vakkennis hebben én bij het duiken én in de aquaristiek.

 
Ontmoetingen bij de vijver...
Libellula depressa, platbuik
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
078
Indien we een waterplas in de tuin hebben, komt de platbuik zeker op bezoek. Op mooie zonnige dagen zoekt hij zich meestal een favoriet stekje in de tuin. Zijn rustplaats en tegelijk uitvalsbasis, is vaak een hoge stengel, een tak of een ander hoog punt. Op dat punt komt hij bijna altijd weer terug, zodat we hem eenvoudig kunt opwachten en rustig bestuderen.
Vooral de donkere stukken van de vleugels, vlak bij het lichaam, maken de schoonheid van deze libel.
De platbuik is een behoorlijk grote libel, goed herkenbaar aan zijn brede achterlijf, waardoor hij wat groter en plomper overkomt dan hij eigenlijk is. Hij haalt een lengte van 3,9 à 4,8 cm met een spanwijdte van 6,5 à 7,5 cm. Het is een snelle vlieger die echter niet lawaaierig is.
De platbuik heeft eigenlijk niet zo'n platte buik maar een breed en kort achterlijf, relatief korter dan dat van de “glazenmakers”. Als je het insect vanaf de zijkant bekijkt, kun je goed zien dat die buik helemaal niet zo plat is. Er zitten nog mooie gele plekken aan weerszijden van het achterlijf.
Het mannetje platbuik heeft bovenaan een helderblauw achterlijf. Soms hebben de mannetjes wat minder blauwgrijs op het achterlijf. De vrouwtjes hebben een geelbruin achterlijf met grotere gele vlekken. Ook jonge mannetjes hebben een geelbruin achterlijf. Op de zijkant van het achterlijf zitten gele vlekjes. Vrouwtjes en jonge mannetjes doen door dit bruin met geel wel wat aan een grote wesp denken als ze vliegen.
De vier vleugels hebben aan de basis grote opvallende zwarte vlekken. Aan het uiteinde vertonen ze ieder een roestbruin vlekje. Het borststuk is bruin met lichtgele strepen. Op de schouders zit een lichte schouderstreep. De kop is geelachtig. De ogen zijn donker.
De platbuik kan verwisseld worden met de bruine korenbout. Bij deze laatste zijn de vlekken aan de basis van de vleugels veel kleiner.


 
  VOEDSELGIDS Regenwormen, aardwormen  
Top