Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 61 - 2008
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 61 – Nr. 05 - Mei 2008
 
ISSN 1372-6501
Anolis caroliniensis
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
114
Roodkeel anolissen worden frequent aangeboden tegen een relatief lage prijs. Het zijn vrij taaie dieren welke goed geschikt zijn voor de beginnende liefhebber. Voor Anolis carolinensis en de andere Anolis-soorten gelden bovendien geen beperkende maatregelen wat aanschaf en bezit vergemakkelijkt.
De roodkeel anolis is veruit de meest bekende vertegenwoordiger uit de groep groene anolissen. Hij is dus uiteraard groen van kleur. Naargelang echter de stemming van het ogenblik, zijn gezondheidstoestand of uiterlijke factoren zoals kleur van de omgeving, temperatuur of het gewoel van soortgenoten en andere medebewoners of overdreven aandacht van zijn verzorgers, kan zijn kleur variëren van helgroen over crème naar bruin. Daarom wordt de “roodkeel” dikwijls ten onrechte “Amerikaanse kameleon” genoemd. Dit wegens het feit dat hij kans ziet om bij ongemak, schrik of gevaar in enkele ogenblikken zijn heldergroene rugtooi en roze keelzak om te toveren in een stemmig donker bruin. Dat hij hiermee in de schaduw van de bladeren en ten opzichte van de takken quasi in het niets verdwijnt, is natuurlijk mooi meegenomen. Naast “Amerikaanse kameleon” duiken ook geregeld de namen “valse en onechte kameleon” op. Al deze namen behoren echter bij de leguaan Chamaeleolis chamaeleontides.De brede platte kop lijkt enigszins op die van de alligator. De kleine vinnige zwarte oogjes zijn beschermd door witte tot geelachtige oogleden. De keel bezit bij het mannetje, onder normale omstandigheden, een roze witbespikkelde keelkwab.. Tijdens het pronken of dreigen zet deze flink uit en loopt daarbij rood aan. Tijdens een gevecht vertoont de man soms een zwarte vlek achter de ogen. Mevrouw onderscheidt zich dan weer door een kleiner kwabje en een nauwelijks merkbaar witachtig zigzagpatroon over de rug. De vingers, van de korte poten, zijn voorzien van scherpe nagels en hechtschijfjes welke het dier toelaten om probleemloos zowel tegen ruwe als gladde wanden, inclusief glas, op te klimmen. Het terrarium goed afsluiten is dan ook de boodschap of ze gaan gratis uw woning insectenvrij maken.

 

Bwana Musungwé (slot)
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent
120
Het Tanganyikameer overvaren, en dan spreken we daar op die plaats van ongeveer een 35 km, is geen sinecure, vooral als er een “Kapata” opsteekt! Een vrij sterke wind die, wanneer je op het open meer bent je vaartuig heel lelijk te keer kan doen gaan!
Wijselijk werd dan door Sean beslist terug te varen en te schuilen bij Chaitika, en dat was voor ons niet zo onbelangrijk… we konden daar even gaan snorkelen.
Ja beste vrienden, dat was wéér zwemmen in het grootste Tanganjika-quarium van de wereld! In het begin verslikte ik mij voortdurend bij het zien van een of andere gekende cichlide, ik kreeg heel wat water binnen, zoveel zelfs dat je de dag nadien zag dat het meer gezakt was…(J)
Chaitika gaf ons mooie vissen met o.a. Altolamprologus calvus, Ctenochromis horei, Aulonocranus dewendti en uiteraard de niet te vergeten Tropheus moorii “Chaitika”. Van deze laatste wordt wel eens verteld dat hij niet zo mooi is in het aquarium, maar die mensen vergissen zich toch want “dit is een wreed schoon beest, jung!”
De Kapata komt en gaat, zegt men daar, wanneer hem het past, en effectief na een uurtje of twee zette Sean het licht op groen om over te varen. De overtocht verliep vrij vlot en rond de middag zagen we voor het eerst Mishembé beach.Whaw, dat was nog eens wat! Een wit strand met palmbomen en een viertal hutten met in ’t midden de “dinerroom” die waren opgetrokken in het riet tegen de bergwand en omgeven door heerlijk groen, een paradijs op aarde!


 
Joepie... terug naar af!
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent
128
Voor een zoveelste maal, een rare titel boven een artikel afkomstig van het aquarium van de Zoo van Antwerpen, maar deze dekt weer helemaal de lading. Achter de schermen wordt er almaar meer gemoderniseerd, maar langs de publiekszijde wordt de oude glorie van ons oude gebouw terug in ere hersteld.
Eén van de belangrijkste stappen was wel de hall. Als kind was ik daar al helemaal weg van. Van zodra de deur openging voelde je gewoon dat je in iets aparts binnenkwam. Het voelde tropisch, het rook tropisch, ja, het klonk er zelfs tropisch. Je hoorde er water vallen en ogenblikkelijk werd je aandacht getrokken naar de achterzijde van de hall. Daar kwam het geluid van het vallende water vandaan. Daar stond, of beter lag, een vijver (een staande vijver kan voor wateroverlast zorgen) en als kind werd je daar gewoon naartoe gezogen. In het betrekkelijk heldere water zwommen of nee, gleden de karpers rond. Heel de tijd zochten ze de kant af naar wat achtergebleven voedsel. Als je daar vijf minuutjes stond, was je compleet vergeten dat je eigenlijk in de zoo was.
Nog steeds vind ik dat er van een vijver met rustig zwemmende vissen een haast hypnotiserende werking uitgaat. Later zou deze vijver echter getransformeerd worden in een shop.
Toen ik in de zoo begon te werken, was dit nog steeds het geval. Ik vond dit verschrikkelijk, de magie van de aquariumhal was weg. Het was een doodse plek, waar de mensen zich zo snel mogelijk doorheen haastten, op weg van de pinguïns naar het aquarium of andersom. Ook bij regenweer was het een goede schuilplaats, maar dat was dan ook alles.Tot zo’n twee jaar geleden. Toen werd er beslist om de vijver terug in zijn oude glorie te herstellen. In de filterkelder werd er één systeem omgebouwd, helemaal voor de vijver.


 
Oranje waterlelies
Guido Lurquin
132
De Engelse termen “changeable” of “cupper” zijn eigenlijk meer gepast dan “oranje”. Waterlelies met echt fel oranje kleuren zijn in ontwikkeling. We zullen wellicht nog een paar jaar moeten wachten vooraleer ze bij ons beschikbaar zullen zijn. De bloemen van de “changeable” waterlelies vertonen pasteltinten die voortdurend veranderen tijdens hun leven. Oranje waterlelies zijn veeleisend wat betreft zoninstraling, nog meer dan de andere soorten. Veel variëteiten, zeker degene die de eerste dag geel van kleur zijn, hebben de tropische Nymphaea mexicana als voorvader. Geef ze daarom de meest zonnige plaats in de vijver. Ze zijn bij slechte verzorging nogal gevoelig voor ziektes, dus we verzorgen ze extra goed (zie kader). De meeste “changeable” waterlelievormen zijn erg geschikt voor kleine vijvers en tobbetjes. Ze beginnen meestal te groeien in het midden van de lente en stoppen pas laat in de herfst met bloeien.

De meest betrouwbare is zeker Nymphaea “Paul Hariot” (zie foto hiernaast). De bloemen van deze cultivar veranderen niet enkel van kleur maar ook van vorm en grootte tijdens hun leven. Het was J.B.L. Marliac die deze vorm ontwikkelde in 1905. Hij bloeit lichtgeel open, met een rose tint aan de basis. De tweede dag zien we oranje in het midden van de bloem dat vanaf de derde dag overgaat in diep rood. De buitenste kroonbladeren blijven room met wat oranjerood. Ondertussen veranderen de bloemen ook nog van grootte. Ze beginnen aan 7 cm en worden uiteindelijk 13 cm. Ook bij de drijfbladeren is er heel wat variatie. Op jonge planten is de bovenzijde olijfgroen, gespikkeld en gevlekt; op oude planten zijn ze zeer diep groen met grote en klein purperen vlekken. De vlekken zijn krachtiger gekleurd naar de bladrand toe. De onderkant van de bladeren is wondermooi: de kleinste bladeren zijn licht purper met purperen spatten en vlekken. De grotere zijn groen of purper met purperen spatten en vlekken. De ovale bladeren worden 15 tot 18 cm lang. De maximale doormeter van de plant bedraagt 1,2 m. Het is een matige groeier en daarom is hij geschikt voor kuip, kleine of medium vijver. De plant verdraagt een waterdiepte tussen 15 en 50 cm. N. “Paul Hariot” bloeit eens gesetteld rijkelijk. In verhouding met de plant zijn het grote krachtige bloemen. Een variëteit die erg geschikt is voor wie maar plaats heeft voor één enkel waterlelie.


 
  VOEDSELGIDS Cepaea, slakken (2)  
Top   Moriokever (1)