Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 59 - 2006
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 59– Nr. 11 - November 2006
 
ISSN 1372-6501

Waarom toch die "nepdiscussen"?
Annie De Maesschalck - De Discusvrienden vzw
262
Vaak worden we aangesproken over het feit dat er op onze tentoonstellingen en kampioenschappen ook een brede waaier aan hybriden wordt getoond. Vele aquarianen vinden enkel wildvangdieren de moeite waard om te houden en te kweken en dit heeft al meermaals tot "discus"sies geleid. Men vreest dat het met de discus de verkeerde kant opgaat en dat hij gaat degraderen tot een puur commercieel product. Het is inderdaad zo dat er nog nooit zo veel discusvariëteiten op de markt zijn geweest als nu. Wat betreft kleuren en tekeningen is het aanbod haast onbeperkt en het is niet verwonderlijk dat dit vragen – en soms zelfs ergernis! – oproept bij welmenende aquarianen. Ik wil dit onderwerp niet zomaar onder de tafel vegen door te zeggen dat smaken nu eenmaal verschillen. Enige toelichting zal er misschien toe leiden dat in de toekomst de hybriden met andere ogen zullen bekeken worden.

 

Aanvulling bij Etroplus suratensis
Arend van den Nieuwenhuizen
267
Er was eens een Chinees meisje dat van het platteland naar de stad trok waar ze onderwijs genoot om, tot verdriet van haar oma, daarna niet naar de universiteit te gaan. “Want”, zo zei de Chinese oma, “als je niet door leert, ben en blijf je een kikker in een put, die altijd maar een klein stukje van de hemel ziet”.
Zoals dikwijls het geval is, steekt in dit Chinese gezegde zowel wijsheid als waarheid en was het van toepassing toen ik het artikel over Etroplus suratensis schreef dat in maart van dit jaar gepubliceerd werd. Ik betreurde tijdens het schrijven, dat ik jaren geleden door omstandigheden niet meer aandacht aan deze vissen had kunnen besteden. Daarom zocht ik in de mij ter beschikking staande algemene aquaristische literatuur naar beschreven ervaringen met deze soort om daarbij te ontdekken dat er niet zo veel te vinden was.
Wie denkt, dat vissoorten uit dezelfde familie of zelfs hetzelfde genus zich ongeveer op dezelfde manier zullen gedragen, kan als ijverig lezer van dit tijdschrift weten, dat dit niet het geval behoeft te zijn. Een van de meest frappante voorbeelden zien wij bijvoorbeeld bij de familie LEBIASINIDAE, waar Copella arnoldi (synoniem: Copeina arnoldi) de eieren tegen een substraat boven water af zet in tegenstelling tot Copeina guttata die de eieren in een kuiltje in de zandbodem deponeert.
Bij Etroplus maculatus en Etroplus suratensis, blijken eveneens onvermoede, ogenschijnlijk kleine, maar belangrijke verschillen te bestaan die ik nooit gevonden zou hebben als ik niet gestuit was op een informatie waaruit bleek dat in 1986 in “DCG-Informationen”, het tijdschrift van de Deutsche Cichliden Gesellschaft, aandacht was besteed aan Etroplus suratensis. Aangezien ik het betreffende tijdschrift niet had, vroeg ik de heer Stawsikowski, hoofdredacteur van de DATZ, of hij kon mij helpen. De vraag was nauwelijks gesteld of de secretaresse stuurde mij een kopie van het gevraagde. Het bleek geen artikel te zijn, maar een excerpt van een bij de Leidse Universiteit verschenen verslag over een in Sri Lanka gedaan wetenschappelijk onderzoek bij Etroplus suratensis.

 
Dwergcrenicichla's (slot)
Etienne Leyers
272
Naast de dwergcrenicichla’s die met hun torpedovorm in snelstromend water leven en daar hun reputatie als uitstekende zwemmers waarmaken, bestaan er ook die zich in traagstromend, tot nagenoeg stilstaand water ophouden. In deel 1 werd over de in snelstromend water levende crenicichla’s uitgebreid ingegaan, in dit laatste deel, over kleiner blijvende snoekcichliden, bekijken we twee soorten nader die zich in traagstromend tot stilstaand water thuis voelen: Crenicichla regani en Crenicichla notophthalmus.

 
Buisneus vlindervissen
Eddy Derijst - Siervis Geraardsbergen
274
Hoewel de twee vertegenwoordigers die het genus Forcipiger rijk is, tot de vlindervisfamilie der CHAETODONTIDAE behoren, wijken zij duidelijk af van de andere soorten uit deze familie door het bezit van een uitgesproken verlenging van de snuit. Lange tijd werd slechts een enkele buisneus vlindervis herkend, tot Jordan & McGregor een tweede beschreven en voor beide meteen een eigen genus Forcipiger opstelden. Zowel Forcipiger longirostris als F. flavissimus is praktisch identiek van lichaamskleur en is alleen de verlenging van de snuit, die bij de ene (longirostris) ongeveer dubbel zo lang is dan bij de andere, een duidelijk onderscheid. In ons taalgebied werden deze vissen wel eens "gele pincetvis" genoemd, wat in feite enkel op F. flavissimus van toepassing was. De populaire naam "pincetvis" is evenwel de typische naam voor Chelmon-soorten, die in aquariumkringen langer gekend zijn dan de Forcipiger. Het blijkt me dus beter om door hun typische snuit, de Forcipiger-soorten "buisneus vlindervissen" te noemen waarbij men F. longirostris "lange buisneus vlindervis" en F. flavissimus "korte buisneus vlindervis" kan noemen.

 
Orthetrum cancellatum, de gewone oeverlibel
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
278
Gewone oeverlibellen zijn vrij eenvoudig te herkennen aan het zwarte eind van het blauwe achterlijf en de heldere vleugels. Ook de vrouwtjes zijn eenvoudig te determineren dankzij hun geelbruine lichaam met zigzagtekening en hun heldere vleugels. In tegenstelling tot sommige andere libellen, zijn gewone oeverlibellen moeilijk te benaderen.
De gewone oeverlibel is een echte libel en behoort tot de familie van de korenbouten of de LIBELLULIDAE.
Beschrijving: geel, bruin, blauw, zwart.
Onze gewone oeverlibel behoort tot een groep korenbouten waarvan het achterlijf sterk in kleur verschilt tussen het mannetje en het vrouwtje. Tijdens het geslachtsrijp worden, geraken mannetjes bedekt met een min of meer dikke laag blauwgrijze rijp, veroorzaakt door kleine wasplaatjes. Mannetjes zijn daardoor blauw gekleurd met een zwart achterlijfspunt en een bruine beharing op het borststuk. Vrouwtjes zijn bruin met zwart, met lichtere zijkanten aan de flanken. De kleur is geelbruin met twee evenwijdig lopende zwarte lengtestrepen die op de segmentranden met elkaar verbonden zijn.
Zeer jonge vrouwtjes zijn meer geel van kleur en worden later bruin. Zeer oude vrouwtjes vertonen een blauwe berijping zoals bij de mannetjes, maar dunner. Zeer jonge mannetjes zijn getekend zoals de vrouwtjes. Zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een bruin borststuk.
Gewone oeverlibellen worden ongeveer 45 tot 50 mm groot. De spanwijdte van de vleugels is 70 tot 80 mm, maximaal 10 cm. Het pterostigma (vlekje nabij de vleugelpunt) is zwart, de vleugelcosta (bovenste vleugelranden) zijn geel. De vleugels zelf dragen geen kleuren. Gewone oeverlibellen zijn van andere oeverlibellen te onderscheiden door het grote formaat en het aan het uiteinde zwarte achterlijf bij de mannetjes. Segment 7 van het achterlijf is zwartblauw en de segmenten 9-10 zijn zwartachtig.
Deze soort lijkt van ver gezien erg op de platbuik, maar de donkere vlek aan de vleugelbasis ontbreekt. Het achterlijf is ook duidelijk minder breed. Verwarring is ook mogelijk met de bruine korenbout en andere oeverlibellen. Vooral met de witpuntoeverlibel is verwisseling mogelijk. Deze laatste is gemakkelijk te herkennen aan zijn witte achterlijfsaanhangselen.

 
  BBAT-informatief 283
  VOEDSELGIDS Sprinkhanen  
Top