Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 61 - 2008
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 61 – Nr. 10 - Oktober 2008
ISSN 1372-6501
Melanotaenia trifasciata (Rendahl, 1922)
Gilbert Maebe - Ahv De Minor Rupel-Vaartland
234

Voor ons aquariumliefhebbers begon de story in 1894. In dat jaar zette de Noorse zoöloog Dr. Knut Dahl een expeditie op touw in Noordwest-Australië. Deze expeditie had biologische doelstellingen en leidde tot de ontdekking van 7 voor de wetenschap nieuwe zoetwatervissen. Eén daarvan, u raadt het al, was... Neen, niet Melanotaenia trifasciata maar in die tijd kreeg hij de naam van Rhombosoma trifasciata toebedeeld. Pas later kreeg hij zijn huidige naam.
De ontdekking van, laten we hem kortweg “trifasciata” noemen, gebeurde in de Mary river. Deze naam komt minstens 5 x voor in Australië. Het is dus belangrijk te weten dat het de Mary river is in de Northern Territory, die gedeeltelijk de grens vormt met het Kakadu nationaal park.
Ik had in 1996 het genoegen om samen met Dave Wilson, een kenner van de regio en waar hij ook woonachtig is, en Franz-Peter Müllenholz (waarmee ik al 7 x naar Australië op vissafari ben geweest) de trifasciata van de Mary river te vangen en ook voor het eerst levend naar Europa te brengen.
Waarom men deze soort nu “trifasciata” heeft genoemd, is ons niet helemaal duidelijk. Een vrije vertaling betekent “met 3 strepen”. Wellicht waren die strepen beter zichtbaar bij de geconserveerde vis welke zich leende voor de eerstbeschrijving. Inderdaad, aan de hand van één enkel exemplaar (een vrouwtje) is de beschrijving gebeurd. Dat dier behoorde toe aan het Zoölogisch Museum in Christiania, Noorwegen. De determinatie gebeurde echter in 1922 door Hialman Rendahl, een Zweed verbonden aan het Natuurhistorisch Staatsmuseum in Stockholm.
Genoeg geschiedenis, laten we het even hebben over de verschillende vindplaatsen en de daaraan verbonden kleurvariëteiten. De al vernoemde variëteit uit de Mary river is de meest westelijke vindplaats van deze soort. Om andere kleurvarianten te vinden, moeten we ons oostwaarts verplaatsen, meer bepaald nog in dezelfde Northern Territory, maar in het deel dat luistert naar de naam “Arnhem Land”. Vergis u niet, om vanuit de Mary river de eerstvolgende biotoop te bereiken waar we triafasciata’s vinden, ben je bijna 700 km onderweg. Arnhem Land is Aboriginal gebied. Dit betekent dat je speciale “permits” nodig hebt om er te mogen reizen. Het is een hele onderneming omdat alles vanuit Europa geregeld te krijgen. In 1996 en 2002 zijn we er in geslaagd om op een dure, wettelijke manier een aantal kleurvarianten te vangen en met goed gevolg te importeren.

 

Heros severus, mijn uitdaging
Jean-Pierre Cayenberghs - Gracilis Hoboken
244
In september 2007 besloot ik een geslaagde kweek van mijn Heros severus tentoon te stellen op de aquashow van onze vereniging Gracilis Hoboken. Ik had hierbij een uitgebreid verslag voor de belangstellenden voorzien, wat bij sommigen van mijn collega-leden de vraag uitlokte om deze ervaring ook te delen met andere aquariumliefhebbers. Hierbij mijn verhaal…
Meer dan 30 jaar aquaristieke ervaring leert mij dat wij nog steeds nieuwe uitdagingen moeten durven aangaan, deze was er voor mij zo één.
Puur toevallig, toen ik ongeveer vier jaar geleden een aquariumwinkel binnenstapte om nog enkele pauwoogcichliden aan te schaffen, ontdekte ik deze prachtige vis waarvan ik voordien nog nooit iets had gezien, noch gelezen. De winkelbediende kon me enkel vertellen dat dit Zuid-Amerikaanse cichliden waren, wat ik ook wel dacht. Ze waren toen een kleine 5 cm groot en ik mocht verwachten dat zij toch wel een 15 cm zouden bereiken. Meer kwam ik toen niet te weten. Omdat ik ze zo mooi vond, heb ik er mij meteen vijf stuks van aangeschaft, al zou het afwachten worden hoe mijn pauwogen op hen zouden reageren.
Beide soorten reageerden zeer rustig op elkaar en gedroegen zich vreedzaam in mijn toen toch nog kleine aquarium (80 cm).
Aangezien het nog erg jonge visjes waren van nog geen 5 cm grootte, stelde dit geen enkel probleem en had ik al de tijd om uit te kijken naar een groter aquarium.Toen mijn pauwogen al een grootte hadden bereikt van ca. 7 à 8 cm en de, voor mij toen nog steeds mysterieuze, Heros severus ongeveer 7 cm groot waren, heb ik deze laatste overgeplaatst naar een 1,5 m groot aquarium, dat ik voorzag van de nodige schuilplaatsen, die zij uitsluitend gebruikten wanneer ik in het aquarium handelingen verrichtte. Op andere momenten zwemmen zij steeds door het hele aquarium en kan men genieten van hun mooie kleuren.

 
Betalen in vreemde munt
Peter Wirtz
250
Vele garnalensoorten leven tussen de tentakels van de grote Caribische Zeeanemoon Condylactis gigantean.
De garnalen halen een duidelijk voordeel uit deze symbiose: garnalen die van anemonen worden weggenomen vallen gemakkelijk ten prooi aan veel vissen, terwijl garnalen die tussen de prikkelende tentakels van zeeanemonen leven goed beschermd zijn tegen deze belagers.
Alhoewel, het voordeel, als er al een is, dat de zeeanemoon halt uit de aanwezigheid van de garnalen was totnogtoe niet zo duidelijk.
Stephen Spotte van het “Marine Science Center” in Connecticut, VSA, heeft een nieuw mechanisme aangetoond waardoor zeeanemonen wel degelijk profijt halen uit de aanwezigheid van symbiose garnalen.
Het weefsel van vele zeeanemonen bevat “zooxanthellae”, zeer kleine ééncellige planten die in staat zijn door fotosynthese aminozuren uit de in water opgeloste moleculen op te nemen. Zuurstof en aminozuren, geproduceerd door deze zoöxanthellen, komen de zeeanemoon zeer ten goede.
Zeeanemonen met zoöxanthellen halen meer dan de helft van hun energiebehoeften uit de ontelbare plantencellen in hun lichaamsweefsel! De productie door de zoöxanthellen is evenwel beperkt door de aanwezige stikstof. Stikstofgehaltes in zeewater zijn meestal zeer laag en het toevoegen van stikstof aan het water, bijvoorbeeld in de vorm van ammonium, verhoogd prompt de productie van aminozuren door de zoöxanthellen.
Bijne alle mariene organisme scheiden ammonium uit in hun urine. Zou het dus kunnen zijn dat het uitscheiden van ammonium door de symbiose garnalen de anemoon ten geode komt?
Door het meten van ammoniumgehalte tussen de tentakels van grote Caribische zeeanemonen tussen dewelke de garnaal Periclimenes yucatanicus leeft en van dat bij anemonen waar geen garnalen bij leven kon S. Spottle inderdaad aantonen dat de aanwezigheid van garnalen de ammoniumgehaltes rond de anemoon verhoogden.
Met zijn urine levert de garnaal blijkbaar een stikstofbemesting voor de plantencellen die de zeeanemoon voeden.
Het blijkt dus dat de garnaal betaalt voor zijn veiligheid, zij het in een wat vreemde munt!Anemoonvissen, zoals de gekende clownvisjes, scheiden eveneens ammonium uit en laten de zeeanemoon blijkbaar op dezelfde wijze profiteren van hun aanwezigheid, alhoewel dit nog niet werd getest.


 
Ammannia gracilis
Walter van der Jeught - Ahv De Minor Rupel-Vaartland
253
Met zijn mooie, bruinrode kleur is Ammania gracilis, Guillemin & Perrorret, 1833 een zeer contrastrijke plant voor de middelste, tot achterste regionen van het aquarium. A. gracilis behoort tot de Lythraceae, of de kattenstaartfamilie, een synoniem zou A. diffusa zijn. In het Nederlands spreken we van de cognacplant en daar mee is je interesse misschien meteen nog wat meer gewekt.Echter, om maar meteen met de deur in huis te vallen, het is een plant die veel licht nodig heeft. Het is dan ook raadzaam de planten niet te dicht op elkaar te planten, hun bladlengte laat dit trouwens ook niet toe. Daarnaast blijft de plant bij een onvoldoende lichtsterkte olijfgroen. Zelf gebruik ik de TL-lamp kleuren 830 en 840 waaronder de planten uitstekend blijken te gedijen. In tegenstelling tot vele andere aquariumplanten, die je best niet bij een temperatuur houdt die boven de 24 °C ligt, heeft deze plant behoefte aan wat meer warmte, zo rond 24 à 27 °C. Als hij onder 23 °C gehouden wordt, verkommert hij soms zeer snel. Ook geregeld bijmesten met oplosbaar (of absorbeerbaar, hoe zeg je dat?) ijzer − een spijker in het aquarium voldoet echt niet − is noodzakelijk, vooral ook voor die mooie rode kleur. Onder goede aquariumomstandigheden is het dan zelfs een snelgroeiende plant, die zich gemakkelijk aanpast aan zijn nieuwe omgeving. Ook de toevoeging van CO2 komt deze plant ten goede. Zelf kieper ik hiertoe wekelijks een (goedkope) fles spuitwater in het aquarium (uit tijdsgebrek geen ingewikkelde toestanden met CO2-preparaten e.d.) en dat blijkt in mijn aquarium te volstaan, trouwens ook voor de andere planten. Daarnaast verlangt deze plant zacht tot middelhard (KH 2 tot 15) en lichtzuur tot neutraal (pH 6 tot 7) water en blijkt hij toch een beetje allergisch tegen een teveel aan fosfaten en nitraten, maar een geregelde verversing van een deel van het aquariumwater staat bij de ervaren aquariaan in ieder geval op het programma, dus dit kan geen probleem vormen.

 
  VOEDSELGIDS Agaatslakken, Achatina (2)  
Top