Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 59 - 2006
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 59– Nr. 05 - Mei 2006
 
ISSN 1372-6501

Het genus Cryptocoryne...
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
114
Van alle waterplanten in de aquaristiek ging mijn interesse meteen uit naar aquariumplanten die eigenlijk geen echte waterplanten zijn: cryptocorynen. Het genus Cryptocoryne dankt trouwens zijn populariteit volledig aan het houden van deze moeras- of oeverplanten in de aquaria (submers) en paludaria (emers) van de liefhebber. Er zijn in dit verband reeds meldingen van een gecultiveerde kweek in Europa rond 1910! Later, in de jaren zestig, was er naast een babyboom blijkbaar ook een “cryptoboom” en steeg de import van (soms spijtig genoeg ondeskundig uit de natuur verzamelde) “wilde” planten enorm en werden ze zelfs een ware hype onder de aquarianen. Zij waren een hebbeding en toen in de mode, zoals we dat ook met sommige visgenera kenden en nog kennen. Ook vandaag zijn het nog zeer gegeerde aquariumplanten.

De eerste Cryptocoryne werd reeds beschreven in 1779 door Retzius, doch als Arum spirale. In 1920 werd door Engler dan de eerste van een lange reeks, belangrijke, revisies ingezet. Pas na 1970 werd deze indeling door De Wit, Jacobsen en Bogner grondig herzien, wat leidde tot de huidige indeling. Desondanks dit vandaag misschien wel het best gekende en meest onderzochte genus is, is de determinatie van een soort, op het zicht, voor de leek niet altijd zo eenvoudig. Het genus heeft bovendien een zeer ingewikkelde determinatietechniek die daarenboven nog vele opinies kent tussen de taxonomen onderling, met als resultaat een soms tot verwarring leidende naamgeving. Het is daarom niet denkbeeldig dat in een latere revisie, op basis van chromosomenonderzoek, verscheidene soorten als synoniemen zullen beschouwd worden. Afwachten dus...
Vraag daarom bij de aanschaf van een Cryptocoryne-soort, aan de handelaar ook steeds naar de correcte naam en de eventuele herkomst van de plant.

 

Etroplus suratensis, Etroplus maculatus... zoet of brak?
Arend van den Nieuwenhuizen
118
De voor de soort kenmerkende gevorkte stekel onder het oog kan met een spiertje opgericht worden. Neemt u er beslist voor in acht, de prik ervan is zeer onaangenaam. Waarschijnlijk gaven de Britten hem daarom dan ook de naam “spined loach” of de van stekels voorziene modderkruiper.
Deze stekel is ook de reden waarom hij in de genera Acanthopsis, genus waarin Linnaeus hem oorspronkelijk plaatste en Botia niet welkom is.
De bodem kan hem weinig schelen. Stenig, zanderig of modderachtig indien hij er zich maar ergens kan in verschuilen. Overdag graaft hij zich in zodat alleen een stukje kop en staart nog juist boven steken. Enkel wanneer er een lekker hapje opdaagt, zal hij uit de bodem opduiken om er daarna weer zo vlug mogelijk in te verdwijnen. Deze verdwijntruc vormt anderzijds een prima bescherming tegen allerlei predatoren.
Natuurlijk helpt een dergelijke schuilplaats niet tegen gespecialiseerde bodemonderzoekers zoals grote meervallen, alen en kwabalen welke zonodig de bodem wel even omploegen.

 
Gerris lacustris, de schaatsenrijder
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
128
De Nederlandse naam geeft andermaal duidelijk weer hoe goed de mensen dieren observeren.
De hoekige, schokkerige beweging van de schaatsenrijder wordt hier realistisch weergegeven. De Duitsers houden het met hun “Wasserlãufer” of “waterloper” dan weer soberder. Wel geven ze de scharende beweging van het dier soms weer met het woord “Schneider” dat kleermaker betekent. De Fransen leveren met hun “ciseaux” of schaar de kleermaker dan weer het gepaste gereedschap.
De Engelsen spreken dan weer van “water strider” en verwijzen hierdoor naar de grote schreden of passen bij de voortbeweging. Hun “pond skater” betekent zoveel als schaatser op de vijver en “pond skimmer” wijst erop dat het diertje de vijver afschuimt.
De Franse benaming “araignée d’eau” is verkeerd daar het hier absoluut geen spin betreft. Hun “gerris” is dan weer van de wetenschappelijke naam afgeleid.
En waar komt die dan weer vandaan? De familienaam is GERRIDAE en veelal wordt een vervorming of afkorting gebruikt als genusnaam. Lacustris slaat dan weer op het feit dat ze in moerassen voorkomen.

 
Calopteryx virgo, de bosbeekjuffer
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
130
Wie de kans heeft baltsende beekjuffers gade te slaan, begrijpt al vlug een stukje van de wondere fantasiewereld van feeën en sprookjes. Het dartele gefladder met zoveel gratie brengt ons in een andere dimensie. Frêle schoonheid van vorm en beweging passeert voor onze ogen. We vangen deze lieflijke gratiën in onze gedachten om ze nooit meer los te laten. We laten er een onzichtbaar net van hersenspinsels over vallen en koesteren hen teer. Ze echt vangen mag niet (waterjuffers en libellen zijn beschermd) en het heeft ook geen enkele zin. Er zijn ooit uitgebreid experimenten mee gedaan maar geen van alle soorten kan in gevangenschap leven. Ze sterven liever dan te eten en te vliegen. Feeën leven in bossen en weiden: in vrijheid. Soms komen ze onze tuinvijver bezoeken.
In Europa komen maar vier soorten beekjuffers voor. Ze ontwikkelen zich uitsluitend in stromend water. Hoewel ze veel groter zijn dan andere waterjuffers, is aan de wijd uiteen staande ogen duidelijk te zien dat het hier gaat om waterjuffers en niet om libellen. Beekjuffers hebben metaalglanzende lichaamskleuren. De mannetjes hebben bovendien donkere metaalglanzende vleugels.


 
Nishikigoi, een waaier van kleuren
Showa Sanshoku
Louis Vanreusel
134
De Showa Sanshoku is, net zoals de Taisho Sanke, een driekleurige vis maar met een zwarte basis waarop zich witte en rode patronen bevinden.
Het Showa-tijdperk vindt men in Japan terug tussen 1926 en 1989. Omdat deze variëteiten in 1927 voor het eerst gekweekt werden, gaf men hem de naam Showa Sanshoku of kortweg Showa.
Deze soort is een product, gekweekt uit een kruising van Ki-Utsuri (geelzwarte koi) met een Kohaku. Aanvankelijk was de rode kleur wat aan de flauwe kant, maar door geselecteerde kruisingen werden de kleuren intenser. Hierdoor werd de oranjeachtige kleur bloedrood en werd de Showa tot wat hij nu is: een prachtige Nishikigoi met diepe en sterke kleurschakeringen.
De Showa is net zoals de Taisho Sanke een driekleurige koi bestaande uit zwart (= Sumi), wit (= Shiro) en rood (= Hi). In tegenstelling tot de Sanke heeft de Showa een Sumi-basis (= zwart) met grote rode en witte patronen.
De Sanke wordt geprezen voor zijn elegantie terwijl de Showa een dynamische kracht uitstraalt waardoor hij menig liefhebber doet watertanden.
Aangezien de Showa een zwarte basis heeft, is het hoofdaandeel van de kleuren zwart.
Er wordt gesteld dat een Showa 80 tot 90 % zwart en rood mag bezitten, wat inhoudt dat 10 tot 20 % met een wit patroon wordt bedekt.

Showkwaliteiten: een goede Showa heeft verfijnde witte zones en stevige Hi op een diepzwarte basis. Heldere, goed afgelijnde patronen zijn van groot belang. Stevige Menware en Motoguro zijn kwaliteitspunten. Er mag geen Hi op de vinnen aanwezig zijn. Een perfecte lichaamsbouw is essentieel.

 
  BBAT-informatief 137
  VOEDSELGIDS Zout- of pekelkreeftje  
Top