Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 60 - 2007
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 60 – Nr. 11 - November 2007
 
ISSN 1372-6501
Tetraodon biocellatus (Tirant, 1885)
Walter Van der Jeught - Ahv De Minor Rupel-Vaartland
262
Toen we op een redactievergadering, thuis bij Fernand Verbeeck, nog van een uitzonderlijk goede ontvangst zaten na te praten (en nagenieten) en waarbij de meeste redacteurs aanwezig waren, opperde ik de vraag wat ik best kon doen tegen de slakkenplaag in mijn aquarium, een gratis attentie van de winkelier na de aankoop van nieuwe planten. Ook een beetje mijn eigen schuld natuurlijk want door de planten even in een aluinoplossing te dompelen had ik dat kunnen voorkomen, maar waar zulke dingen gratis te krijgen zijn, ben ik er altijd bij.
Je kunt natuurlijk je aquarium leeghalen en herbeginnen, of – minder drastisch – enkele Botia macracantha (of andere Botia-soorten) in het aquarium brengen. Algemeen werd evenwel de mening geopperd om mij een kleiner blijvende kogelvis aan te schaffen.
Mijn zoektocht op het Internet (ik vind dat je, je eerst altijd moet informeren voor je vissen aankoopt) begon nog diezelfde dag en uiteindelijk bleven twee kandidaten over: Tetraodon schoutedeni en Tetraodon biocellatus. Meteen ook naar enkele gerenommeerde speciaalzaken gemaild en ik moet zeggen dat ik van de meeste een respons kreeg. Eén van onze sponsors, een speciaalzaak in Heist o/d Berg bleek Tetraodon palembangensis beschikbaar te hebben, wat volgens Mergus’ Aquarien Atlas, Band 1, Auflage 1.1, blz. 868 een synoniem is van Tetraodon biocellatus.
Dat blijkt, volgens onze huisichtyoloog Eddy Derijst echter niet te kloppen, want T. palembangensis en T. biocellatus zijn twee afzonderlijke geldige soorten. De eerste is door Bleeker in 1852 beschreven uit “Pa-lembang, Sumatra, Indonesië”, de tweede in 1885 door Tirant uit “Cochinchine” (Cambodja volgens de titel van de publicatie). T. palembangensis kan dus nooit een synoniem zijn van T. biocellatus. Moesten beide namen toch dezelfde vissoort betreffen, dan zou de vis T. palembangensis moeten noemen (regel voorrang eerstbeschrijving).

 

Austrolebias bellottii Steindachner, 1881
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
266
De naam in de titel klinkt wellicht nog vrij onbekend, maar is de laatste (?) nieuwe naam voor Cynolebias bellottii Steindachner, 1881 na de vestiging van het nieuwe genus Austrolebias door Costa in 1998.
Dr. Wilson J.E.M. Costa is een voormalig ichtyoloog aan de universiteit van Rio de Janeiro in de Braziliaanse hoofdstad. Na het beschrijven van enkele nieuwe soorten in de jaren negentig, volgde in 1998 een noodzakelijke nieuwe indeling van de seizoenvissen uit Zuid-Amerika. Door het stichten van maar liefst twaalf nieuwe genera kon het immers niet anders. Zo werd het oude genus Cynolebias duchtig geplunderd en opgedeeld in Mateocara met als typesoort de ex Cynolebias lacortei, Cynolebias wolterstoffi fungeerde als dito voor Megalebias, Cynolebias bellottii deed hetzelfde voor Austrolebias, Cynolebias zelf hield het bij de soort Cynolebias porosus, Plesiolebius volgde met ex Cynolebias xanvatei terwijl Nematolebias met Cynolebias whitei aan de haal ging.
Het was niet het enige avontuur dat onze killi meemaakte. Zelfs de eerstbeschrijver liep in de val.
Zo werden voor hen achtereenvolgend de volgende namen gebruikt:
Cynolebias bellottii Steindachner, 1881;
Cynolebias maculatus Steindachner, 1881. Later werd door Carlos Berg, voormalig directeur van het Museum National te Buenos Aires, aangetoond dat het een vrouwtje betrof;
Cynolebias gibberosus Berg C. 1897;
Cynolebias belotti Ahl (ex Steindachner), 1924 (Ahl zag hier zelfs de mogelijkheid om de soortnaam te verminken) en Cynolebias irregularis Ahl, 1938.

 
Kweek van Hasemania marginata
Aquariumwereld - Jaargang 1 - 1948 - blz. 162
270
Hasemania marginata is voor ons hier in het Antwerpse wel de eerste nieuweling welke wij na de oorlog mochten verwelkomen.
Volgens de buitenlandse tijdschriften, is de Hasemania in het jaar 1938 uit Brazilië voor het eerst in Duitsland ingevoerd. In 1946 kwam ik in het bezit van een viertal dezer vissen, welke later een vrouwtje en drie mannetjes bleken te zijn. De eerste tijd dat de visjes bij andere jongen in gezelschap leefden, was er, wat de kleur betreft, niets opvallends te bemerken; niet bij mij, maar ook niet bij andere liefhebbers, welke zich eveneens de Hasemania hadden aangeschaft. Het is ook daarom, dat deze vis min of meer in de vergeethoek is geraakt; doch een jaar geleden heeft hij zich langs een andere zijde laten kennen. Nadat de visjes de winter zeer goed waren doorgekomen en intussen bijna volwassen waren, kwam er stilaan wat meer kleur, hun eerst grauw kleurloos lichaam tooien. De tint van de Hasemania is dan ook wondermooi. Ik zal trachten er een beeld van te geven, maar men moet het met eigen ogen gezien hebben om een zuiver gedacht te krijgen van zijn prachtige kleuren. In gewone omstandigheden, is de vis grauw, met aan het achterlijf wat bruingeel en op de vinnen en staartpunten een wit vlekje. Maar in de paartijd is dat heel wat anders. Dan is het mannetje overgoten met een goudbronzen schijn van het zuiverste soort; terwijl over het midden van het lichaam, een groene gefosforiseerde streep zichtbaar wordt, welke aan het einde van de staart overgaat tot diep zwart en daardoor de witte stippeltjes nog beter doen uitkomen.
De vrouwtjes daarentegen blijven kleurloos en worden ongeveer 4 cm groot, terwijl het mannetje iets kleiner blijft.

 
Een prachtige verschijning: Heteropteryx dilatata
Bart Van Aken - Betta Buggenhout
274
Als deze soort van wandelende tak verschijnt, kan niemand heen om de schoonheid van onze jungle-nimf of Heteropteryx dilatata. Mede door hun attractieve schoonheid vind je hen geregeld in een insectarium bij zowel de particuliere liefhebber als in een dierentuin.
In de natuur vind je ze op diverse struikvegetatie in Azië (West-Maleisië, Nieuw-Guinee en Sumatra).
In gevangenschap wordt de diversiteit van natuurlijke voedselplanten vervangen door (onder andere) eik, roos, braam en eucalyptus.
Het geslachtsonderscheid is vrij eenvoudig (zelfs op jongere leeftijd). Het mannetje (±110 mm) is slank en donkerbruin van kleur. De aanwezige vleugels bedekken het hele lichaam en hij is dan ook een betere vlie-ger. Het vrouwtje valt op door de grootte (±150 mm) en pracht die ze uitstraalt ondanks de aanwezige doornen, welke verspreid zijn over haar grasgroene lichaam. Aan de buikzijde zijn de kleuren iets donkerder en door haar gewicht is vliegen uitgesloten. Zowel de mannetjes als de vrouwtjes hebben lange voelsprieten.
Je houdt de dieren best in een terrarium van zo’n 45 cm hoog waarin de vochtigheid (±70 %) op peil wordt gehouden door het regelmatig water vernevelen. De temperatuur varieert tussen 20 à 25 °C.
Overdag hangen de dieren aan de voedselplanten en zullen sporadisch drinken van de overgebleven waterdruppels.
De verdediging bestaat uit het veinzen van hun dood (vooral de mannetjes) tot het trekken van (of slaan met) de poten voor de vrouwtjes. Het is hierbij vooral hun bedoeling om er angstaanjagend uit te zien. Persoonlijk zou ik deze soort niet aanraden aan kinderen of beginnende liefhebbers wegens licht agressief bij een foutieve behandeling.
Na een bevruchting legt het vrouwtje normaal 1 eitje om de 2 à 3 dagen. Deze eitjes van 10 mm lang en ongeveer rond komen uit na 12 tot 18 maanden. De uitgekomen nimfen zijn bruin en ongeveer 30 mm groot en zullen nog ongeveer één jaar nodig hebben tot hun volwassenheid.
Je beleeft dus erg lang plezier aan deze soort.

 
Aquaristiek: pro's en contra's
Dominique Adriaens - Docent Vakgroep Biologie (Universiteit Gent)
276
Deel II - Pro’s
Ondanks de hoger vermelde negatieve en soms zelfs dramatische impact van de globale industrie in siervissen, kan de bewuste en doordachte aquaristiek een belangrijke maatschappelijke rol worden toegewezen om juist te sensibiliseren tegen het verder vernietigen van het natuurlijk milieu. Dit impliceert in eerste instantie een grondige mentaliteitsverschuiving binnen de aquaristieke wereld en … vooral dan bij de doorsnee aquariaan. Internationaal worden al initiatieven ondernomen om de industrie in siervissen overleefbaar te maken op langere termijn, dus zonder uitputting van de natuurlijke bronnen, maar toch rekening houdend met de socio-economische implicaties.
“BEZINT EER GE BEGINT”
De aquaristiek is een positieve hobby, maar enkel en alleen indien dit op een bewuste en beredeneerde manier gebeurt. Enkel al vanuit ethisch standpunt zou men kunnen verwachten dat het logisch is dat men een dergelijke houding aanneemt van zodra men met levende organismen werkt. Spijtig genoeg is dit in praktijk zelden het geval.
Het is van cruciaal belang dat beginnende aquarianen zich de moeite zouden getroosten om zich goed te informeren vooraleer ze zomaar een aquarium vullen en dit vol gooien met vissen. Er is meer dan voldoende expertise die direct toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking en voor alle soorten interesses. Er bestaan talrijke aquariumtijdschriften, zowel lokaal (de clubbladen van de verschillende aquariumverenigingen), nationaal (vb. Aquariumwereld) als internationaal (vb. Tropical Fish Hobbyist, DATZ). In nagenoeg elke boekhandel kan men basisboeken vinden over de aquaristiek, gaande van hoe een aquarium te starten tot info over de verschillende vissen. Ook op het internet is enorm veel informatie te vinden.
Belangrijk is toch te stellen dat men zich moet hoeden voor al deze gemakkelijk toegankelijke informatie, zeker wat het internet en zijn vele “forums” betreft. Men mag zeker niet altijd blindelings aanvaarden en overnemen wat er wordt vermeld.
Genetische manipulatie bij tropische zoetwatervissen
Theo uyten en Antoinette Grudzien - Zilverhaai Beringen
282
Aquariumliefhebbers hebben doorgaans weinig interesse in wetenschappelijke toestanden i.v.m. de gehouden dieren. Tegenwoordig is de hobby door de wetenschappelijke evolutie evenwel in een bedenkelijke fase gekomen. In het Verre Oosten, met name Taiwan, is men al van in de jaren zeventig bezig met het kweken van allerhande tropische zoetwatervissen, zoals o.a. Afrikaanse- en Zuid-Amerikaanse cichliden en meervallen. Men kweekt ze niet enkel maar men doet ook heel wat onderzoek. Hier moeten we onmiddellijk aan toevoegen dat het onderzoek vooral wordt gevoerd met commerciële doeleinden en uit puur geldgewin.
Het ligt niet in onze bedoeling met deze tekst een uitgesproken mening te verkondigen over deze evolutie maar u, als lezer, een inzicht te geven over datgene wat leeft in de aquariumindustrie.
Zoals we allemaal weten staat de technologie niet stil en vooral de gentechnologie niet. Men wilt dus andere vissen kweken die mooier(?!) zijn of andere vissen met speciale eigenschappen.
  VOEDSELGIDS Kevers (deel 2)  
Top   Oogdiertjes (deel 1)