Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 59 - 2006
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 59– Nr. 04 - April 2006
 
ISSN 1372-6501


Witte waterlelies
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
088
De eenvoud en perfectie van een witte leliebloem, rustend op het watervlak roept een gevoel van zuiverheid en sereniteit op. De lokkende geur doet ons wegdromen naar lang verleden jeugdtijden en het ronde van de vormen symboliseert gezellige beslotenheid en innerlijke stabiliteit. Van de lente af, zo ongeveer mei, komen de bloemknoppen één voor één uit de diepte naar boven. Ze ontvouwen hun bloemblaadjes met sierlijke gratie. De bloemen drijven op het water of worden er sierlijk boven geheven. Als sterren fonkelen zij op het waterfirmament, omringd door grote ronde vlakke bladeren. Het zijn werelden op zich en als drijvende eilanden welkome leefplaatsen voor onnoemelijk vele diertjes. De meest romantische waterlelies zijn de witte. Sommige puriteins ingestelde vijverbezitters dulden uitsluitend deze maagdelijke bloemen in hun waterpartij. Zij zijn ook de juiste keuze voor vijvers die er zo natuurlijk, zo wild mogelijk moeten uitzien.
De meeste wilde, winterharde waterlelies zijn wit. Het gaat om Nymphaea alba, N. candida, N. odorata, N. tuberosa en N. tetragona. Vele van de oudste cultuurvormen zijn ook wit. Ze sieren al meer dan honderd jaar de tuinvijvers. Het is waarschijnlijk dat het veeleer om selecties ging dan om echte kruisingen. De meeste nieuwere cultivars zijn complexer wat betreft hun oorsprong, hebben kortere wortelstokken en meer dubbele bloemen. Nieuwere selecties zijn vaak, maar niet altijd, betrouwbaardere bloeiers. Veel waterleliebloemen geuren verrukkelijk en bedwelmen met hun zoete alcoholdampen. Het zijn vooral de waterlelies met N. odorata (betekent: geurende waterlelie) in hun stamboom die deze eigenschap dragen. Dat voor nog meer vijverplezier.

Puriteinen verkiezen witte waterlelies. Het is vooral de grootte van de bloemen en bladeren, maar ook de vorm van de bloemen en zelfs de intensiteit van het wit die maakt dat men kiest voor deze of gene soort. Wit bestaat in allerlei tinten: papierwit, groenwit, blauwwit, roomwit, rozig wit, sneeuwwit, geelwit… Ook de aanwezigheid van geur kan een argument zijn om te kiezen voor een bepaalde waterlelie.

Waterlelies zijn niet enkel onwezenlijk mooi maar dragen ook een belangrijke steen bij aan het biologisch functioneren van de waterpartij. Het drijvende gebladerte en gebloem verminderen de instraling van zonlicht in het water en helpen zo de algengroei in bedwang te houden. Waterlelies verbruiken voedingsstoffen die anders de ongewenste algen zouden voeden en helpen zo op een bescheiden manier het water proper en helder te houden. De planten bezorgen de vissen een plaats om onder te schuilen bij gevaar. De schaduw van de waterleliebladeren zorgt ervoor dat het water niet te warm wordt tijdens hete dagen.
Voor een goed biologisch evenwicht is het belangrijk dat een gedeelte van het wateroppervlak van de vijver bedekt is met drijvende planten of bladeren. Hoe kleiner de vijver, hoe meer oppervlak er procentueel moet bedekt zijn. Een vijver van 15 m op 6 m is best voor 50 % bedekt met drijf(blad)planten. Voor een kleinere vijver van bijvoorbeeld 3 m op 3 m is een bedekking tussen 60 % en 70 % ideaal.
Aarzel niet een waterlelie extra toe te voegen, het vijvermilieu zal er u dankbaar voor zijn.

 

Cobitis taenia, de kleine modderkruiper
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
096
De voor de soort kenmerkende gevorkte stekel onder het oog kan met een spiertje opgericht worden. Neemt u er beslist voor in acht, de prik ervan is zeer onaangenaam. Waarschijnlijk gaven de Britten hem daarom dan ook de naam “spined loach” of de van stekels voorziene modderkruiper.
Deze stekel is ook de reden waarom hij in de genera Acanthopsis, genus waarin Linnaeus hem oorspronkelijk plaatste en Botia niet welkom is.
De bodem kan hem weinig schelen. Stenig, zanderig of modderachtig indien hij er zich maar ergens kan in verschuilen. Overdag graaft hij zich in zodat alleen een stukje kop en staart nog juist boven steken. Enkel wanneer er een lekker hapje opdaagt, zal hij uit de bodem opduiken om er daarna weer zo vlug mogelijk in te verdwijnen. Deze verdwijntruc vormt anderzijds een prima bescherming tegen allerlei predatoren.
Natuurlijk helpt een dergelijke schuilplaats niet tegen gespecialiseerde bodemonderzoekers zoals grote meervallen, alen en kwabalen welke zonodig de bodem wel even omploegen.

 
Zon minnende planten, buiten en binnen (slot)
Arend van den Nieuwenhuizen
098
In mijn schooltijd op de HBS hadden wij gedurende een jaar een lerares biologie. Een wat kleinere dame met grijzend haar in een knotje op het achterhoofd, een stalen brilletje op haar neus en schoenen met platte hakken. Ze zag kans om bij mij en de meeste van mijn klasgenoten de toch al niet grote interesse voor planten om zeep te helpen. Planten waren namelijk haar meest geliefde onderwerp. Ik heb in dat jaar zo veel nerven moeten tellen van verzamelde en gedroogde bladeren, dat ik het spuugzat was. Bladvormen, behaarde en onbehaarde stelen en Joost mag weten wat nog meer interesseerden mij geen zier. Het enige wat mij uit die tijd is bij gebleven, is de leerstof over orchideeën en de functies van de kleur en vorm van hun de bloemen.
De aversie tegen het verzamelen van kennis over planten heeft jaren geduurd tot ik geïnteresseerd raakte in cryptocorynen en hun bloeiwijzen. Het gevolg was dat ik professor de Wit leerde kennen, in de loop der tijd goede contacten met hem onderhield en nooit ben vergeten hoe hij, net als Christel Kasselmann in latere jaren, in woord, geschrift en prachtige informatieve foto’s zowel de beginnende als de meer ervaren aquariumliefhebbers enthousiast maakte en de kennis bijbracht die nodig is om een goed beplant aquarium in stand te houden. In mijn herinnering staat gegrift hoe hij ooit op een aquariumcongres een lezing met ongeveer de volgende zin begon: “Met planten moet je praten, als ze hun kopje laten hangen, doen we het niet goed”.
De laatste zin heeft vooral te maken met de straks te behandelen Eusteralis stellata, een plant “als een droom uit de rijstvelden” zoals de Nederlandse liefhebber de Bresser deze schoonheid ooit noemde. Maar dromen wil men graag verwezenlijken en dat blijkt in dit geval niet zo eenvoudig te zijn. Daarover meer na een korte terugblik op de vorige aflevering over de zon minnende planten want wij verstrekken, net als bij de verhalen over vissen, graag zo veel mogelijk nuttige informatie.

 
  VOEDSELGIDS Regenwormen, aardwormen (vervolg)  
Top