Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 60 - 2007
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 60 – Nr. 07-08 - Juli-Augustus 2007
 
ISSN 1372-6501
 
THEMANUMMER - TERRARIUM
Pijlgifkikkers - Dendrobatidae - Een eerste kennismaking
Staf Suykerbuyk - Barbus Antwerpen
170
Het houden van pijlgifkikkers zit al enkele decennia in de lift. De diertjes hebben spectaculaire kleuren en tekeningen en zijn meestal weinig schuw. De schitterend blauwe Dendrobates azureus en de rode aardbeikikker Oophaga pumilio (Dendrobates pumilio) zijn er schitterende voorbeelden van. In kleur worden ze enkel maar geëvenaard (en soms ook verward met) door de Mantella-kikkers uit Madagascar, soorten die helemaal niet verwant zijn met de pijlgifkikkers van dit artikel.
Ook het feit dat ze overdag actief zijn en een fascinerend kweekgedrag vertonen maakt hen tot geliefde bewoners van een gespecialiseerd terrarium. Let wel op: sommige soorten zijn territoriaal en men houdt ze best in kleine groepjes of per paar.
De naam pijlgifkikker kan wel misleidend zijn: er bestaan inderdaad zeer giftige soorten zoals Phyllobates terribilis, maar heel wat soorten zijn helemaal niet giftig. Zo bevat de familie AROMOBATIDAE, een in 2006 afgesplitste familie van de familie DENDROBATIDAE, geen enkele giftige soort. (vb. Mannophryne olmanae, Colostethus fugax) De twee families zijn niet op hun uiterlijk te onderscheiden, hun splitsing is gefundeerd op genetische verschillen.
De AROMOBATIDAE horen dus strikt wetenschappelijk niet meer tot de pijlgifkikkers: voor de liefhebber maakt dit geen verschil, alleen de namen veranderen. Dat er van verschillende soorten ook nog eens diverse kleurvariëteiten bestaan maakt het nog wat moeilijker! Zo komen bijvoorbeeld Ranitomeya intermedia (Dendrobates intermedius), Oophaga pumilio (Dendrobates pumilio), Dendrobates tinctorius, Epipedobates tricolor in verschillende kleurvormen voor. De opsplitsing in nieuwe geslachten gebeurt op basis van soms kleinere details, zoals het al dan niet hebben van vliezen tussen bepaalde tenen, verschillende lengtes van de vingers, verbreedde hechtschijfjes aan de vingers, enz…
rstrekte informatie.

 

Het gif van pijlgifkikkers
Staf Suykerbuyk - Barbus Antwerpen
178
Het spectaculaire gebruik van pijlgif door de Choco-Indianen blijft beperkt tot de gebieden waar de Phyllobates-soorten voorkomen. Van de meer dan 220 soorten pijlgifkikkers zijn de genera Phyllobates en Dendrobates het meeste giftig. De giftige stoffen die zich opstapelen in de huidklieren behoren tot de alkaloïden. Alkaloïden zijn ingewikkelde scheikundige verbindingen en hebben een giftige tot zeer giftige werking op mens en dier, meestal op het zenuwstelsel. Ze zijn gewoonlijk bitter van smaak en door de aanwezigheid van stikstof in de molecule reageren ze alkalisch (pH boven 7).
Men is tegenwoordig sterk geïnteresseerd in stoffen gevonden in de huid van amfibieën, omdat deze interessante eigenschappen hebben die bruikbaar zouden kunnen zijn in de farmaceutische sector. Bij de verschillende pijlgifkikkers werden al honderden alkaloïden geïsoleerd. Zij behoren meer specifiek tot de scheikundige groep van de steroïdale alkaloïden. Ondertussen zijn er al minstens 20 structurele klassen ontdekt die goed zijn voor meer dan 500 verschillende stoffen. Deze hebben zelfs niet allemaal een aparte naam gekregen, maar wel een klasse met een nummer. Voorbeelden zijn o.m. pumiliotoxine 307A, pumiliotoxine 323A, indolizidine 205A en 207A, enz…

 
Mini Bromeliaceae voor het terrarium
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
182
Terwijl men er meestal naar streeft om grote, forse cultivars te kweken, gingen enkele kwekers de tegengestelde richting uit. Je houdt het niet voor mogelijk dat volwassen, in bloei staande planten van deze familie, op enkele uitzonderingen na, geen 20 cm hoogte halen.
Dat deze lilliputters zich uitstekkend lenen om in of tegen de wanden van een vivarium bevestigd te worden, staat buiten kijf. In grotere terraria zijn ze ook te gebruiken op een epifytentak of dito boom.
Al deze plaatsen en de toegepaste technieken, moeten wel aan enkele strikte voorwaarden voldoen:
- bij het bevestigen van de plantjes mag men absoluut geen basis gebruiken die zout bevat;
- daarenboven zijn deze kleintjes, evenals hun grote familieleden, allergisch voor alles wat lood, zink of koper bevat. Dit geldt ook voor de ermee opgemaakte verven. Dus bij het bevestigen of zelfs tijdelijk opbinden, zijn koperdraad en gegalvaniseerde ijzerdraad taboe. Alle materialen die geïmpregneerd zijn, moet men mijden. Dit was dus het negatieve aspect van de standplaats. Wat wel kan, is draden uit ijzer en natuurlijk nylon in al zijn vormen;
- bij planten met een houtachtige voet kan men hierdoor een fijn gaatje boren om de hechtdraden meteen houvast te bieden. Men kan ook eenvoudigweg, zeker bij Tillandsia, ze met een dot siliconen vastkleven.

 
Wandelende takken - Phasmida
Erik Vansteenkiste - Aquatropica Kortrijk
186
De liefde voor de wandelende tak wordt nogal dikwijls geboren op school. In de les biologie worden we dan geconfronteerd met de “beginnerstak” Carausius morosus. Deze heeft enkele bijzondere kenmerken welke hem geschikt maakt om door kinderen verzorgd te worden.
Hij ontwikkelt goed bij kamertemperatuur, kan gevoederd worden met de altijd groene klimop, stelt weinig eisen aan de huisvesting en plant zich snel en gemakkelijk voort.
Wandelende takken en wandelende bladeren zijn insecten die tot de orde van de PHASMIDA behoren.
Er zijn ongeveer 2600 soorten bekend, maar elk jaar komen daar een paar soorten bij dewelke meestal ontdekt worden tijdens reizen naar de tropen.
Ze kunnen 1 tot 4 jaar oud worden. De lengte varieert van 11,6 mm (Timema) tot ruim een halve meter: 546 mm (Phobaeticus).
Liefhebbers noemen wandelende takken gewoon “phasmiden”.
Gemakshalve kregen de phasmiden een nummer, voorafgegaan door de letters PSG (in hoofdletters en een afkorting voor Phasmid Study Group).
PSG 1 = Carausius morosus;
PSG 9 = Extatosoma tiaratum.
In Nederland, Engeland en België worden ca. 250 soorten phasmiden gekweekt.

 
Malpolon monspessulanus
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
192
De Malpolon monspessulanus monspessulanus is de nominaatvorm en komt vooral voor op het Iberisch schiereiland met uitzondering van het uiterste noorden van Portugal. Van daar hebben ze waarschijnlijk via de Djebel al Tarik (Gibraltar) de oversteek naar Noord-Afrika gemaakt. Wandel even mee langs de Middellandse Zee en de met haar verbonden zeeën en op vele plaatsen komen we ze tegen. Beginnend in Spanje komen we natuurlijk aan de Côte d’Azur en in elk Frans departement dat aan deze zee grenst, is het raak. De Franse en Engelse namen “couleuvre de Montpellier” en “Montpellier snake” wijzen er ten overvloede naar. Daar deze slangen de kaart niet zo goed kunnen lezen, willen ze de grenzen van het aangegeven gebied wel eens enkele tientallen kilometer overschrijden en daarbij komt natuurlijk Liguria in Italië ook aan de beurt. Buiten een geïsoleerde populatie in Trentino komt nog alleen het eiland Lampedusa in aanmerking.
Vannu af komen we in het gebied van de Malpolon monspessulanus insignis. Deze bezet de zuidkust van de Adriatische Zee en bereikt zo Macedonië en Zuid-Bulgarije. Nu komen de Griekse eilanden Corfu, Kefalonia, Thassos en de verderop langs de Turkse kust gelegen eilanden aan de beurt. Dat zulke vindplaatsbeschrijving nooit waterdicht is, blijkt uit het feit dat ze ook in Irak aangetroffen zijn.
Op welke terreinen kan men ze aantreffen? De eerste vereisten zijn warm en droog. Dus dat wordt een zand- of rotsbodem. Voeg daarop de “maquis”* tot op een hoogte van twee duizend meter en u heeft hun lievelingsbiotoop. Ook wijngaarden behoren daartoe, maar het kan ook dat ze aan de rand van vochtige plaatsen voorkomen.

 
De levendbarende hagedis, Lacerta vivipara
Aquariumwereld - Jaargang 1 - 1948 - blz. 74 - 75 - 76
196
Alhoewel door de man van de straat als nietig aanzien is dit diertje nochtans een unicum van zijn soortgenoten. Geen enkele andere hagedis durft het aan zich tot 70° noorderbreedte te begeven. Niet de grootste, noch de sterkste is heldhaftig genoeg zich te gaan vestigen waar de zomer maar drie maanden duurt. Alleen de adder is niet bevreesd om met dit hagedisje te gaan wonen waar ze negen maanden per jaar moeten ondergedoken blijven. Zij hebben amper de tijd om zich te versterken en te vermenigvuldigen om een volgende lange winter een schijndood leven te slijten. Eveneens in de hoogte halen ze het record, op de Mont Blanc is Lacerta vivipara op meer dan 2500 m waargenomen, waar de zomer eveneens van korte duur is. In 't westen vindt men ze in Ierland, oostwaarts reiken ze tot Siberië in 't zuiden zijn ze vindbaar tot Noord-Italië. Men mag met zekerheid zeggen dat het de meest verspreide hagedis van Europa is, misschien wel van heel de wereld.
  VOEDSELGIDS Fruitvliegen (2)  
Top   Enchytraeën (1)