Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 60 - 2007
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 60 – Nr. 06 - Juni 2007
 
ISSN 1372-6501
Een Afrikaans kleurenwonder
Bruno, Magis - De Siervis Leuven
142
Eén van de mooiste dwergcichliden die ik ooit heb kunnen houden, was ongetwijfeld dit West-Afrikaanse kleurenwonder. Het was bij één van mijn bezoekjes aan een bevriende handelaar dat ik deze dieren voor het eerst mocht aanschouwen. Ik had hem een aantal van mijn nakweekdieren bezorgd en zoals bij elk bezoek speurde ik dan al zijn aquaria af op zoek naar iets dat me interesseerde. Ik was er samen met een Nederlandse collega dwergcichlidenliefhebber en de aquaria werden grondig bekeken. De bakken stonden in vier rijen boven elkaar en waren slechts karig verlicht. In één van de aquaria op de bovenste rij zag ik plots een vis verschijnen die me aan Pelvicachromis humilis deed denken. Van op de grond waren de dieren echter moeilijk te zien en daarom werd er al gauw een laddertje bijgehaald. Er bleken nog vier vissen in de bak aanwezig, gelukkig zelfs twee koppeltjes. Hoewel de dieren niet op kleur waren, was er een duidelijke verwantschap met Pelvicachromis humilis merkbaar. Aan de vorm van de vis was duidelijk te zien dat ze tot dezelfde groep behoorden, maar ik kon ze niet thuisbrengen als één van de mij bekende kleurvormen. Er werd niet getwijfeld en de dieren werden uitgeschept en meegenomen. Er werd eerlijk gedeeld en zodoende ging één koppeltje met mij mee naar België en het andere ging mee met Jos en bleef dus op Nederlands grondgebied.

In de eerste daaropvolgende weken werd het dus een ware zoektocht naar informatie over deze vis. Veel was er echter niet te vinden, maar zowel in DATZ als in TI Magazin vond ik een zeer kort artikeltje over deze dieren. De dieren werden voorlopig Pelvicachromis species “Bandi II” genoemd in afwachting van een wetenschappelijke beschrijving. Nu de naam bekend was, kon ik ook op het internet gericht naar informatie zoeken en hoewel ik het niet verwachtte, vond ik er een Duits artikel van de hand van Lutz Döring. Uit alle artikels – en zijn naam “Bandi II” deed het eigenlijk al vermoeden – bleek dat er nog een andere, nauw verwante, soort bestaat dewelke wordt aangeduid met de naam Pelvicachromis species “Bandi I” of ook wel species “Guinea”. De literatuur bevestigde de verwantschap met de humilis maar tevens bleek dat deze dieren al eind de jaren zestig werden ontdekt door een zekere Van Orshoven. Van een verrassing gesproken! Sinds die tijd worden er vier geconserveerde dieren op amper 20 km van mijn woonplaats, in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika van Tervuren, bewaard. Ze zijn er in 1977 ingeschreven en door Prof. Dr. Thys Van den Audenaerde als een nieuwe soort aangeduid onder de werknaam Pelvicachromis “Bandi”.
Bij de voorbereiding van dit artikel nam ik dan ook contact met Dr. Jos Snoeks, curator van de enorme ichtyologische verzameling van het museum. Hij bevestigde me inderdaad de aanwezigheid van het specimen uit de Bandi rivier en zou proberen nog wat extra informatie te vinden indien er de gelegenheid voor zou zijn. Het bleef korte tijd stil tot er plots een e-mail kwam vanuit het museum. Blijkbaar waren ondertussen zowel de Bandi I als de Bandi II, door de Oostenrijkse ichtyoloog Anton Lamboj, beschreven. Sinds maart 2004 gaat de Bandi I door het leven als Pelvicachromis signatus en de Bandi II werd Pelvicachromis rubrolabiatus gedoopt. Bij deze dan ook mijn dank aan Dr. Snoeks voor de verstrekte informatie.

 

De jonge diamantzalm (Moenkhausia pittieri), een stukje ethologie
Marc Journée - De Zilverhaai Beringen
148
De diamantzalm is eigenlijk een oudgediende in onze liefhebberij, maar daar schuilt vaak een zeker gevaar in… Dikwijls verhuizen dergelijke oude gloriën ongezien naar de figuurlijke vergeetput.
Nochtans zijn er heel wat facetten aan het houden van een vissoort die onze aandacht verdienen en die dan, bij nader toezien, zéér boeiend zijn: ik wou het hebben over de survival-kunst van de jonge diamantzalm.
Mijn aquarium van 350 liter is ingericht als karperzalmenbak (Zuid-Amerika). Hij is bevolkt met 10 Hyphessobrycon bentosi, 5 Hyphessobrycon (vroeger Megalamphodus) megalopterus (zwarte fantoomzalm) en met ± 16 Moenkhausia pittieri. Het water heeft volgende waarden: Totale hardheid (GH) = 6 °dH, ph = 6,8, Temperatuur tussen 21 en 24 °C.
Verder is dit aquarium beplant met Echinodorus bleheri, Ludwigia repens, Vallisneria spiralis, Hygrophylla polysperma en H. guanensis, Cryptocoryne balansae (crispulata), C. becketti, C. wendtii, C. nevillii, Eleocharis parvula (veld aan voor zijde), Echinodorus tenellus (veld aan voorzijde), Heteranthera zosterofolia en Sagittaria platyphylla. Al met al een dichtbegroeid aquarium, nl. enkele velden lage planten en de jungle met hoger groeiende planten.
Misschien typisch voor dit “Trigon” – aquarium: de bewoners zwemmen het vaakst aan de voorzijde terwijl een groot gedeelte van het aquarium eerder rustig blijft. Ideaal dus voor een koppeltje dat de wirwar van planten opzoekt om voor nageslacht te zorgen, ware het niet dat in dat geval ons koppeltje maar al te graag vergezeld wordt door andere bewoners om alles op te peuzelen. Het diepste punt van dit hoekaquarium meet 80 cm.

 
Vallisneria spiralis
Aquariumwereld - Jaargang 1 - 1948 - blz. 10
152
Deze lintbladerige plant, afkomstig uit Zuid-Europa, is wel de meest verspreide en gebruikte aquariumplant. Dit baart geen wonder, daar deze plant op elke temperatuur en onder alle omstandigheden groeit. De lange, lintvormige bladeren, zijn grondstandig, dicht bij elkaar gedrongen; zij bezitten een fris groene kleur. De bladeren die aan de bovenkant afgerond zijn, kunnen bij gunstige omstandigheden een breedte hebben van bijna 1 cm en een lengte van 70 cm De vermeerdering geschiedt zeer rijkelijk door horizontale uitlopers vanaf het begin van de wortel. Een eigenaardig verschijnsel is de kleurverandering welke soms optreedt aan de bovenkant der bladeren. Bij een zeer zonnige stand namelijk, kunnen deze bladeren, doordat het bladgroen door rode kleurstofcellen verdrongen wordt, een roodachtige tint aannemen.
Vallisneria spiralis is een zeer goede zuurstofproducent. De vrouwelijke planten bloeien met kleine witte bloempjes aan een spiraalvormige steel even boven de waterspiegel. De mannelijke planten, welke zeldzaam voorkomen, hebben bloemknoppen aan de voet der bladeren welke later loslaten, opstijgen en aan de oppervlakte van het water rijpen en open gaan.
De vermeerdering in de natuur gebeurt op de volgende wijze: de mannelijke bloemen staan als een trosje bij elkaar op een soort spil welke in een blaasachtig omhulsel zit; dit alles staat weer op een spil aan de voet van de plant. De vrouwelijke bloem zit ook in een omhulsel, deze zit op een opgewonden spiraalvormige bloemstengel. Wanneer de vrouwelijke bloemstengel geheel ontwikkeld is en kan bevrucht worden, ontrolt zich de bloemstengel tot ze de oppervlakte bereikt. Eenmaal zover gaat de vrouwelijk bloem open. Nu begint ook de mannelijke bloeiwijze zich te ontwikkelen. Het omhulsel opent zich onder water, het bloemtrosje komt te voorschijn, lost zich van het spilletje en stijgt naar boven. Eerst nog gesloten, openen deze zich dra. De bloem vormt een soort schuitje, dat als doel heeft de stuifmeeldraden van het water te vrijwaren. Dit schuitje drijft vrij op het water rond, door wind en stroming wordt het voortgedreven. Komt nu het stuifmeel in aanraking met de stengels van de vrouwelijke bloem, dan wordt deze aldus bevrucht. De bloemstengel van deze laatste rolt zich terug op, de vruchten rijpen dus onder water.

 
De Kimberley's, op regenboogsafari (slot)
Gilbert Maebe - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
154
De bovenloop van de Edith river stort zich in verschillende etages naar beneden en vormt onder de laatste waterval een mooi meer waarin men kan zwemmen. Ik trek alleen naar boven om met een fuikje mijn geluk te beproeven aan de bovenloop waar weinig of geen publiek komt. Hier zit een mooie M. exquisita en daar heb ik het op gemunt. De visjes waren in voldoende aantallen aanwezig, maar het was niet eenvoudig hen met brood in de fuik te lokken. Eénmaal zaten er 5 in, ik wou nog even wachten op meer maar ... ze zwommen er terug uit. Uiteindelijk kon ik slechts 2 volwassen mannetjes buit maken.
De Umbrawarra gorge moet dan maar dan deze mislukking compenseren. Net voor het pad naar de Gorge ligt een poel waar nog restwater aanwezig is. Honderden, ja misschien wel meer dan duizend, visjes zwommen er in schoolverband heen en weer. Indien er niet vlug regen komt, wacht hen een zekere dood bedenk ik terwijl ik naar de droge bedding wat verderop kijk. Het was dan ook niet moeilijk om met één enkele trek tientallen visjes te verschalken. Ook hier betreft het M. exquisita maar toch enigszins anders van kleur. Enkele hebben alles overleefd en ondertussen ook al voor nakomelingen gezorgd.
Als we het Adelaide river café aankomen, weten we dat we dicht bij de camping van Bachelor zijn, maar hier nemen we eerst nog een koele drink. Binnen in de bar staat Charlie de opgezette buffel die ooit de “vedette” was in de film Crocodile Dundee, opgenomen in het nabije Kakadu Nat. Park.
Eindelijk rust op de camping in Bachelor. Hier kom ik telkens weer graag terug om vogels te fotograferen.
De volgende dag belanden we weer waar we gestart zijn 19 dagen geleden nl. bij de Wilsons. Hier kan ik mijn vissen voorlopig onderbrengen. Dave werkt thuis en kweekt waterplanten, vissen, kikkers en schorpioenen. Hij is altijd bereid om één en ander te laten zien en er de nodige uitleg bij te verschaffen, zoals bij de schorpioenen waarvan de stekel op het eind van hun staart bijzonder giftig is. Ook in het waterplantencomplex vernemen we welke vissen er onder en tussen de planten zwemmen.

 
De betonnen achterwand
Rafaël De Souter - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
158
Waarom een betonnen achterwand?
Toen ik vele jaren geleden begon met de aquaristiek, vond ik dat een achterwand uniek moest zijn en geen kitscherig gedoe en dus probeerde ik de “2-componenten” wand.
Resultaat: het werkt gemakkelijk, snel, het oogt betrekkelijk mooi, maar het is niet natuurgetrouw.
Mijn tweede poging: met tegellijm “oversmeerde” piepschuim. Conclusie: enige creativiteit is hier aangeraden, het is redelijk snel klaar, maar het was onmogelijk om bijpassende stenen te maken wegens het zeer grote drijfvermogen van piepschuim.
Ten slotte kwam ik enkele jaren geleden op het idee van de betonnen achterwand.
Intussen heb ik er al enkele gemaakt, zodat ik u daar de voordelen kan van meegeven. Echter enkel getest met cichliden en … dus zonder planten.
Dergelijke wanden zijn uitneembaar, ze bealgen goed en samen met bijpassende holle stenen (dus meer watervolume) krijg je het gevoel of je zelf onder water zit, zo natuurgetrouw.
Naar mijn mening zijn de enige nadelen dat het vrij lang duurt eer ze klaar voor gebruik zijn en dat ze zeer broos zijn. Enige voorzichtigheid is dus nodig tijdens het verplaatsen want als ze te dun gemaakt zijn, hebben ze al eens de neiging om te breken. Ondertussen heb ik al wat meer ervaring en gebeurt dit minder.
De betonnen achterwand in één woord: prachtig!
Maar hoe begin je er aan?
Op deze vraag probeer ik hier een antwoord neer te schrijven, want zelf ben ik beter in knutselen dan in schrijven.

 
Viviparus viviparus, de levendbarende waterslak
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
162
Ook wordt dit diertje wel eens de stompe of kleine moerasslak genoemd. In tegenstelling tot de grote moerasslak of Viviparus contectus, waarop ze bedrieglijk lijkt, zijn haar schelpwanden heel wat dikker en meet deze meestal slechts 28 tot 35 mm bij een breedte van 21 à 25 mm. De kleur is grijsachtig geelgroen tot olijfgroen met eroverheen drie roodbruine strepen.
Bij de slakken uit onze vijvers wisselen de meer primitieve levensuitingen zich af met sterk geëvolueerde welke men bij dergelijke “primitieve dieren” niet voor mogelijk houdt. Zo bezitten de LYMNAEIDAE een speciale long die even vrolijk als kieuw kan fungeren, al moeten ze het stellen met het bloedpigment haemocyanine op basis van koper. De PLANORBIDAE bezitten dan weer het superieure haemoglobine op basis van ijzer, maar ademen dan weer via kieuwen. De VIVIPARIDAE spannen echter wel de kroon qua contrast. Naast een primitieve kieuwademhaling, zien ze kans om hun nakomelingen “gelaarsd en gespoord” op de wereld te zetten en dit op een manier zoals heel wat hogergeplaatste vertebraten, op enkele uitzonderingen bij vissen en slangen na, het klaarspelen. Zelfs de buideldieren* slagen er niet in om in één beurt dergelijke perfecte jongen af te leveren.
Het lijkt soms of de natuur bij de GASTROPODA allerlei systemen en combinaties heeft willen uittesten, om ze later in groter verband te combineren.
  VOEDSELGIDS Fruitvliegen (1)  
Top