Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
Volgende maand
   

 

Jaargang 62 – Nr. 2 - Januari 2009
 
ISSN 1372-6501
  EDITORIAAL 002
  Nieuwjaarsboodschap van De heer Ludo Segal, voorzitter van de Belgische Bond voor Aquarium- en Terrariumhouders vzw.

 

Colisa chuna, de honing- of prachtgoerami
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
004

Ze bewonen dicht beplante en door drijfplanten bedekte stilstaande waters of traag stromende rivieren in het noordoosten van India en Bangladesh. Tot de stilstaande waters moeten we ook de rijstvelden of sawa’s rekenen. Dat deze waters weinig zuurstof bevatten, deert hen niet. Het zijn tenslotte labyrintvissen.
De geslachten bezitten niet hetzelfde kleurenpalet en hun vingrootte wat betreft vorm en kleur, verschilt ook duidelijk. Dit verschil werd onvrijwillig bewezen door de eerstbeschrijver Francis Hamilton in 1822. Het mannetje kreeg toen de naam Trichopodus sota. Het vrouwtje Trichopodus chuna.
Voor de kleur van het mannetje geeft de kleurenfoto voldoende details. Senioren behouden dikwijls deels hun paringtooi. Zie ook de spits uitlopende rugvin. Het vrouwtje is een gelig grauw visje, met een afgeronde rugvin en valt onder normale omstandigheden weinig op. Als het mannetje schrikt of de omgeving bezocht wordt door druktemakers, neemt het de kleur van zijn eega aan.Het zijn taaie rakkers die, mits een adequate verzorging, 8 tot 12 jaar lang uw aquarium kunnen verfraaien.

 
Een aquaristische lijdensweg
Gilbert Maebe - Ahv De Minor Rupel-Vaartland
008

Van 03/10/06 tot 01/11/06 reisden we langs de Westkust van Australië.
“We”, dat zijn onze Duitse vrienden Franz-Peter Müllenholz en zijn echtgenote Ulli, mijn echtgenote Hilda en ikzelf.
Uiteraard was het weer de bedoeling om regenboogvissen te vangen, te fotograferen en indien mogelijk te importeren.
Het begon uitstekend, want bij aankomst in ons hotel in Perth stonden 3 piepschuim boxen klaar met plastic zakken en elastiekjes erbij. Een in de regio wonend lid van ANGFA (Australian and New Guinea Fishes Association) had daarvoor gezorgd.
Op 13/10 werden de eerste regenboogvissen gevangen in de Ashburton River, het zijn Melanotaenia australis met gele vinnen.
De volgende dag verzamelden we in de Robe- en Fortescue Rivers opnieuw Melanotaenia australis en Leiopoterophar unicolor. Op zondag 8/10, dus een week vroeger, hadden we in de Murchison River Craterocephalus cuneiceps gevangen en meegenomen.
Zondag 15/10. We waren in Karratha en gingen op zoek naar de luchthaven om te informeren of we vissen konden versturen naar Brisbane. We hadden geluk, nog dezelfde dag vlogen ze naar de andere kant van Australië waar ze werden opgehaald door de exporteur.
We reisden verder noordwaarts en vingen nieuwe Melanotaenia australis in de Bea Bea Creek. Tot nu toe de meest kleurrijke vissen met mooie rode strepen op het lichaam.
Op vrijdag 20/10 bereikten we ons einddoel in de Pilbara. Ongeveer 200 km in de woestijn is een diepe kloof in de Oakover River: de Carawine Gorge. De daar voorkomende regenboogvis wilde ik vangen en meenemen. Met de fuiken lukte het niet, maar met het net wel. 20 Melanotaenia australis werden zorgvuldig verpakt en gingen mee tot we ze konden opsturen. Dat gebeurde in Perth op 23/10.
Tot hiertoe verliep alles naar wens.
Ik had telefonisch aan Steve (de exporteur) gevraagd om de vissen, nadat we thuis waren, zo vlug mogelijk op te sturen. Met Allerheiligen waren we weer thuis.

Normaal krijg ik van Steve een bericht wanneer de vissen zullen verstuurd worden, zodat ik het nodige kan doen om de administratie in Brucargo te regelen. Ik laat dat doen door Herfurth Forwarding en dan zijn er nooit problemen. Als particulier is het een hel waar je door moet om alles zelf af te handelen.

 
Darters, kleurrijke buikschuivers uit Noord-Amerika
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent

014

Het is al een heel tijdje geleden dat ik voor het eerst kennis maakte met deze interessante vissen. Nu heb ik altijd wel graag van die bodembewonende soorten gezien. Als cichlidenman heb ik altijd een zwak gehad voor Steatocranus-soorten, xenotilapia’s en andere “buikschuivers”.
Zo had ooit René Kruter eens een partij visjes geïmporteerd uit de buurt van Chicago. Hun speciale manier van zwemmen viel mij onmiddellijk op en aangezien René al heel lang een goede vissenkameraad was, kreeg ik er ook een deel mee. In die tijd dacht ik nogal vlug dat koudwatervisjes een pak gemakkelijker waren dan onze warme soorten. Daarom werden ze toen nogal nonchalant in een aquarium ondergebracht met een klein filter en waarin te weinig waterwissels werden doorgevoerd. Ik had toen ook hun voedselbehoefte schromelijk onderschat. Zo heb ik toen geleerd dat ze veel en stevig voedsel echt nodig hebben. Doordat ze in zuurstofrijk water leven, waren rode muggenlarven voor een paar noodlottig geworden. (In rode muggenlarven zit heel veel hemoglobine en daar hebben vissen uit zuurstofrijk water wel eens problemen mee!) Ik voederde ze dus met Gammarus, Daphnia en zelfs regenwormen. Met die dieren heb ik nooit kunnen kweken en zo verdwenen ze uit mijn collectie.
Jaren later begon ik me erg te interesseren in buitenlandse koudwatervissen en zo kwam ik teksten tegen over die zogenaamde “Darters”. Ik las ook kweekverslagen en hoopte vurig dat ze nog eens mijn pad zouden kruisen. Overal informeerde ik of ze nergens meer te vinden waren, maar ondertussen was de wetgeving ter bescherming van de inheemse vissen in Noord-Amerika een pak strenger geworden. Ze zijn nog wel te importeren, maar het is niet meer zo gemakkelijk en vooral heel duur.
Via een relatie van een Duitse kweker kon ik toch aan één stel geraken van Etheostoma caeruleum ofwel de “Rainbow Darter”. Ondertussen was ik ook perfect uitgerust om zulke dieren te houden.

Ik heb een onverwarmde ruimte waarin verscheidene aquaria met een goede filtering en desgewenst een goede stroming. Uit mijn vroegere capriolen en de vele publicaties die ik ondertussen gelezen had, wist ik nu goed wat te doen. De vissen wenden snel aan hun verblijf. Ze kregen een onderkomen in een aquarium van 60 x 50 x 35 cm, voor 2 visjes van ongeveer 6 cm ruim voldoende vond ik. Op de bodem werd er halfgrove kiezel gestrooid, deze had ik in een doe-het-zelfzaak gekocht onder de naam parelkiezel. Ik vond deze er vooral mooi uitzien en toch even efficiënt als gewone kiezel, die ik persoonlijk veel te kitscherig vind. Ik heb de kiezel erin gekieperd omdat ik in diverse kweekverslagen had gelezen dat E. caeruleum de eitjes vooral afzet in de kiezel, ze zouden hierin duiken om hun eitjes af te zetten.

 
Nymphoides aquatica, het bananenplantje
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
019

"Onbekend maakt onbemind” luidt terecht een van de vele gezegden uit onze bloemrijke moedertaal. In de Verenigde Staten is de "banana-plant" echter welgekend en bij de aquarianen zeer geliefd. Gekend is hij er vooral omdat onze Amerikaanse hobbyvrienden hem in hun eigen “country” op vele plaatsen maar uit de sloot te halen hebben. Bij ons is het geringe aanbod er voornamelijk debet aan dat wij hem, zelfs op voorname tentoonstellingen, weinig of nooit aantreffen.
In 1788 beschreef Walter hem reeds en bedacht de veeleer vreemde naam Anonymos (anoniem) aquatica. Kuntze, één der grote botanisten uit de negentiende eeuw, zag het echter anders en bracht het bananenplantje, samen met verschillende andere planten, onder in het door Hill gefundeerde genus Nymphoides. Momenteel bestaat dit geslacht uit ongeveer vijfentwintig soorten welke in de tropen en de subtropen gedijen. Op het eerste zicht is men geneigd, omwille van de bladvorm en het vlekkenpatroon, te veronderstellen dat deze plant tot de Nymphyaceae behoort. Tot voor kort rekende men hem echter tot de Gentianaceae. Tegenwoordig rekent men Nymphoides samen met Menyanthes tot de Menyanthaceae. Wat betreft levenswijze is hiertegen zeker geen bezwaar. Beide geslachten bloeien boven water en enkele vertegenwoordigers ervan zijn niet bang van de koude. Nymphoides trifoliata (waterdrieblad) en Nymphoides peltata (watergentiaan) zijn normale verschijningen in onze vijvers. Ons “banaantje” is ook niet bang voor 10°C terwijl de er veel op lijkende Nymphoides cordata – ookvoor het aquarium geschikt –waarschijnlijk bij ons in de vijver kan overwinteren.

De volksnaam "bananenplant" is te wijten aan de onder de drijfbladeren voorkomende verdikte knolletjes die sterk op een trosje bananen gelijken. Meestal worden deze “banaantjes”, zelfs in de populair wetenschappelijke literatuur, wortels genoemd. Omdat ze reservevoedsel bevatten behoren ze juist zoals de knollen van de dahlia en de aardappel echter bij de stengels.
Bufo marinus, de reuzen- of agapad
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
022

Zo u dacht dat we bij de padden met Rana catesbeiana qua grote en gewicht de hoofdvogel hadden afgeschoten, denk dan maar vlug wat anders. De donkerbruine, soms grijsgroene reuzenpad Bufo marinus weegt ca. 2 kg en bereikt vlot een romplengte van 20 à 25 cm. De huid op de rug is meestal grijsbruin en gekorreld. De buikzijde kleurt gelig wit en is doorspekt met donker bruine vlekken of erdoor gemarmerd.
De pupil van hun ogen is horizontaal wat op een nachtelijk leven duidt.
Padden vindt men, enkele eilanden uitgezonderd, wereldwijd. Men stelt wel eens dat deze pad de meest voorkomende op onze aardbol is. In verschillende landen is de “agapad” zelfs ingevoerd om de suikerrietkever te bestrijden, maar is op vele plaatsen, zoals in Australië, zelf uitgegroeid tot een regelrechte plaag. In de natuur gaat hun voorkeur uit naar bossen waarin zich permanente waters bevinden.
Tijdens droge of koude perioden trekken ze zich terug in ondiepe putjes.

Bufo marinus houdt geen winterslaap en legt tot tweemaal per jaar maximaal 20.000 eieren in eiersnoeren in langzaam stromend of stilstaand water. Daar één mannetje paart met elk aanwezig vrouwtje, drijft dit natuurlijk de score nog eens flink op. De eieren worden ingebed, als lange paternosters, in een doorschijnend gelatineus omhulsel en verankerd aan waterplanten, rotsen en alles wat als aanhechting maar in aanmerking komt.

  BBAT-informatief 026
  VOEDSELGIDS Muggen (2)  
Top