Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 59 - 2006
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 59– Nr. 09 - September 2006
 
ISSN 1372-6501

Het witstaartjuffertje, Pomacentrus chrysurus
Freddy Van Goethem - Ahv. De Minor Rupel-Vaartland vzw
206
Na een duikreis naar het exotische “Bali” begin 2005, kwam ik in het bezit van een vis, die op het moment van transport amper een halve centimeter groot was. Wat dus betekende dat het diertje maximum een paar weken oud kon zijn.
Ik vermoedde wel dat het hier een juffertje betrof, maar het was een soort die ik tot hiertoe in de aquariumhandel nog niet had aangetroffen.
Er stond een quarantainebak klaar bij thuiskomst en het overgewennen verliep zonder de minste problemen. ’s Anderendaags, toen het beestje (en ook ikzelf...) enigszins bekomen was van de lange reis, werd voor het eerst gevoederd met levende Daphnia. Het duurde even voor de angst overwonnen was, maar daarna werd het verstrekte voedsel gretig aanvaard!
Ook de dagen daarna bleek dat voederen helemaal geen problemen opleverde ... Mysis, Daphnia, zwarte muggenlarven, het ging er allemaal even vlot in, zowel levend als diepgevroren. Zelfs droogvoer werd – zij het met iets minder overtuiging – aanvaard.
Ondertussen wist ik echter nog steeds niet welk visje ik precies in mijn bezit had, maar wie kun je hiervoor beter contacteren dan Eddy Derijst. Hij vermoedde dat het hier het witstaartjuffertje, Pomacentrys chrisurus betrof. Een e-mailtje met een foto naar Gery Allen bevestigde deze stelling.

 

Dwergcrenicichla's - deel 1
Etienne Leyers - Ahv. De Minor Rupel-Vaartland vzw
208
Dat het Amazonebekken (Brazilië) de biotoop is van tientallen interessante vissoorten voor onze hobby, is door iedere aquariaan genoegzaam geweten. Wie kent er immers niet de kardinaalneon (Paracheirodon axelrodi), de gemarmerde bijlzalm (Carnegiella strigata fasciata), de discusvis (Symphysodon aequifasciatus) en de maanvis (Pterophyllum scalare) om er maar enkele te noemen. Dit naast de vele andere soorten, te veel om in dit korte bestek op te sommen. Eén genus wil ik er in deze artikelenreeks echter uitlichten om wat grondiger te bespreken.
Als de naam “Crenicichla” of “snoekcichliden” valt, begeven vele liefhebbers zich immers op minder bekend, voor velen zelfs onbekend, terrein. De oren worden gespitst en de wenkbrauwen gefronst: snoeken ... en dan nog cichliden! Kan het erger? Natuurlijk, want dit genus vraagt een meer genuanceerde benadering.
Het genus Crenicichla werd in 1840 door Jacob Heckel beschreven met Crenicichla macrophthalmus als type-exemplaar. Het is een zeer uitgebreid genus dat meer dan 170 soorten kent, waarvan vele nog als onbeschreven geboekstaafd staan. In hun woongebied zijn deze grote, prachtig gekleurde, soorten als “eetbaar” bestempeld door de autochtone bevolking en dus een graag gegeten (veel bevangen) vissoort. Door hun grootte (15 tot 40 cm) komen deze torpedovormige vissen meestal niet in aanmerking voor het gewone huiskameraquarium. Zij kunnen enkel gehuisvest worden in een groot, voor hen speciaal ingericht, aquarium. Dit doorgaans dan nog als enige bewoner(s) omdat zij enkel die vissen tolereren die te groot zijn voor hun bek. Concurrentie van soortgenoten bevalt hun al evenmin. “Only the strong survive” is immers hun “leitmotiv”. Ter illustratie: vangstverhalen vertellen dat daar waar zelfs de piranha (Serrasalmus natteri) vluchtte voor de rooftochten van de veel grotere katvissen, de grote crenicichla’s rustig vanuit hun schuilplaats bleven toekijken op wat komen zou.
Van heel wat soorten bestaat bovendien nog geen aquariumervaring of geen duidelijke beschrijving, waardoor vele ichtyologische vragen onbeantwoord blijven en men soms niet weet wat men in huis haalt. Erg verantwoord is dat niet en enige voorlichting blijkt hier dan ook op zijn plaats.

 
Hydrofyten, wat zijn dat?
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
212
“Hydrofyten” zijn wat wij waterplanten plegen te noemen. Dit gezegd zijnde zou dit artikel ook hier kunnen eindigen. Wat we onder hydrofyten verstaan hangt echter af van de definitie! Van welke definitie? De eerste werd reeds vastgelegd door Adolf Kiel, geboren op 14 juli 1878, die momenteel over heel de wereld nog steeds bekend is als "de vader van de waterplanten". De term "waterplant" is in de oude aquaristische literatuur trouwens nagenoeg onvindbaar. Hij verschijnt voor het eerst in de "Duden", een oud Duits woordenboek, echter zonder enige verklaring.
Vandaag definieert Van Dale de term “hydrofyt” als:

hy·dro´fyt
de hydrofyt; de hydrofyten
1 waterplant

Eenvoudig als waterplant dus, zonder meer. Wat zegt Van Dale dan over “waterplant”?
wa·ter·plant
de waterplant; de waterplanten
1 geheel of ten dele in het water groeiende plant

Deze ruimere definitie leert ons dat het om planten gaat die in water of in een bodem groeien die met water doordrenkt, of volledig met water verzadigd is. Een aan het in het leven in water aangepaste plant dus. In dit geval behoren de moerasplanten en planten die langs de waterkant met hun voeten in het water staan, ook tot de hydrofyten. Echter, een nog ruimere definitie (Winkler Prins) luidt: “planten die hun gehele voortplantingscyclus kunnen doorlopen als alle vegetatieve delen ondergedompeld zijn of door het water worden gedragen (drijfbladen), of planten die normaliter ondergedoken optreden doch eerst tot generatieve voortplanting worden geïnduceerd als hun vegetatieve delen afsterven ten gevolge van uitdroging” sluit heel wat, door ons aquarianen, als waterplant aangewende planten uit. Ook binnen de aquaristiek maken we tussen beide een onderscheid door de ene de “echte” waterplanten en de andere de “oneigenlijke” aquariumplanten te noemen. Laten we ze achtereenvolgens eens bekijken en beginnen we met de “oneigenlijke” soorten.

 
Voedingsbodem
Lucien Surmont - Danio Rerio Izegem
216
Enkele maanden geleden wilden wij ter gelegenheid van een van onze ledenvergaderingen, het onderwerp “voedingsbodem” behandelen. U wilt u dan als gelegenheidsvoordrachtgever degelijk voorbereiden en u gaat een en ander opzoeken in de literatuur. Nu heb ik ondervonden dat er eigenlijk over dit onderwerp bitter weinig te vinden is. Ook niet in de laatste jaargangen van ons eigen tijdschrift AQUARIUMWERELD. Meer dan wat algemeenheden worden er – ook door eminente auteurs en sprekers – niet gedebiteerd.
Is men bang om dit onderwerp grondig aan te snijden? Hangt er een taboe rond dit onderwerp? Is men voor of tegen het inbrengen van een voedingsbodem? Weinigen spreken zich duidelijk uit.
Daarom geven wij u hierna onze eigen ervaringen mee! Indien u er niet akkoord mee kunt gaan, dan zien wij graag uw opmerkingen en gezonde kritiek verschijnen in een “recht op antwoord” in AQUARIUMWERELD!

Vooreerst: wat is een voedingsbodem?
Eenvoudig geformuleerd is het een laag materiaal die op de bodem van het aquarium aangebracht is en waarin de planten:
- een vaste verankeringsplaats vinden;
- de nodige voedingsstoffen vinden die voor hun groei noodzakelijk zijn.
Laten wij echter duidelijk stellen dat niet alle planten behoefte hebben aan een verankering in de bodem. De drijfplanten – hun naam zegt het zelf – drijven aan het wateroppervlak, zoals bv. Pistia stratiotes. Andere verankeren zich op ander materiaal, zoals bv. kienhout of een achterwand in het aquarium, dit is bv. het geval met javavaren, e.a. Nog andere hechten zich vast op stenen en ander inert materiaal, zoals bv. vele mossen en wieren.
Indien u een optimale plantengroei wenst in uw aquarium, is een goede voedingsbodem niet meer weg te denken.


 
Ontmoetingen bij de vijver
Lestes viridis, houtpantserjuffer
Guido Lurquin - De Siervis Leuven vzw
222
Waterjuffers zijn van het fijnste edelsmeedwerk van de natuur, een onderwerp om mooie gedichten over te schrijven. Smeedwerk is zeker het juiste woord voor de pantserjuffers. Met hun metaalglanzende kleuren lijken ze kunstzinnige maaksels, deze keer niet om aan een vrouwenhals te hangen maar blijkbaar bedoeld om … aan de bomen te hangen.
Pantserjuffers zijn zowat de enige waterjuffers die hun vleugels in rust niet langs het lichaam houden. Ze houden hun vleugels half geopend. Daardoor zijn ze gemakkelijk te herkennen uit de andere waterjuffers. Pantserjuffers zijn ook vrij gemakkelijk te benaderen doordat ze wat minder schuw zijn dan de meeste andere waterjuffers en libellen.
De houtpantserjuffer heeft een vleugelspanwijdte van 5 à 6 cm en een lengte van 45 à 48 mm.
Het is de grootste van onze pantserjuffers en is daardoor moeilijk met andere soorten te verwarren. Het vleugelvlekje is licht gekleurd en dat sluit verwarring met andere soorten ook uit. Er is in tegenstelling tot andere soorten geen berijping op het lichaam van de mannetjes. Er is een uitsteekseltje te zien aan de grens tussen metaalgroen en lichtgeel op de zijkant van het borststuk. Ook dit is een handig kenmerk om deze soort altijd te herkennen. Er zijn nooit blauwe delen te zien bij houtpantserjuffers. De wetenschappelijke naam Lestes viridis verwijst naar de groene kleur. Het uiteinde van het achterlijf van het vrouwtje is steviger en breder gebouwd dan dit van het mannetje. De houtpantserjuffer wordt soms onder het genus Chalcolestes geplaatst.

 
  BBAT-informatief 228
  VOEDSELGIDS Zout- of pekelkreeftje (slot)  
Top