Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 60 - 2007
Volgende maand
   

 

Jaargang 60 – Nr. 1 - Januari 2007
 
ISSN 1372-6501
  EDITORIAAL 002
  Nieuwjaarsboodschap van De heer Ludo Segal, voorzitter van de Belgische Bond voor Aquarium- en Terrariumhouders vzw. en Freddy Haerens, Hoofdredacteur van Aquariumwereld, bij de aanvang van deze 59ste jaargang.

 

En de spin spon alsmaar voort...
Tannia Sels - Aquatom vzw
006
Er is niet één diersoort die bij mensen meer afkeer inboezemt dan spinnen.
We vinden het hoogst onaangenaam wanneer we, wandelend door bos of tuin, het spinrag in het gezicht of de haren voelen kleven. Spinnen willen we kost wat kost vermijden, en heeft er toch eentje het gewaagd onze woning binnen te dringen, dan wordt zij efficiënt met een opgerolde krant tot de tweedimensionale status veroordeeld of bruusk opgezogen naar de interne regionen van de stofzuiger. Je kunt het niet gek genoeg bedenken, er zijn middelen legio om deze griezels te liquideren.
Toch zijn spinnen onschadelijke, ja zelfs nuttige, dieren met een zeer boeiende levenswijze. Er zijn dan ook tal van liefhebbers die in een terrarium spinnen houden, ze bestuderen en pogen ze tot voortplanting aan te sporen. Enkele andere soorten niet te na gesproken, genieten vogelspinnen hierbij de voorkeur.
Volgens de literatuur zouden de eerste vogelspinnen in het Carboon, zowat 250-300 miljoen jaar geleden, geleefd hebben. In het Tertiair - ongeveer 30 miljoen jaar geleden - leefden er ook vogelspinnen in Europa. Vandaag vinden we er nog enkele in Zuid-Spanje. Spinnen ondergingen doorheen de tijden vrijwel geen verandering. Fossielen wezen uit dat de vorm van de vogelspinnen werd behouden, daar waar bij andere dierstammen hele ordes zijn uitgestorven. Het grote aanpassingsvermogen aan een steeds veranderende omgeving is dan ook de grondreden waarom deze vorm van spinnenfauna nu nog bestaat.
Vogelspinnen behoren tot de orde van de ARANEAE (webspinnen) die ongeveer 34.000 spinsoorten klasseert.

 
Barbus sumatranus
Uit de 1ste jaargang - 1948 - blz. 003
016
In de documenten nagelaten door de heer L. Beirens betreffende de gordelbarbussen vonden wij de volgende nota's:
1. Barbus pentazona. Zoals de tekening laat zien zijn de gordels doorlopend, d.w.z. dat ze heel het lichaam omgeven en niet afgebroken zijn, zoals dit bij de volgende soorten het geval is.
De soortnaam “pentazona” is slecht gekozen, aangezien deze Barbus niet 5, maar 6 zones* of gordels telt, deze die door het oog loopt mee gerekend, zoals dit ook geschiedt voor de volgende soorten. De kleur is donker geelbruin tot bruinrood.
2. Barbus partipentazona. Bekijkt men de tekening, dan merkt men dadelijk:
a) dat de zone, die over de ogen loopt, niet gans de kop omgeeft;
b) dat de zone die zich uitstrekt van het begin der rugvin naar de buikvin, evenals de derde, welke van de rugvin slechts weinig op het lichaam doorloopt, niet volledig, dus afgebroken zijn. De soortnaam “partipentazona” betekent trouwens: vijf gedeeltelijke zones. De tweede gordel is daarenboven bij alle exemplaren niet even breed, soms ook niet even lang, terwijl deze twee gordels niet steeds aan beide zijden gelijk zijn.
De derde zone eindigt in een driehoek, waarop zich nog vaak een min of meer ronde vlek bevindt. In de buikvin is een zwarte vlek.
De kleur is dezelfde als die van de pentazona. Verder onderscheiden beide zich van elkaar doordat de lippen van nr. 2 zwartachtig en de buikvinnen bleek zijn.
3) Barbus tetrazona, (ten onrechte B. sumatranus geheten).
Deze herkent men dadelijk aan de zone, die enkel in de rugvin zichtbaar is, zodat deze soort feitelijk slechts vier zones bezit. Arnold en Ahl noemen hem trouwens “viergordelbarbe”. Opmerkelijk is verder de intensieve rode kleur op snuit-, rug-, buik- en staartvinnen. De zwarte vlek in de buikvin ontbreekt.
4) De vierde soort, bij ons nog weinig bekend, is een variëteit van de vorige.
Eigenlijk is er nog een vijfde gordelbaars, n.l. de hexazona die 6 smalle, scherp afgetekende zones heeft. Hij is nog zeldzaam, hoewel reeds tot voortplanting gebracht.

 
Bedotia geayi
Luc Coppens - Exotica Roeselare
019
Bedotia geayi is een visje dat bij mij altijd bijzonder aangename herinneringen zal oproepen. Vooreerst omdat dit één van de allereerste vissen was, welke ik in mijn visschuurtje kon onderbrengen (en toen was Bedotia geayi nog een volkomen nieuwigheid, want hij werd voor het eerst in 1958 ingevoerd), maar ook omdat ik er heel wat kweekgenot mee heb beleefd.
De zoete wateren van zowel het laagland als van het bergland in Madagaskar vormen het natuurlijke milieu van deze exoot. Ik las ooit dat hij sporadisch ook zou te vinden zijn in licht-brakkig water van de kusten van het eiland, maar ik kan aannemen dat dit eerder tot de zeldzaamheden zal behoren. Hun normale voedsel bestaat uit insecten en hun larven.
Het is een vreedzame en levendige vis. Stelt geen extreme eisen aan het aquariumwater en aan de omgeving. Goede, maar rustige zwemmer. Verlangt een ruime behuizing (bij voorkeur een vrij lang aquarium) met een open zwemruimte en een vrij wateroppervlak. Hij neemt uitsluitend het voedsel aan het wateroppervlak of in de bovenste waterlagen. Alle levende voedseldieren, met een uitgesproken voorliefde voor muggenlarven en fruitvliegen. Bedotia geayi verzorgen betekent meteen zorgen voor een florerende fruitvliegenkweek! Ook een weinig droogvoervlokken worden genut, maar dit is zeker niet voldoende om ze kweekrijp te krijgen en in topconditie te houden!


 
Tijgervissen in de Zoo
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent
020
We hebben een groot gamma aan aquariumvissen ter beschikking in de handel, maar dit is (gelukkig) toch nog beperkt te noemen. Sommige vissen zijn echt niet geschikt om thuis te worden gehouden.
Nog steeds kom ik in sommige aquariumhandels roodstaartmeervallen (Phractocephalus hemiliopterus) tegen. Dit worden echte vreetmachines van ruim één meter en zo zijn er wel nog wat soorten te noemen. Ik lees zelfs af en toe in clubbladen dat je ze gerust kunt houden in hun juveniele stadium en soms staat daarbij: “Als ze groter worden dan schenk je ze maar aan een zoo, die zijn er dan wel blij mee.”
Nu, ik kan jullie, als verzorger van het aquarium in de Zoo van Antwerpen, verzekeren dat wij er zeer zelden blij mee zijn. Denk dus tweemaal na eer je dergelijke vissen aankoopt; ook als ze groter worden verdienen ze een “viswaardig” leven.
Waarom schrijf ik dit nu? Wel geregeld wordt ik met deze problematiek geconfronteerd en ik wil nu wat vertellen over een zeer interessante vis die echt alleen maar in zoos te zien zou mogen zijn. We zijn toch LIEFhebbers die ons interesseren voor vissen ook als we ze niet houden … hoop ik?

 
Bacopa caroliniana
Guido Bertels - ATVV Blauwe Alg Kessel vanuit Sri Lanka
024
Dat zowel onze vissen als planten geregeld van naam veranderen, weten we allemaal wel. Het is zo al moeilijk genoeg voor de gewone liefhebber om al die Latijnse namen te onthouden, maar als het nodig is dan moet het maar. In sommige gevallen is de reden echter erg twijfelachtig. Is het nu bijvoorbeeld al duidelijk of onze purperkop, Puntius heet omdat hij in Azië woont en de jansseni, Barbus heet omdat hij in Afrika rondzwemt? Uitsluitend daarom?
Hoewel ik van deze kerktaal enkel maar “amen” ken, denk ik toch dat de vroegere naam, Bacopa amplexicaulis, met het uitzicht van de plant te maken had. Meer bepaald de wijze waarop de blaadjes aan de steel zitten. Nu noemen we deze plant Bacopa caroliniana. Hoe lang dit al zo is weet ik niet, maar de reden zal wel zijn dat men bij de naamgeving nu de voorkeur geeft aan de plaats van herkomst, “Carolina” in de Verenigde Staten. “Bacopa” is ontleend aan de taal van Guinese inboorlingen. Hopen maar dat iedereen het hiermee eens blijft.

 
  BBAT-informatief 027
  VOEDSELGIDS Watervlooien (vervolg)  
Top