Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 59 - 2006
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 59– Nr. 10 - Oktober 2006
 
ISSN 1372-6501

Gepantserde waterbewoners (deel 1)
Frank De Graaf - em. conservator Artis Aquarium, Reptielenhuis en Insectarium, Amsterdam
234
De schildpadden – de meest conservatieve reptielen genoemd, omdat ze er al miljoenen jaren hetzelfde uitzien - hebben zich in de harde strijd om het bestaan dank zij hun pantser goed weten te handhaven.
Van deze van oorsprong echte landbewoners is reeds vroeg in de historie – ongeveer 150 miljoen jaar geleden – een grote groep naar het water terug gekeerd. Over de gehele aarde vinden we in allerlei typen water nog ruim honderdzeventig soorten.
Schildpadden zien er eigenlijk nog net zo uit als miljoenen jaren geleden. Een van de meest opvallende verschillen is, dat de uitgestorven schildpadden in het bezit waren van tanden. In plaats daarvan hebben de moderne soorten harde hoornranden langs de kaken. Het bezit van het beschermende schild hebben de recente soorten echter gemeen met de allereerste schildpadden en het moet dan ook wel van formidabel nut zijn geweest in de harde strijd om het bestaan om gedurende zo’n lange tijd bijna ongewijzigd gehandhaafd te blijven. De bescherming is zo effectief geweest, dat de meeste schildpadden geen andere verdedigingsmiddelen ontwikkeld hebben. Bij het minste onraad trekken zij hun ledematen onder hun pantser terug en blijven in deze houding volharden tot het gevaar geweken is. Van enig agressief gedrag is bij de soorten die zo op hun veiligheid vertrouwen geen sprake. Er zijn echter uitzonderingen. Schildpadden die een pantser bezitten waaronder zij zich niet geheel kunnen terugtrekken of dat uit een zachter materiaal opgebouwd is, vertrouwen niet op hun onvolledige bescherming en zijn daarom agressief van gedrag. Ze bijten woedend en snel naar alles wat te dicht in hun buurt komt. Dergelijke soorten zullen we op de volgende bladzijden nog nader leren kennen.

 

Hyphessobrycon serpae
Luc Coppens - Exotica Roeselare
242
Karperzalmen zijn steeds mijn favoriete aquariumvissen geweest (en ze zijn dit nog steeds), alleen al omdat het kweken ervan mij immer als een uitdaging leek. Ik had altijd minstens één kweek van karperzalmen in mijn visschuurtje staan en 's morgens, vooraleer naar de dagelijkse arbeid te vertrekken, ging mijn allereerste aandacht – onwillekeurig – steeds uit naar dié kweekopzet. Vele soorten heb ik op die manier leren kennen en heel dikwijls was de persoonlijke ervaring indringender dan hetgeen ik toen over de betrokken soort kon lezen. Vele details over die ervaringen zijn me dan ook bijgebleven of heb ik in notities vastgelegd.
Hyphessobrycon serpae neemt in die ervaringen een bijzondere plaats in en dit om meerdere redenen.

 
Aechmea
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
246
In mei leggen alle vogeltjes een ei en de Aechmea-soorten beginnen de aanzet van hun reeds sinds lang verwachte bloemen te tonen.
Het duurt immers jaren eer de plant de kracht vergaard heeft om een bloem te produceren. De bloeiwijze en de zaden zullen dan ook weken tot maanden lang een blikvanger vormen. De pracht is spijtig genoeg slechts éénmalig. Na de vorming van het zaad doet de plant nog eens een extra, maar absoluut laatste, krachtsinspanning om aan zijn voet een reeks scheuten of de zo gezegde “kindplantjes” te vormen en sterft ongeveer één jaar later langzaam af.
Normaal situeren we de bloeiperiode tussen mei en oktober. We zeggen wel nórmaal.
Enkele decennia geleden wilde men in bepaalde serre’s ananasplanten – naaste familie van onze Aechmea’s – een beetje opjagen, door tussen de rijen planten houtspaanders te verbranden tijdens de killere perioden.
Niet de warmte maar wel de gassen uit de vrijkomende rook veroorzaakten een vroegere bloei.
Nu is een vuurtje stoken in de woonkamer wel iets teveel van het goede. Later bleek dat andere gassen en scheikundige producten dezelfde eigenschappen bezaten.
We zullen deze methoden en producten verderop eens nader bekijken. Eentje wil ik u echter wel meteen meegeven. Neem een grote doorschijnende plastic zak en stop uw plant er samen met enkele rijpende appels voor drie tot vier dagen in. Na één maand zal een plant die er klaar voor is, tekenen van “medewerking” vertonen.

 
Misgurnus fossilis, de grote modderkruiper
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
250
Zodra men van een kleine modderkruiper gesproken heeft, wordt er sowieso op een grote gewacht.
Zoals de naam reeds aanduidt is hij flink wat groter dan de “kleine”. In West Europa haalt de “grote” vlot dertig centimeter terwijl hun oosterburen een halve meter bereiken. Er zijn nog heel wat andere verschillen.
De venijnige oogstekel ontbreekt en hij houdt niet van gezelschap. De zes baarden boven de onderstandige bek en de vier eronder vormen ook een belangrijke sleutel om ze te onderscheiden. De rugvin staat ook heel wat meer naar achter ingeplant. Ook hij maakt natuurlijk frequent gebruik van darmademhaling maar perst vastgenomen de lucht weer met geweld uit zijn darm. Omdat dit een tsjilpend geluid veroorzaakt, noemt men hem in de volksmond ook wel eens “piepaal” of “aalpieper”. Het woord “aal” zal wel te wijten zijn aan het feit dat ze ook lang en smal zijn en soms samen met de echte aal in een fuik hun vrijheid verliezen. Het zijn niet de enige populaire namen welke hij draagt. Door zijn zenuwachtig gedrag bij stijgende atmosferische druk draagt hij, onafhankelijk van land en streek, de namen weerkat, weervis of donderaal. Ook het Engelse “thunderfish” gaat dezelfde kant op. Eigenaardig daarbij is dan weer dat hij op de Britse Eilanden totaal niet voorkomt.

 
Ostracoda, een alternatief voor Artemia?
Henry De Bruyn
253
Een tijdje geleden werd op een BKV vergadering door een lid uit Leuven een verhaal gebracht over het gebruik van Ostracoda, een kreeftachtige, levend in zoet water, waarvan de pasgeboren naupliën een zeer goed en alternatief voedsel zouden zijn voor Artemia en uiterst geschikt voor pasgeboren visjes. Gezien de kostprijs van Artemia-eitjes was er dus een reden om uit te kijken naar alternatieven en ik besloot onmiddellijk op zoek te gaan naar deze diertjes en ermee te experimenteren als alternatieve voedselbron voor pasgeboren killi’s.
Ostracoda zijn CRUSTACEA of kreeftachtigen. Er zijn zoet- en zoutwatersoorten. Voor killikwekers zijn de zoetwatersoorten het belangrijkste. Daar kreeftachtigen bij de meeste vissen het hoofdbestanddeel van hun voeding vormen, samen met insecten en hun larven, zijn dus ook Ostracoda een belangrijk voedsel, net zoals de meer bekende Daphnia, Cyclops, Artemia, Mysis, Krill, garnalen enz…
Belangrijk is dat deze kreeftachtigen zich op hun beurt voeden door uit het water allerlei micro-organismen te filteren. Het is vooral datgene wat zij opnemen en de variatie ervan, die de rijkdom en diversiteit van hun voedingswaarde bepalen. Gekweekte kreeftachtigen leven meestal van een rijk, doch weinig variërend, regime en zullen als voedingswaarde dus lager liggen dan de in de natuur levende soorten.

 
  BBAT-informatief 255
  VOEDSELGIDS Sprinkhanen  
Top