Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 61 - 2008
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 61 – Nr. 06 - Juni 2008
 
ISSN 1372-6501
Piramide vlindervissen, genus Hemitaurichthys
Eddy Derijst - Siervis Geraardsbergen
142
De meeste vlindervissen zijn gekend om geregeld een stukje uit koraal weg te pikken. Hierdoor zijn ze ook niet zo populair bij de liefhebbers van het rifaquarium met lagere dieren. Toch zijn er enkele uitzonderingen die de koraalpoliepen met rust laten en dus zeker voor deze liefhebbers als geschikte vissen kunnen bestempeld worden. Eén ervan, Heniochus diphreutes, werd al vroeger besproken. Andere zijn de leden van het genus Hemitaurichthys die we populair piramide vlindervissen noemen.
Het genus Hemitaurichthys door Pieter Bleeker in 1876 opgesteld, omvat tegenwoordig slechts vier soorten: H. multispinosus, H. polylepis, H. thompsoni en H. zoster.Twee hiervan zijn monochroom (multispinosus en thompsoni), dit wil zeggen dat hun lichaam egaal dezelfde kleur bezit en ze er dus niet zo aantrekkelijk uitzien. De overblijvendetwee hebben meer kleur (polylepis en zoster), hoewel toch weer niet zo spectaculair als vlindervissen uit andere Chaetodontidae-genera. Hemitaurichthys polylepis is ongetwijfeld de mooiste van de vier en het is vooral zijn witte, tot lichtblauwe piramideachtige tekening op de lichaamsflank, die ook de andere leden van het genus de populaire naam "piramide vlindervissen" hebben meegegeven.

 

Arnoldichthys spilopterus de roodoog kongozalm
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
146
Bij de naam kongozalm kan men wel drie richtingen uit.
- Alestopetersius caudalis of gele kongozalm leeft ook in Centraal-Afrika. Dus ook in Congo-Kinshasa.
- Phenacogrammus interruptus komt voor in het Kongobekken  en draagt dus terecht de naam.
- Arnoldichthys spilopterus. Hier is de naam kongozalm beslist een lachertje want de vis komt in Congo-Kinshasa niet eens voor. Dan is de Franse naam “ Tétra du Niger” heel wat veelzeggender. De vis leeft immers in de delta van de Niger en zijn habitat strekt zich uit tot Lagos in het noorden.
De wetenschappelijke soortnaam geeft dan iets meer informatie over het uiterlijk. In spilopterus vinden we zowel de betekenis “vlek” als “vleugel" of “vin” terug. De genusnaam is dan weer een eerbewijs tegenover de Duitse auteur J.E. Arnold.
Oorspronkelijk luisterde het beestje naar de naam Petersius spilopterus, maar in 1926 vond Myers dat er te grote verschillen bestonden tussen Petersius conserialis en de toenmalige Petersius spilopterus en vestigde voor hen het genus Arnoldichthys. Het betrof hierbij grote verschillen wat betreft de schubben en de tanden. Hierdoor ontstonden twee monotypische groepen. In 1967 zal ook M. Poll de nieuwe naam gebruiken.
Veel ichtyologen zijn ook van mening dat men de Afrikaanse Alestiidae en de Amerikaanse tetra-soorten uit de Characidae in één enkele familie moet onderbrengen. Zo behoort Arnoldichthys spilopterus qua gebit tot de Amerikaanse tegenhangers, terwijl hij naar lichaam een Afrikaner is.
Zullen we dit dispuut maar aan de specialisten overlaten?
Kenmerkend voor het genus is het verschil in grootte tussen de schubben boven en onder de zijlijn. Tellen we bovenaan slechts een twintigtal grote schubben, dan zijn er onderaan wel dertig tot drieëndertig kleinere. Ook in de ogen dezelfde tendens, want slechts de bovenzijde is roodgekleurd.Moeten we deze verschillen nu zien als een regressie, waarbij eigenschappen optreden van hun verre voorouders of als een geraffineerd manoeuvre om de vijanden te misleiden wat betreft kleur of het weerkaatsen van de door predatoren uitgezonden elektrische signalen te verstoren?


 
Hypseleotris swinhornis, de pekinggrondel
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent
150
Voor een zoveelste maal, een rare titel boven een artikel afkomstig van het aquarium van de Zoo van Antwerpen, maar deze dekt weer helemaal de lading. Achter de schermen wordt er almaar meer gemoderniseerd, maar langs de publiekszijde wordt de oude glorie van ons oude gebouw terug in ere hersteld.
Eén van de belangrijkste stappen was wel de hall. Als kind was ik daar al helemaal weg van. Van zodra de deur openging voelde je gewoon dat je in iets aparts binnenkwam. Het voelde tropisch, het rook tropisch, ja, het klonk er zelfs tropisch. Je hoorde er water vallen en ogenblikkelijk werd je aandacht getrokken naar de achterzijde van de hall. Daar kwam het geluid van het vallende water vandaan. Daar stond, of beter lag, een vijver (een staande vijver kan voor wateroverlast zorgen) en als kind werd je daar gewoon naartoe gezogen. In het betrekkelijk heldere water zwommen of nee, gleden de karpers rond. Heel de tijd zochten ze de kant af naar wat achtergebleven voedsel. Als je daar vijf minuutjes stond, was je compleet vergeten dat je eigenlijk in de zoo was.
Nog steeds vind ik dat er van een vijver met rustig zwemmende vissen een haast hypnotiserende werking uitgaat. Later zou deze vijver echter getransformeerd worden in een shop.
Toen ik in de zoo begon te werken, was dit nog steeds het geval. Ik vond dit verschrikkelijk, de magie van de aquariumhal was weg. Het was een doodse plek, waar de mensen zich zo snel mogelijk doorheen haastten, op weg van de pinguïns naar het aquarium of andersom. Ook bij regenweer was het een goede schuilplaats, maar dat was dan ook alles.Tot zo’n twee jaar geleden. Toen werd er beslist om de vijver terug in zijn oude glorie te herstellen. In de filterkelder werd er één systeem omgebouwd, helemaal voor de vijver.


 
Procambarus sp., de mamerkreeft
Johan Keulemans - Pristella Schoten
153
Hoewel zoetwaterkreeften al een 10-tal jaar geleden werden aangeboden in aquariumwinkels, kwam men ze slechts sporadisch tegen bij aquariumliefhebbers. Blijkbaar is de interesse nu wat groter, alleen is het probleem nu dat de aquariumzaken de zoetwaterkreeften bijna niet meer aanbieden. Als je dan eenmaal een kreeftensoort gevonden hebt, is het volgende probleem dat er weinig informatie over te vinden is. Zeker als je die in het Nederlands wilt hebben. Daarom zou ik jullie deze zoetwaterkreeftensoort zich eens willen laten voorstellen.
Hallo allemaal. Blijkbaar mag ik me vandaag even voorstellen. In het Nederlands sta ik bekend onder de naam ”marmerkreeft”. Ik zal al maar direct beginnen met te zeggen dat ik een ”specialleke” ben onder de kreeften. Onderzoekers hebben een probleem om mij een wetenschappelijke naam te geven, omdat ik ze voor enkele raadsels stel.
Waar ik vandaan kom weet eigenlijk niemand. Men vermoedt van verschillende plaatsen: Midden-Amerika (Mexico) of uit het zuiden van de VSA (Florida), waarschijnlijk is het deze laatste locatie. Wanneer ik hier in Europa beland ben, is ook nog zo’n vraagteken. Er gaan geruchten dat ik eind vorige eeuw in Nederland eens met iemand mee aan land gekomen ben en zo zouden wij dan verspreid geraakt zijn door Europa. Zelf ben ik ook vanuit Nederland naar België gekomen.


 
Rode waterlelies
Guido Lurquin
156
Rode waterlelies lijken gloeiende vlammen op het wateroppervlak. Ze bloeien van de late lente tot de late herfst. Sommige soorten behoren tot de langst bloeiende waterlelies die er verkrijgbaar zijn. Rode waterlelies variëren erg sterk in kleurintensiteit. Sommige zijn helder rood, andere hevig rood en sommige echt dieprood, het rood van bourgognewijn. Hun centrum is hevig oranje of schitterend geel.
Veel van de rode waterlelies hebben als voorvader Nymphaea alba var. rubra. De peetvader van de gekleurde hybriden, de beroemde kweker Bory Latour Marliac, was erg enthousiast over deze soort en gebruikte ze vaak voor zijn kruisingen. Omdat zij afkomstig is uit de erg koude wateren van Skandinavië doet zij het goed in water dat nooit warmer wordt dan 25 °C.
Deze eigenschap is overgegaan naar de nakomelingen. In warmer water stoppen de koudelievende cultivars met bloeien en het maken van bladeren. Ze kunnen zelfs in rust gaan. De lengte van de dagen blijkt geen verschil te maken. Het is de te hoge temperatuur van het water die hen aantast. De oudere cultuurvormen, zoals deze ontwikkeld door Marliac, vertonen dit euvel. Een goed voorbeeld daarvan is N. “Atropurpurea”. Zelfs in onze klimaatszone stopt hij soms met groeien en bloeien wanneer het water echt te warm wordt eind juli en augustus. Voor ons in Nederland en België is er meestal geen probleem. Zeer hete dagen zijn immers erg zeldzaam en sommige zomers zelfs onbestaand. Eens in september het water kouder wordt herneemt de groei en bloei en loopt verder tot een stuk in de herfst.
Recentere hybriden, die derde en vierde generatie zijn met een ingewikkeldere afkomst, hebben vaak minder last van hete zomers. Cultivars als “Mary”; “Perry’s Baby Red”; “Perry’s Dwarf Red” en “Red Spider” doen het veel beter in warm klimaat dan de “oude”. Dat is begrijpelijk, Perry D. Slocum hybridiseerde in North Carolina en Kirk Strawn in Texas. Het is dan ook logisch dat veel van hun creaties beter bestand zijn tegen warmte. Nadeel voor ons is dat ze niet altijd goed bloeien in onze koudere klimaat. Dat geldt niet voor de werkelijk excellente “Perry’s Baby Red” die zowel in het noorden als het zuiden rijkelijk bloeit.
Buiten het mogelijke probleem van te warm water zijn sommige rode cultivars erg gevoelig voor felle zonnestralen. De bloemen “smelten” in de volle zon. Het gaat om een te hoge lichtintensiteit. De bloemen vergaan dan, ook al is het water zelf koel. Dat probleem stelt zich vooral bij cultivars met zeer diep rode bloemen. We denken aan: “Black Princess”; “Almost Black” en “Burgundy Princess”. Die hebben alleen rode pigmenten in hun bloemblaadjes en “smelten” in de volle zon in volle zomer. In meer noordelijke streken zoals bij ons gaan ze desondanks door met groeien en bloeien in de zomer. Hevige zonnestralen komen niet zo vaak voor in ons klimaat.
Ander rode cultivars zoals “Wucai” (nog niet in de handel in onze streken) hebben ook wat wit in het pigment en vallen niet uiteen in de zon. In zuiderse klimaten is het aangeraden rode winterharde cultivars te verzorgen op een plaats waar ze in de namiddag schaduw krijgen of gefilterd licht. In dergelijk klimaat kan men natuurlijk ook kiezen voor tropische rode waterlelies. Die zijn beter bestand tegen warm water en hoge lichtintensiteit. Tropische waterlelies kunnen in België en Nederland alleen in een serre verzorgd worden.
Wanneer het water koel is, in lente en herfst, tonen rode winterharde waterlelies attractief rood gekleurde bladeren. Dat maakt hen erg mooi, ook al bloeien ze niet. Vaak zijn de bladeren er al samen met de gele bloemen van Caltha palustris, de dotterbloem. Dat geeft mooie kleurencombinaties van geel, koper en rood. Tijdens de zomer vertonen jonge bladeren van rode waterlelies een rode gloed. Alleen al om de bladeren zijn ze de moeite waard.Rode waterlelies bloeien vroeg en laat. Veel van de rode waterlelies beginnen al vroeg in de lente bladeren te vormen. Ze zijn vaak vroeger dan de anders gekleurde cultivars. Meestal bloeien ze ongeveer twee weken eerder dan de roze en witte (de gele zijn vaak ook vroeg, maar veel meer afhankelijk van zonneschijn). Vaak bloeien de rode al in mei. Doordat ze al vroeg in de lente (vaak april) drijfbladeren vormen zijn de drijfbladeren van rode waterlelies erg welkom in de strijd tegen algen. Tot laat in de herfst blijven ze doordoen met bloemen geven.
  VOEDSELGIDS Moriokever (2)  
Top