Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 60 - 2007
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 60 – Nr. 03 - Maart 2007
 
ISSN 1372-6501
De langvin snapper Symphorichthys spilurus
Eddy Derijst - Siervis Geraardsbergen
058
Symphorichthys spilurus behoort tot de baarzenfamilie LUTJANIDAE, bestaande uit een honderdtal soorten die om hun grotere afmetingen en smakelijk visvlees, beter gekend zijn bij vissers en in de restaurantkeukens, dan bij aquariumliefhebbers. Toch worden in de aquariumhandel af en toe jonge exemplaren van de langvin snapper aangeboden. Op het eerste zicht een prachtige vis die met zijn verlengde rug- en aarsvinstralen, zeker zal opvallen aan de bezoekers van uw zeeaquarium. De vis die men waarschijnlijk rond de 10 à 12 cm aankoopt kan op een jaar tijd in lengte verviervoudigen. In de natuur zijn exemplaren van 60 cm geen uitzondering en hoewel ze in het aquarium zelden boven de 30-35 cm uitgroeien, toch geen vissen voor het gewone huiskameraquarium.
Persoonlijk heb ik deze vissen voor het eerst kunnen observeren in het "Aquarium Tropical" van de Universiteit te Nancy (Frankrijk). Samen met de inmiddels overleden prof. Bruno Condé kon ik geruime tijd voor een aquarium met een flink uitgegroeid exemplaar doorbrengen en de door prof. Condé opgestelde technische fiche over deze soort bespreken.

 

Cichlasoma trimaculatum Günther, 1867
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
062
In de aquariologie doet hij zijn intrede eerst in 1967 in de Verenigde Staten, terwijl hij in Europa niet voor 1973 opduikt. Dus geen “oude bekende”.
Hun natuurlijke biotoop strekt zich uit van de Laguna Coyuca in het noordwesten van Acapulco in Mexico tot het bekken van de Rio Lempa in San Salvador. In het noordoosten wordt de grens gevormd door Honduras. Een dergelijk groot verspreidingsgebied en het verschillend voedselaanbod geven het ontstaan aan meerdere geografische rassen. Vooral Meek is hier volgens mij herhaaldelijk de dupe van geweest.
Bij voorkeur verblijven ze er in de rivieren die in de Stille Oceaan uitmonden en de erbij horende meren. Meestal verschuilen ze er zich onder de overhangende oevervegetatie en de tussen in het water uitstekende wortels.
In het Jiloa’ Meer bijvoorbeeld begint het voortplantingsseizoen normaal half juni. Omdat de vissen tijdens deze periode geen voedsel tot zich nemen, dienen ze in de voorafgaande periode een vetvoorraadje aan te leggen. Geen probleem want bij de aanvang van het natte seizoen, midden mei, is er een massaal aanbod aan insecten.
Het bovenvermelde “normaal” kent wel enkele afwijkingen. De in het meer dominante soort, Amphilophus citrinellus eist alle goede afzetplaatsen tussen de anderhalve en de drie meter diepte resoluut op en duldt daarbij absoluut geen concurrenten. Alle andere aan deze zone gebonden soorten leggen dan noodgedwongen af in het minder geschikte droge seizoen. Wie het dieper of ondieper verkiest, kan wel vrij zijn gangetje gaan. Eentje vindt deze suprematie juist prettig. Netrophus nematopus, een minder agressieve algeneter, ziet namelijk kans om zijn broed onder dit van de “baas” te mengen en vertrouwt hem daarbij meteen het verdedigen ervan toe. Koekoekstreken worden om meer dan een reden aangewend.
In het aquarium kunnen we deze biotoop best nabootsen met een wirwar aan grote takken en forse stenen welke beslist stevig op de bodem moeten verankerd worden, want bij het uitbaggeren van de nestkuilen gedragen ze zich als regelrechte bulldozers. Deze decoratie, vooral de stenen, geeft hen naast schuilplaatsen ook de mogelijkheid om hun territorium af te bakenen. Enkele platte stenen kunnen meteen ook als afzetsubstraat fungeren.

 
Ambulia - J. Kokelenberg
Aquariumwereld - Jaargang 1 - 1948 - blz. 183-184
067
Beslist mag deze, bij uitstek voor het aquarium en dan bijzonder voor de kweekaquaria geschikte plant, als een der mooiste aanzien worden. Zeldzaam schoon zijn inderdaad haar fijngevormde rosetachtige toppen, met hun tere lichtgroene kleur. Haar vaderland is Indië, Midden-Azië en Guinea, waar zij in de lichtrijke delen der rivieren en beken gevonden wordt. Zij houdt inderdaad van licht, terwijl een rijke voedingsbodem haar zeer welkom is. Het is wel typisch, dat de rosetten zich sluiten bij het invallen der duis¬ternis. Zodoende kunnen wij- zeker zijn dat, indien in zekere aquaria de rosetten zich niet geheel en gans ope¬nen, dit grotendeels aan gebrek aan licht zal te wijten zijn. De vermeerdering geschiedt door zijscheuten aan de stengel. Het vol¬staat, eenvoudig een scheut af te knij¬pen en in het zand te steken, om deze lustig te zien doorgroeien. Het is echter aan te raden, de stengel zover in het zand te duwen, tot er een blad mee in de grond zit, daar de plant spoediger wortel zal vormen in de ok¬sels van de bladeren. Men zal zelfs bemerken dat, ook boven het zand, op die plaats de zogenaamde luchtwor¬tels ontstaan.

 
Corydoras schwartzi
Walter Van der Jeught - Ahv De Mnor Rupel-Vaartland
070
In het mondingsgebied van de Riu Purús in Brazilië vindt men een prachtige Corydoras die bovendien ook nog geregeld aangeboden wordt in de speciaalzaken: Corydoras schwartzi Rössel, 1963.
Kenmerkend voor deze zwart-wit gevlekte Corydoras is de goudgeel oplichtende voorkant van de eerste rugvinstraal. Bij nagenoeg alle dieren ziet men achter deze eerste rugvinstraal een dubbele zwarte wig waarvan de ene met de punt naar boven in de rugvin zit, de andere met de punt naar beneden onder de rugvin, op het lichaam ligt. De brede, aansluitende delen reiken tot ongeveer de vierde rugvinstraal. Over het oog loopt, vertrekkende van aan de rugvin, een brede zwarte band die tot onder aan de kieuwdeksels raakt. Als je de vis van boven bekijkt, merk je aan beide kopzijden, vanuit de inzet van de eerste rugvinstraal, dat een goudgele streep deze zwarte band langs achter afzoomt en zo een omgekeerde “V” vormt. Voor het overige toont de vis wat de naam stelt: veel zwarte punten op een zilverwit lichaam. Op het lichaam vormen deze punten onderbroken horizontale rijen, in de staartvin onderbroken verticale rijen. De staartvin en het lichaam worden door een smalle, verticale zwarte band gescheiden. Bij de meeste dieren treft men ook op de buik verspreide zwarte punten aan.
Corydorassen behoren tot de familie van de CALLICHTHYIDAE, de pantsermeervallen dus en net zoals de andere is ook de tot 6 cm groot wordende (of is het klein blijvende?) C. schwartzi over het algemeen een sterke vis die een lange levensduur kent. Evenzo is het een scholenvis die van het gezelschap van soortge-noten houdt. Minimum met 10 stuks samen houden is dus aangewezen. In de natuur foerageren ze zelfs met duizenden samen doorheen de biotoop, geef ze dus wat gezelschap.

 
Anemopsis californica (Yerba mansa)
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
074
Echt veel interessante nieuwigheden hebben we de laatste jaren niet mogen verwelkomen onder de moerasplanten. Yerba mansa vormt hierop een welkome uitzondering. Het is een gewas dat mooi en interessant is en hopelijk binnenkort in meer en meer vijvers te bewonderen zal zijn. Deze nieuw gecommercialiseerde vijverplant met speciale kamfer eucalyptusgeur, is afkomstig uit het zuidwesten van de Verenigde Staten, van Kansas tot Texas in het oosten tot California en Oregon in het noorden en de naburige gebieden in Mexico. Daar wordt hij al eeuwenlang gebruikt als medicinale plant.
“Yerba” betekent in het Spaans kruid en “mansa” betekent kalm, rustig. Yerba mansa heeft nog geen Nederlandse naam en dus gebruiken wij voorlopig – evenals de Amerikanen – deze naam. In Engelssprekende landen noemt men hem ook “bear root” of “false anemone”.
Deze interessante moerasplant wordt nog niet echt veel aangeboden. Hij is in de winkel verkrijgbaar als jonge plant. Dan toont hij zijn volle schoonheid nog niet. Pas na een paar jaar groeien in de vijver zullen we zijn volle pracht zien. Laat ons de ogen openhouden wanneer wij nog eens in een vijvercentrum komen en op zoek gaan naar deze of een andere nieuwigheid.

 
Sipyloidea sipylus, de rozevleugeltak
Bart van Aken - Betta Buggenhout
078
Vooraleer even een korte beschrijving te geven toch volgende opmerking. Al de gegevens over de mannelijke exemplaren steunen op gegevens uit de natuur want in gevangenschap zijn enkel vrouwelijke exemplaren bekend. De soort plant zich dus parthenogenetisch voort.
Het mannetje (ongeveer 50 mm groot) is veel slanker en kleiner gebouwd dan het vrouwtje (ongeveer 80 mm). Beide geslachten hebben lange transparante vleugels en lange voelsprieten.
De kleur is te omschrijven als strogeel.
Ze komen voor in de struikvegetatie en hoge grassen in Zuidoost-Azië en Madagaskar.
Om niet op te vallen verspreiden ze een hooigeur (echt goed te merken in een kleiner terrarium). De vleugels zijn pas volgroeid bij de laatste vervelling en de volwassen dieren durven al eens wegvliegen bij verstoring. De vlucht is meer te beschrijven als ”zweefvliegen”.


 
  VOEDSELGIDS Microaaltjes (slot)  
Top   Buffaloworm