Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 61 - 2008
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 61 – Nr. 03 - Maart 2008
 
ISSN 1372-6501
Gele waterlelies
Guido Lurquin
058
Gele waterlelies geven dadelijk een exotisch cachet aan de waterpartij. Ze geven een zonnige indruk aan het geheel. Gele waterlelies zijn echter minder courant dan de andere kleuren. Om het goed te doen hebben de meeste gele waterlelies zon nodig en nog eens zon. Geef ze daarom de meest zonnige standplaats die mogelijk is.
Veel gele waterlelievormen hebben Nymphaea mexicana in hun afkomst. Dit is zelf een half winterharde waterlelie. Daarom hebben de meeste gele waterlelies meer warmte nodig dan de anders gekleurde. Een uitzondering is N. “Colonel A.J. Welch”. Die heeft een ander type wortelstok dan de andere gele. Tegenwoordig zijn er vermoedens dat het hier om een soort zou kunnen gaan, afkomstig van de Victoria watervallen in Zimbabwe. Hij bloeit ook in koeler water. Spijtig genoeg is het op zich geen goed bloeiende soort en te groot voor de doorsnee tuinvijver. We zijn daarom meestal aangewezen op cultuurvormen, die zoals gezegd teveel warmte en zon verlangen.De situatie is wel aan het verbeteren. Veel van de modernere gele waterlelies zijn introducties van Perry D. Slocum en van Kirk Strawn. Deze veredelaars creëerden in de loop der jaren een aantal gele variëteiten die goed bloeien en kouder water verdragen. Waterlelies kunnen echter niet snel vermenigvuldigd worden. Dat vraagt tijd. Het duurt vaak vele jaren eer zij in voldoende aantallen beschikbaar zijn om massaal verkocht te kunnen worden. Sommige van de hier besproken soorten zijn “in aantocht”. Kijk er zeker naar uit en profiteer ervan wanneer ze ergens aangeboden worden.
 

INBO, de mannen en vrouwen die zorgen voor "onze" vissen
Wilfried van der Elst - Dierenverzorger Zoo Antwerpen - Aquarianen Gent
064
Toen we in de Zoo (van Antwerpen) besloten om ook vissen te laten zien die hier bij ons voorkomen, moesten we ook op zoek naar iemand die deze vissen kon bezorgen. Onze curator had een adres van een kwekerij van de overheid: het INBO in Linkebeek.
Mijn eerste gedacht was: “dat zal wat zijn” want ik was vroeger nogal negatief als het om initiatieven ging van de overheid. In het veld zag ik daar weinig resultaat van. U begrijpt, ik was niet bepaald hoopvol van wat ik zou te zien krijgen toen Philippe Jouk (curator vissen, reptielen en zeezoogdieren) en ik richting Linkebeek reden.
Ik heb mijn mening drastisch moeten bijstellen, want wat ik hier zag was een droom voor elke liefhebber van onze inlandse vissen. Een heleboel vijvers, een kleine maar zeer efficiënte broedhal, maar vooral enorm gemotiveerde en toegewijde medewerkers. Ik was stomverbaasd, ik had eerder types verwacht in het genre “de collega’s”, die heel belangrijk deden maar weinig productiviteit vertoonden. Ik was behoorlijk mis en een tamelijk donkerrood schaamtegevoel maakte zich van mij meester. Deze foute denkwijze en mening moest ik toch wel rechtzetten vond ik en zo wou ik zeker dit artikel schrijven.
Wie of wat is het INBO nu eigenlijk?
Officieel staat INBO voor Instituut voor Natuur en Bos Onderzoek, beter gezegd, het Vlaams (in Linkebeek, jawel) onderzoeks- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. Dit komt erop neer dat men wetenschappers en “veldmensen” tezamen inzet om onze rivieren, beken en bossen zoveel mogelijk in stand te houden en waar nodig, bij te sturen en zelfs te herstellen.
Vooral voor vissen is dit nogal nodig want zo heeft bijvoorbeeld de snoek enorm te lijden.
Er zijn verschillende factoren die hierin een rol spelen. Als toppredator zijn er niet echt veel snoeken per strekkende kilometer kanaal of rivier. Komt daar nog bij dat ze plaatsen nodig hebben met veel waterplanten waar ze kunnen afzetten en waar de jongen zich de eerste maanden kunnen verschuilen. Deze plaatsen zijn er (nog) veel te weinig. Hij heeft ook veel concurrentie van de snoekbaars, die beter is aangepast aan minder helder water, een bijkomend probleem voor de snoek, die vooral een “zichtjager” is. Zo worden er te weinig snoeken groot in de natuurlijke wateren.
Eén van de taken van het INBO is dus om deze toestand recht te zetten, in afwachting van meer geschikte broedplaatsen en betere biotopen voor onze snoek. Hoe gaat men nu te werk. Eerst wordt er vastgesteld door een team in het veld waar er snoeken tekort zijn. Dit wordt door middel van elektrische afvissing gedaan. Zo heeft men een goede indicatie van wat er allemaal leeft in dat bepaald deel van die rivier of beek. Men kan natuurlijk niet alles afvangen, maar aan de hand van de gevangen vis kan men er formules op toepassen om zo toch een idee te krijgen hoeveel vissen hier zitten. Deze vissen worden allemaal gemeten en gewogen. Dit wordt dan allemaal zorgvuldig genoteerd. Zo kan men de toestand van de vissen beter inschatten. Vinden ze genoeg eten? Zijn er veel kleintjes? … of zijn het vooral grotere? Indien er weinig roofvissen zitten, is het dan wel aan te raden om er uit te zetten? Is de ecologische draagkracht wel voldoende? Anders gezegd, als we er snoeken zouden uitzetten, hebben ze wel te eten?Al deze vragen worden door het wetenschappelijk team bekeken.


 
Bwana Musungwé (deel 2)
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent
067
De havenstad Mpulungu is zeker niet te vergelijken met havensteden zoals Gent, Antwerpen… Het zijn vooral de abstracte gekleurde gevels van de veel voorkomende “shops” die in het oog springen als je de plaats binnenrijdt, Afrika leeft hier werkelijk!
Toen wij arriveerden was het “droog seizoen”, bij ons spreken we van de winterperiode. Toch is het daar nog altijd op het middaguur rond de 30 °C en schijnt de zon heerlijk! Toeristisch bekeken is het dan ook het beste seizoen om er te vertoeven. Er zijn dan ook geen overdreven visvangstactiviteiten en zoals al gezegd, de temperatuur is voor ons “bleekscheten” dragelijk, de rust is daarbij de hoogste prioriteit!
We werden gevoerd tot aan de meerplaats van ons volgende voertuig met de toepasselijke naam “Bimbelbie”. Een in het zwart en geel geverfde, en plaatselijk gebouwde, houten vaartuig van, ruw geschat, een twaalf meter lang en twee meter breed! Dat zou ons brengen van Mpulungu over Katoto, Chaitika, Sumbu  Kalamba en Kapamba naar Mpimbwe en zo terug naar de plaats van vertrek: Mpulungu.
Daar ter plaatse kregen we nog het gezelschap van Philip, duikbudy voor Johan, en Bonifacius (kort Bon). Deze laatste zorgde de gehele reis voor onze hongerige magen en ik moet eerlijk toegeven, hij kon koken zoals de eerste beste huisvrouw en bij ons in ’t Patershol zou hij absoluut geen slecht figuur slaan als chef-kok in het een of ander sjiek restaurantje… zijn stoofpotje was overheerlijk!
Na de eerste kennismaking en het laden van alles en nog wat op onze boot, voerden we de haven uit nagewuifd door Claire (bleef bij Storm) en heel wat verbaasde Zambianen waarvan je op hun gezichten kon aflezen: “ Wat gaan die Musungwé’s nu op ons Meer wel gaan doen!
Ik denk dat ze het toch niet zouden hebben begrepen, zij vangen vissen om te eten en te overleven, wij gingen vissen vangen, om te bekijken en te fotograferen…en ze daarna terug in het meer te plaatsen… wie doet nu zoiets… dàt, kunnen alleen maar bleekscheten!
Mensen, de éérste keer op dat meer… whaw, dat doet je iets, daar mag je gerust van zijn! Zoiets als je de eerste keer met je lief heel alleen ergens zijt… de kriebels die ik toen kreeg en nu had… juust hetzelfde!


 
Xiphophorus helleri
Luc Coppens - Exotica Roeselare
078
Waarom niet eens teruggrijpen naar een oud-bekende? Ons tijdschrift moet niet enkel de lezers op de hoogte brengen van de aanwinsten in onze liefhebberij, maar een visje dat vijftig jaar geleden reeds een bespreking kreeg, verdient nog steeds onze aandacht. De zwaarddrager is deze attentie  zeker waard.
Vooreerst wil ik de lezer attent maken op het feit dat er niet alleen vier ondersoorten worden aangenomen (X. h. alvarezi, X. h. guentheri, X. h. helleri en X. h. strigatus), maar dat er daarenboven nog talrijke natuurlijke en kunstmatige kruisingen tussen die ondersoorten bestaan. Ook kruisingen met andere leden van dit geslacht (i.z. met X. maculatus) hebben reeds dikwijls voor verwarring gezorgd. Ik beperk me hierbij tot de opgave van slechts enkele zeer bekende aquariumvormen: de Berliner, de Frankfurter, de Wiesbadener, de Simpson en de Tuxedo. Deze laatste wordt dan nog eens verder opgesplitst in o.a. de rode en de groene Tuxedo. 
Het natuurlijk milieu is zeer uitgestrekt: Centraal-Amerika. Naargelang de ondersoort is het vindgebied gelegen tussen de 12de en de 26ste noordelijke breedtegraad. De biotoop omvat zowel bergstroompjes, als trage, drassige riviertjes en breed uitlopende lagunen. In brakwater komen ze evenwel niet voor. In een zelfde stroom zijn er morfologische verschillen tussen de types welke dicht bij de bron voorkomen en deze die het midden- en benedendeel van de rivier bevolken: kortere staartvin, meer gedrongen lichaam, verschillend aantal schubben op de zijlijn, e.a.In het aquarium is het een zeer aantrekkelijke, beweeglijke en kloeke vis. Vraagt evenwel een grote, langwerpige behuizing met een dichte randbeplanting, waarin een drachtig wijfje en de eventuele nakomelingen een eerste schuilplaats en bescherming kunnen vinden. Ze stellen het op prijs als het water zuurstofrijk en helder is bij een relatief hoge temperatuur (22 à 26 °C). Bij een te lage temperatuur taant de kleurenpracht en verliezen ze hun levendigheid. Middelhard tot hard water; licht alkalisch wordt beter geduld dan zacht en zuur water. Veel licht, bij voorkeur enig daglicht, zodat een natuurlijke bealging kan ontstaan. We zorgen verder voor enige beweging in het water met doorluchting en een actieve filtering.


 
  VOEDSELGIDS Weekdieren, slakken  
Top