Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 02 - Februari 2009
 
ISSN 1372-6501
Darwin, Charles Robert
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
030

We herdenken dit jaar een dubbele verjaardag, want Charles Darwin werd 200 jaar geleden geboren en zijn evolutietheorie is juist 150 jaar geleden voorgesteld.
Wegwood Josiah was geen wetenschapper maar een autodidact met een fijne neus voor nieuwe technieken en marketing, wat hem toeliet om in Engeland de eerste porseleinfabriek op te starten en er fortuin mee te maken. Hierdoor noemt men hem terecht “The Father of English Potters”(*). Zijn dochter huwde de vader van Charles en hun dochter huwde met Charles. De combinatie van volle neef en nicht heeft waarschijnlijk later wel complicaties veroorzaakt bij hun kinderen, waarvan er enkele tijdens hun prille jeugd, zonder duidelijkheid aangaande reden ervan, overleden.
Erasmus Darwin, de opa van Darwin, was arts, dichter en natuurkenner. Zijn voornaamste werk is: “Zoonomia of the Laws of organic life” waarin hij al, zonder het te kunnen bewijzen, spreekt over evolutie. Hij was ook de grootvader via één van zijn dochters van de eveneens zeer vermaarde natuuronderzoeker Francis Galton.
Darwin Robert Waring wordt door zijn zoon beschreven als een dominante en imposante man van één meter negentig bij een gewicht van honderd en vijftig kilogram. Voor die tijd mogen we terecht spreken van een reus. Evenals zijn vader was Charles een arts en stond hij bekend om zijn medeleven voor zijn patiënten. Van zijn moeder blijkt hij zich bitter weinig te herinneren. Hij was ook amper 8 jaar toen ze overleed. Hij kreeg er drie pleegmoeders voor in de plaats. Zijn oudere zussen namen zijn opvoeding op zich.
Laten we even in het kort zijn leven voorstellen, om daarna over te gaan naar zijn werken en zijn betekenis voor de wetenschap.
In zijn autobiografie schrijft Darwin zelf dat hij als jongen niet bepaald een lieverdje was en allerlei kattenkwaad uithaalde. Zijn schoolopleiding was niet veel zaaks. Ze bestond uit een verouderde manier om aardrijkskunde, geschiedenis en de klassieke Griekse en Latijnse schrijvers te leren kennen. De afkeer van zijn opvoeders voor moderne wetenschappen was typerend. Toen hij samen met zijn oudere broer scheikundige experimenten deed, kreeg hij het verwijt een ”poco curante” te zijn, of iemand die zijn tijd verkwiste aan nutteloze zaken.
Zijn wetenschappelijke vorming is vrij bizar. Vader Robert Waring Darwin was een bekende arts en oordeelde dat de domme zoon dat ook wel zou aankunnen. Hij studeerde daardoor aanvankelijk samen met zijn oudere broer medicijnen in Edinburgh, maar kon het leed van de patiënten niet aan tijdens operatieve ingrepen. Verdoving was toen immers nog onbestaande. Na tweemaal een ingreep te hebben bijgewoond, hield hij dit voor bekeken. Ook het zien van bloed hierbij was voor hem eveneens een gruwel. Zijn vader had er begrip voor. Ook hij had tijdens zijn artsenstudie iets dergelijks meegemaakt, maar vader Erasmus Darwin had hem gedwongen door te bijten.
Door zijn nooit aflatende belangstelling voor vogels, kwam hij in contact met de kleurling die hem tijdens de expeditie van Waterton vergezelde en de buitgemaakte vogels opzette. Het was een meester in zijn vak en Darwin betaalde hem om hem de stiel te leren. Deze kennis kwam tijdens zijn wereldreis goed van pas. Toen hij nadien zijn tijd zoek bracht met zijn favoriete hobby’s zoals kevers verzamelen, jagen en schieten, vond zijn vader het welletjes en eiste dat hij terug ging studeren. Toen ging hij theologie studeren in Cambridge. Daar stond hij bekend als een vrolijke kerel die geregeld feestjes gaf en als gast de party’s animeerde. Zijn medestudenten stelden zich dan ook de nodige vragen aangaande zijn geestelijke roeping tot anglicaans dominee. Hij was een fervent jager en oefende zich op zijn kamer in het pistoolschieten. Een professor die voorbij zijn kamer wandelde, hoorde het en verklaarde later dat Darwin er oefende met een zweep. Hij promoveerde er met de hakken over de sloot. Tijdens zijn verblijf aan de universiteit ontpopte hij zich tot een fervent verzamelaar van kevers. Teneinde zoveel mogelijke soorten te verwerven, betaalde hij een arbeider die tijdens de winter het mos van bomen schraapte en de afval bij riettransporten opkeerde. Later zou het vinden van zeldzame soorten hem een vermelding opleveren. Ook Cambridge voldeed hem niet echt. Hij voelde, in navolging van zijn grootvader Erasmus Darwin, veel meer interesse voor de natuurwetenschappen. Positief was er wel zijn kennismaking met professor Henslow die via zijn wekelijks onderricht, tijdens botanische uitstapjes, een grote invloed had op Darwin.

In 1831 kreeg hij via Henslow de kans om met het exploratieschip de “Beagle” een wereldreis te maken, waarbij talrijke landen en plaatsen achtereenvolgend werden bezocht. De opdracht luidde: het in kaart brengen van de Argentijnse kust en enkele eilanden. Een eerste obstakel was het feit dat hij moest instaan voor zijn eigen onderhoud en geen bezoldiging ontving. Wegwood zorgde er voor dat vader Darwin hiervoor opdraaide. Darwin werd opgedragen de bezochte streken te verkennen en er zoveel mogelijke informatie te verzamelen over de plaatselijke bewoners en de flora en de fauna.

 

Inpaichthys kerri, de koningstetra
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
038

De koningstetra is één van die Zuid-Amerikaanse zalmpjes die men vaak ziet in huiskameraquaria. Deze relatief gemakkelijk houdbare visjes doen er dan ook alles aan om de liefhebber te behagen: ze zijn mooi gekleurd, levendig, sociaal, vredelievend, ze lusten alles en als het even meezit, schenken ze ons nageslacht. Ze passen zich probleemloos aan ons hard en alkalisch leidingwater aan, zelfs op een dieet van droogvoer, maar zullen dan echter niet de prachtige vissen zijn die we op de foto’s zien. Het zijn in dergelijke omstandigheden veeleer bleke vissen met een brede zwarte langsband. Om gezonde en kleurijke vissen te verkrijgen, die zich spontaan in het aquarium voortplanten, dient aan een drietal voorwaarden te worden voldaan.
Inpaichthys kerri is afkomstig uit Brazilië, meer bepaald uit het Mato Grosso gebied. Ze worden aangetroffen in de Aripuana rivier. Het gebied waarin ze werden ontdekt, bestaat uit haast ondoordringbaar tropisch woud. De dichte begroeiing van de bomen en struiken zorgt voor veel schaduw in het water, met slechts hier en daar een doorpriemende zonnestraal. Net zoals in de rest van Zuid-Amerika, is het water vrij van kalk en zeer zacht. Op de plaatsen waar er licht door het bladerdek kan schijnen, groeien waterplanten zoals Echinodorus, Cabomba en Heteranthera.
Door de vele rottende bladeren en takken is het water er lichtzuur (pH 6 à 6,8). Veel gegevens over de waterkwaliteit zijn er echter niet beschikbaar, zodat de povere beschikbare gegevens toch met enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Het is wat dat betreft wachten op meer veldmetingen.

 
Apistogramma hongsloi
Walter Van der Jeught - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
044

De zoektocht naar een kleine bodem- tot middenzonebewoner voor bij mijn discussen en scalaren, bracht mij uiteindelijk bij Apistogramma hongsloi welke pas in 1975 voor het eerst in Duitsland werd ingevoerd door ene Fröhlich Lübeck. Vijf jaar later werden ze pas voor het eerst in de handel gebracht. Nog wat “later” dus ook naar mijn coördinaten thuis. Op het aquarium in de speciaalzaak (geen namen, ik kreeg er geen BBAT-korting) stond “roodstreep apistogramma”.
Deze relatief robuuste dwergcichlide wordt gekenmerkt door zijn zijdelings sterk samengedrukt, hooggerugd maar tamelijk kort lichaam. Weinig andere apistogramma’s tonen zo fors en stoer en misschien is dat maar goed ook als gezelschap bij discussen en scalaren. Zowel de sterk verhoogde rugvin, de aarsvin als de buikvinuiteinden zijn mooi verlengd, waarbij de eerste tot voorbij de staartvin kunnen reiken. In de staartwortel van deze afgeronde, transparante staartvin bevindt zich een grote, felrode vlek. Deze vlek sluit bij volwassen mannetjes aan bij een aantal felrode horizontale strepen op het onderste lichaamsdeel boven de aarsvin. Deze strepen blijven onder de zijlijn en raken bij het dominante mannetje tot tegen de borstvinnen, bij sommige wordt heel de buikpartij rood. Van de bovenlip, door het oog, over de hele zijlijn, loopt een onduidelijke, soms onderbroken, soms deels zelfs ontbrekende, zwarte band van slechts enkele schubben breed. Over de gehele aanzet van de rugvin kon ik soms ook een onduidelijk, onderbroken zwarte band waarnemen. De voorste lichaamshelft is felgeel tot oranje, met een prachtige tekening van rode en witte strepen/punten op de kaken. Ook in de rugvin vinden we in de richting van de vinstralen rode strepen terug die op het uiteinde blauw uitlopen of blauw afgezoomd zijn aan één zijde. De borstvinnen zijn lichtblauw en onderaan donkerblauw tot zwart afgezoomd.Het mannetje wordt ca. 8 cm, het vrouwtje blijft met 5 cm wat kleiner, een echte dwergcichlide dus. Meteen ook het eerste geslachtsonderscheid. Het vrouwtje heeft bovendien al die kleurenpracht niet en toont een gele onderste lichaamhelft, gescheiden van een vuil grijze/beige bovenste helft door een volle of onderbroken zwarte streep. De eerste twee vindstralen van de rugvin zijn zwart en ook door het oog loopt over de kieuwen een zwarte streep. Waar zich bij het mannetje in de staartwortel een prachtige, felrode vlek toont, bevindt zich bij het vrouwtje een zwarte vlek. Onder de rugvin en over de lengte ervan, kon ik bij mijn vrouwtjes ook een 5-tal zwarte vlekken opmerken.


 
Cardamine lyrata
Walter Van der Jeught - Ahv De Minor Rupel-Vaartland vzw
048

Deze moerasplant uit de familie van de kruisbloemigen (Brassicaceae) kennen we in het Nederlands beter als Chinese klimop. Het woord cardamine correspondeert met het Griekse kardaminê (gelatiniseerd als cardamina) en is zelf afgeleid van kardamon, een woord dat een Perzisch of Indisch kruid aanduidde. Het is een groot genus met wel meer dan 150 soorten dat in alle werelddelen, behalve Antarctica, voorkomt. De genusnaam Dentaria is een synoniem. Cardamine lyrata lijkt vrij sterk op Hydrocotyle leucocephala. Deze laatste heeft echter een veel grotere bladschijf.
Dit niet-tropische (!) plantje is in Japan, China en Korea te vinden in moerassen. Het bestaat er uit een nogal fragiele, kruipende stengel die zich vaak vertakt en wel tot 50 cm lang kan worden. Per stengelknop vinden we meestal maar één blad, dat erg dun en kwetsbaar is en slakken als een lekkernij plegen te beschouwen. De bladvorm is echter zeer decoratief, links en rechts van het korte steeltje wat hoekig, doch verder vrijwel rond, slechts hier en daar wat gezaagd.
Onder optimale omstandigheden kan het blad een doormeter van ongeveer 3 cm krijgen. In ons tropisch aquarium is Cardamine lyrata echter geen probleemloos plantje. Als we de groei onbelemmerd laten doorgaan, zal het mooie kleur- en vormeffect al snel verloren gaan in een warrige toestand die het gevolg is van de vele vertakkingen. We moeten het om die reden geregeld toppen en een klein groepje in stand houden dat we niet hoger laten worden dan ca. tweederde van de ruithoogte. Het is dan op zijn mooist tegen een rustige achtergrond die bestaat uit donkergroene planten met een geheel andere bladvorm. Een gewone, klassieke zandbodem volstaat hierbij. De watersamenstelling mag wat variëren: de hardheid tussen 5° dH en 12° dH, de zuurgraad (pH) rond 7.
Aan de hoeveelheid licht worden echter wel eisen gesteld. Een goede bladontwikkeling met een mooie, frisgroene kleur vraagt veel tot zeer veel licht. Doch zelfs indien we aan deze eisen kunnen voldoen − we hebben hier te maken met een niet-tropische plant − zal de ontwikkeling in de herfst soms sterk teruglopen. In vele gevallen zal er aan het einde van het jaar weinig meer van de plant over zijn. Ook de temperatuur speelt in deze omstandigheden een rol van belang. De normale aquariumtemperatuur rond 25 °C is zonder meer te hoog, deze mag de 22 °C niet overschrijden voor dit plantje. Indien dit wel het geval is, zal geelkleuring van het blad en de overgang naar een duidelijke kommervorm het gevolg zijn.

 
De kweek van de krulvlieg
Yvan Dieu
050
De krulvlieg is eigenlijk een mutant van onze gewone huisvlieg, Musca domestica. Iemand (ik dacht een Belg) heeft ooit eens geëxperimenteerd met een krultang ... vandaar het resultaat, wat in dit geval in ons voordeel is omdat ze minder gemakkelijk ontsnappen, ze kunnen enkel nog snel lopen en kleine vliegsprongetjes maken. Omwille van hun beweeglijkheid zijn ze trouwens erg gegeerd door veel terrariumdieren. Dit komt het jachtinstinct van deze dieren ten goede, ze vervetten minder snel, hun conditie verbetert (niet van alleen maar krulvliegen te geven natuurlijk). Bij een kweek ontstaan echter altijd mutanten die toch kunnen vliegen. Dat krultangsysteem is blijkbaar niet water­dicht gebleken. Professionele kwekers laten deze "vliegende" krulvleugelvliegen" gewoon ontsnappen, om de kweek­stam zo gekruldvleugelig te houden als mogelijk.
Voor de kweek gebruik ik een kweekdoos uit plastic, zodat ik de evolutie kan volgen. Dit zijn snoepdozen van de plaatselijke kruidenier, met een schroefdeksel dat gemakkelijk kan voorzien worden van een fijn­mazi­ge vitrage of een ander gaas, zodat de verluchtingsoppervlakte groot genoeg is. Té veel vocht geeft mogelijk last van mijten, alhoewel ik dit thuis nog niet voorhad. Op de bodem van deze grote plastic doos (bodem 18 cm x 13 cm, hoogte 27 cm) komt de bodem van een plastic fles die afgesneden is op 8 à 9 cm hoogte. Deze flesbodem wordt prak­tisch volledig gevuld met het voedingssub­straat voor de vliegenlar­ven, zodat het niet te snel uitdroogt.Het voedselsubstraat bestaat uit gelijke delen geweekte hondebrokken (ik gebruik SERVO, maar dat zal niet veel verschil maken) en geweekte havermoutvlokken. Hier wordt nog een soeplepel melkpoeder aan toegevoegd en een theelepeltje nipagine (apotheek). Dit moet uiteindelijk een smeuïge massa zijn, niet te droog en niet te nat. Deze voedingsbodem wordt rechtstreeks in de flesbodem aange­maakt en vermengd. Er worden nog wat schavelingen rond de flesbodem op de bodem van de pot gestrooid en enkele repen keukenrolpapier in de plastic pot ge­bracht, waarop de vliegen kunnen zitten. De ingebrachte vliegen, een 30 à 40 stuks, worden gevoederd via een flessendopje dat met een ijzerdraadje in de zijwand van de plastic doos bevestigd is. Dit flessendopje is gevuld met een gelijke mengeling van melkpoeder en dextrose (vitaminerijke druivesuiker). Dit mengsel wordt droog gehouden omdat de vliegen eten door zelf dit mengsel vloeibaar te maken. Ze krijgen wel iedere dag wat te drinken door licht te sproeien tegen de wand van de plastic doos. Na 10 tot 15 dagen, afhankelijk van de temperatuur (± 25 °C) ziet men de larven krioelen in het sub­straat, maar ook buiten de voedingsbodem in de schavelingen. Zodra de eerste bruine poppen zichtbaar zijn (er zijn dan nog veel niet verpopte larven), kunnen de overlevende vliegen eventueel gevoederd worden aan onze dieren.

 
  BBAT-informatief 054
  VOEDSELGIDS Tubifex  
Top