Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 61 - 2008
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 61 – Nr. 09 - September 2008
ISSN 1372-6501
Brachygobius xanthozonus: er moet een snuifje zout bij!
Swa Vleminckx - Betta Buggenhout
206

Vroeger, we schrijven 1980, heb ik deze kleine visjes nog verzorgd en ik wou het toch nog eens proberen met mijn jeugdliefde: het bijtje. Ze moesten bovendien een brakwaterbak hebben en ook dat stond vast. Als er mensen op bezoek kwamen en vroegen waar ik zoal mee bezig was en ik antwoordde dat ik een brakwateraquarium aan het inrichten was, was niet zelden hun reactie: “stinkt dat water niet?” of “die vissen kun je toch niet zien zwemmen in dat vuile water”. Eigenaardig dat bij sommige mensen het beeld opdoemt van vervuild en stinkend water als men spreekt over brak water.
Dit terzijde, ik zal het hier hebben over een prachtig visje, een jeugdliefde dus: Brachygobius xanthozonus. In de publicaties die men over dit visje vindt, kunnen we meestal lezen: kan tijdelijk of ook gehouden worden in zoet water en brak water. Dit visje is naar mijn bescheiden mening echter totaal ongeschikt voor het gezelschapsaquarium. Ze zullen daar ook niet tijdig aan het nodige voor hen geschikte voedsel geraken, het zijn trage zwemmers en eten uitsluitend levend (diepvries)voedsel. Dat is mijn mening natuurlijk.

Het leefgebied van deze soort situeert zich in Azië op de eilanden van de Filippijnen en verder in Borneo, Sumatra en Java. Ze leven er in kleine kanalen en in kleine sloten. Hun buikvinnen zijn tot een hechtschijf omgevormd, waarmee de dieren zich urenlang aan stenen en dgl. kunnen vasthouden. De naam, Brachygobius = kleine grondel mag je niet verleiden tot de veronderstelling dat het uitgesproken bodemvissen zouden zijn. De watertemperatuur ligt er bovendien vrij hoog. Omdat deze plaatsen aan de zon zijn blootgesteld, kan de temperatuur erin oplopen tot 35 °C. De soort bevindt zich dus vooral in brak water. Het hoge woord is zo nogmaals gevallen en komt hier uiteraard geregeld terug: BRAK WATER!

 

Phenacogrammus interruptus, de kongozalm
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
214
Het synoniem Hemigrammalestes interruptus (Pellegrin, 1928) verwijst weerom naar de tendens om de Afrikaanse en Amerikaanse tetra’s samen te brengen in één familie. Hemigrammalestes verwijst duidelijk naar Hemigrammus en het achterste deel van de genusnaam komt van Micralestes De naam die Boulenger de vis voorschotelde in 1899. Mogelijk is hij ook nog afgeleid van de familienaam Alestidae.
Laten we een poging doen om via de systematiek ons een beeld te vormen van deze vis.
Om tot de Cyprinoformes te behoren, is het nodig dat het dier het orgaan van Weber bezit. Dit bestaat uit een reeks beentjes die de zwemblaas met het gehoororgaan verbinden. Bij de karperachtigen ontstaan deze beentjes uit de eerste wervel. Als vertegenwoordiger van de Characoidei is vereist dat de lichaamswand ter hoogte van de zwemblaas dun is en als een soort trommelvlies fungeert. Deze vissen zijn daardoor zeer gevoelig voor tonen met een hoge frequentie. Ze kunnen ze niet enkel opvangen maar ook produceren. Zet uw draagbare radio dus liefst niet op of naast hun vivarium. Maak er a.u.b. geen disco van. Het voornaamste kenmerk bestaat dus uit een sterk ontwikkeld orgaan van Weber. Op enkele uitzonderingen na zijn ze geschubd en bezitten alle getande kaken in hun jeugdstadium. Dé voorwaarde om van de Hydrocyninae deel uit te maken, is eenvoudig. Uw wieg dient in Afrika te staan.
Het kan raar klinken, maar deze vissen zijn de meest naaste verwanten van de Zuid-Amerikaanse tetra’s. Mocht het water tussen beide niet zo diep zijn, waren ze er wellicht mee in één genus ondergebracht. Beide groepen hebben als stamouders de glansschubbigen of de Chalceus. Deze betovergrootouders leefden weliswaar tweehonderd- tot driehonderdduizend jaar geleden maar de toenmalige kenmerken zijn door de gescheiden evolutie niet teloor gegaan. Kenmerkend is wel dat de Afrikaanse vissen trager geëvolueerd zijn dan hun Amerikaanse tegenhangers.De Nederlandse naam omschrijft dan weer zeer duidelijk de grenzen van hun biotoop.

 
Neolamprologus caudopunctatus (Poll, 1978)
Walter Van der Jeught - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
218
Toen ik in mijn zoektocht naar Tanganyikacichliden, als gezelschap voor andere soorten, een gerenommeerde aquariumzaak bezocht, viel mijn oog er op de zeer aantrekkelijke, met gele vinnen gekleurde, blauwogige Neolamprologus caudopunctatus. Ik koos enkele van deze prachtige diertjes uit die zich een beetje bij elkaar ophielden en die de anderen wegjoegen welke te dichtbij kwamen. Ik gokte dat hieruit later wel een koppel zou ontstaan.
Zo kwam ik dus thuis met enkele N. caudopunctatus. Vervolgens raadpleegde ik meteen mijn bibliotheek aan cichlidenboeken, iets wat ik iedereen voorafgaand aan, of na de aankoop van, elke nieuwe vis ten zeerste kan aanbevelen. Er bleek echter weinig te vinden over deze kleine cichliden, waarschijnlijk omdat er nu eenmaal weinig over gekend is en van kweekrapporten bleek al helemaal niets te vinden. Het internet betrouw ik dan weer niet zo goed, omdat daar dikwijls door de bomen het bos niet meer te zien is en daar, vooral in de verschillende fora, door would-be specialisten nogal wat onzin uitgekraamd wordt. Ik raad deze fora elke beginner zelfs af en dit meen ik echt uit ervaring met de gewone zoetwaterfora! Het is allemaal misschien goedbedoeld, maar daar is dan ook alles mee gezegd.
Het is met ca. 8 cm voor het mannetje (het vrouwtje blijft iets kleiner) terecht een echte dwergcichlide. Laat je echter niet wijsmaken dat ze door hun grootte gezelschapsvisjes zijn voor het beplante gezelschapsaquarium. Niet dus! Om het maar meteen te stellen: het zijn ook geen slakkenbewoners zoals ze soms verkeerdelijk al eens worden aangeprezen.


 
Ctenosaurus similis (Gray, 1831) - de zwarte leguaan
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
222
De Ctenosaura worden tot de “zwarte leguanen” gerekend, daar de oudere dieren bruin tot zwart kleuren. Nu is ons diertje veeleer grijs dan zwart van kleur. De kleur varieert van licht naar donker naargelang de hoeveelheid licht of de activiteit. Men kan hen beter omschrijven als grijs met een stel zwarte dwarsbanden welke, zoals de foto toont, doorlopen tot in de kam. De stekels in de kam bezorgden hen bijnamen zoals het Amerikaanse “spiny tails” of het Duitse “Stachelschwänze”.
Dikwijls, zeker bij exemplaren uit de Sonora woestijn, wordt de tint gemaskeerd door stof. Welke tint ze als volwassen dier tonen, kan dus verschillen maar in hun jeugd zijn ze meestal allemaal groen. Pas na een half jaar bekennen ze kleur.
Gray rekende hen oorspronkelijk tot het genus Iguana. Daar ze randgevallen waren, plaatste hij ze in het subgenus Ctenosaura. Hij beschreef hen dus in Cuvier, editie Griffith Animalia Kingdom London 9:38 dan ook als Iguana (Ctenosaura) similis. Daarbij negeerde hij Wiegman welke al in 1828 Ctenosaura als zelfstandig genus van de Iguanidae vestigde.
De eerstbeschrijver kwam achteraf toch aan zijn trekken, toen bleek dat er twee ondersoorten bestonden. De eerste soort kreeg toen als naamkaartje Ctenosaura similis similis Gray, 1831 opgespeld en de eerst in de vorige eeuw beschreven soort werd Ctenosaura similis punctata Barbour & Shrene, 1934.Deze onderscheidt zich van de nominaatvorm door een stel rode vlekken op de flanken. Dikwijls is het centrum van deze vlekken donkerder van tint.


 
  VOEDSELGIDS Pissebedden (2)  
Top   Agaatslakken, Achatina (1)