Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 03 - Maart 2009
 
ISSN 1372-6501
Roze waterlelies (deel 1)
Guido Lurquin
058
In de tint roze is de keuze aan waterlelies werkelijk enorm. Er bestaan tal van variëteiten in allerlei tinten van roze, gaande van bijna wit tot donkerroze en dat in allerhande groottes en bloemvormen. Wij beginnen dit overzicht met de variëteiten die geschikt zijn voor grote en middelgrote vijvers.

Nymphaea 'Colossea'
Is zoals haar naam het doet vermoeden een grote variëteit. Deze vorm werd in 1901 bekomen door Latour-Marliac. De wortelstok is van het type marliac. De bloemen zijn lichtroze, streperig lichtroze aan de basis van de bloemblaadjes en ze verbleken. De buitenzijde van de kelkblaadjes is groenig bruin, aan top donkerder, aan basis streperig lichtroze. De binnenkant ervan is rozig wit met donkerder roze nerven. De bloemen geuren licht naar anijs. De bloemen drijven op het water of staan er net boven. Ze openen rond 10 u en sluiten rond 18 uur. Het is een robuuste plant met wat grotere bloemen (15-20 cm) dan die van N. ‘Marliacea Rosea’. De grote bladeren (25-38 cm) zijn iets langer dan breed en groen, zowel langs onder als langs boven. Jonge bladeren zijn wat bronzig. De sinus staat wijd open. Geschikt voor vijvers vanaf 12 m2 en waterdieptes tussen 40 en 90 cm. N. 'Colossea' is een zeer goede bloeier.

In deel 1 van dit artikel volgen zo nog de beschrijving van een 12-tal roze variaties.
Samen met deel 2 (Mei 2009) geeft de auteur aldus een overzicht van de meest gangbare roze waterlelies voor uw vijver.

 

Colis fasciata (Bloch en Schneider, 1801)
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
066
Deze colisa’s zijn afkomstig uit India en Myanmar (ex-Birma) en zijn al meer dan 100 jaar te gast in onze aquaria, doordat ze al in 1897 door Matte werden geïmporteerd vanuit Calcutta. Ze bewonen er ondiep, kalm, plantenrijk en overschaduwd water. Natuurlijk voelen ze zich in de sawa’s in hun sas. Dit is voor hen echter een gevaarlijk gebied. Na de oogst komen ze er meestal in de pan terecht of worden gedroogd en verhandeld.
Het hier afgebeelde dier is een mannetje dat normaal vlot 12 cm haalt en gekenmerkt is door een hogere kleurenintensiteit en vooral door de spits uitlopende rug- en aarsvin. Kleur en patroon ga ik u niet beschrijven. De afbeelding is duidelijk genoeg en ik ben geen schilder die dat in vervoering onder woorden brengt. Het vrouwtje moet het met een centimeter minder doen, is doffer van kleur en bezit minder rood in de aarsvin. In tegenstelling tot het mannetje bezit ze afgeronde vinnen. Beide bezitten dezelfde strepen waarnaar het Latijnse “fasciatus” = fasciata verwijst.
Daar er geen grote verschillen bestaan tussen beide seksen, maakten de eerstbeschrijvers niet dezelfde fout als Hamilton die bij labiosa en chuna de kans zag beide geslachten als afzonderlijke soorten te beschrijven. Iets wat vooral bij de “chuna” verhitte discussies uitlokte.
Voor Colisa fasciata voorzien we een ruim aquarium, aangezien de mannetjes een redelijk groot territorium afbakenen. Tegen kleinere vissen kunnen ze zelfs onverdraagzaam zijn, maar tegen vissen van gelijke grootte en groter, zijn ze heel vreedzaam. Op snelle, onrustige vissen hebben ze het niet begrepen. Vooral de “sumatranen” zijn te mijden daar ze de voelsprieten inkorten en zonder deze rode attributen gaan de dieren ten gronde. Deze voelsprieten zijn voor hen niet enkel tasters, maar ook de plaats waar de smaakorganen zich bevinden.Houd ze liefst ook niet samen in hetzelfde aquarium met Colisa labiosa, daar ze fel op elkaar gelijken en onderling kruisen. Er zwemmen tegenwoordig in de aquaria al monsters genoeg rond. Er wordt zelfs vermoed dat niet enkel Colisa labiosa, maar ook Colisa chuna slechts mutaties zouden zijn van deze vissen. In de bijdrage “Colisa chuna” wordt dit nader besproken.


 
Diapteron cyanostictum (Lambert & Géry, 1968)
Feranand Verbeeck - Aquatom vzw
070

De zoektocht naar een kleine bodem- tot middenzonebewoner voor bij mijn discussen en scalaren, bracht mij uiteindelijk bij Apistogramma hongsloi welke pas in 1975 voor het eerst in Duitsland werd ingevoerd door ene Fröhlich Lübeck. Vijf jaar later werden ze pas voor het eerst in de handel gebracht. Nog wat “later” dus ook naar mijn coördinaten thuis. Op het aquarium in de speciaalzaak (geen namen, ik kreeg er geen BBAT-korting) stond “roodstreep apistogramma”.
Deze relatief robuuste dwergcichlide wordt gekenmerkt door zijn zijdelings sterk samengedrukt, hooggerugd maar tamelijk kort lichaam. Weinig andere apistogramma’s tonen zo fors en stoer en misschien is dat maar goed ook als gezelschap bij discussen en scalaren. Zowel de sterk verhoogde rugvin, de aarsvin als de buikvinuiteinden zijn mooi verlengd, waarbij de eerste tot voorbij de staartvin kunnen reiken. In de staartwortel van deze afgeronde, transparante staartvin bevindt zich een grote, felrode vlek. Deze vlek sluit bij volwassen mannetjes aan bij een aantal felrode horizontale strepen op het onderste lichaamsdeel boven de aarsvin. Deze strepen blijven onder de zijlijn en raken bij het dominante mannetje tot tegen de borstvinnen, bij sommige wordt heel de buikpartij rood. Van de bovenlip, door het oog, over de hele zijlijn, loopt een onduidelijke, soms onderbroken, soms deels zelfs ontbrekende, zwarte band van slechts enkele schubben breed. Over de gehele aanzet van de rugvin kon ik soms ook een onduidelijk, onderbroken zwarte band waarnemen. De voorste lichaamshelft is felgeel tot oranje, met een prachtige tekening van rode en witte strepen/punten op de kaken. Ook in de rugvin vinden we in de richting van de vinstralen rode strepen terug die op het uiteinde blauw uitlopen of blauw afgezoomd zijn aan één zijde. De borstvinnen zijn lichtblauw en onderaan donkerblauw tot zwart afgezoomd.Het mannetje wordt ca. 8 cm, het vrouwtje blijft met 5 cm wat kleiner, een echte dwergcichlide dus. Meteen ook het eerste geslachtsonderscheid. Het vrouwtje heeft bovendien al die kleurenpracht niet en toont een gele onderste lichaamhelft, gescheiden van een vuil grijze/beige bovenste helft door een volle of onderbroken zwarte streep. De eerste twee vindstralen van de rugvin zijn zwart en ook door het oog loopt over de kieuwen een zwarte streep. Waar zich bij het mannetje in de staartwortel een prachtige, felrode vlek toont, bevindt zich bij het vrouwtje een zwarte vlek. Onder de rugvin en over de lengte ervan, kon ik bij mijn vrouwtjes ook een 5-tal zwarte vlekken opmerken.


 
Calloplesiops altivelis, de rifwachter
Bruno Lemer - De Minor Rupel-Vaartland vzw
074
Wat betreft de naamgeving duidt Calloplesiops er op dat hij lijkt op het nauw verwante genus Plesiops. Callo betekent magnifiek; altivelis wijst er op dat de vinnen hoog zijn. Het wordt dus: “de prachtige vis met hoge vinnen die lijkt op vertegenwoordigers van het genus Plesiops”. Nu, als we het dier nader bekijken, merken we meteen dat het zijn naam absoluut niet gestolen heeft. Steindachner was ook deze mening toegedaan, want hij beschreef zijn vangst – van het eiland Nias afkomstig – dan ook oorspronkelijk als Plesiops altivelis.
Ook de triviale naamgeving is typisch. Zo noemen hem de Fransen “Betta de Mer” niet enkel wegens de vinnen, maar vooral wegens hun soms intraspecifieke gevechten. De Engelsen volgen hen hierin gedeeltelijk met “Saltwater Betta” en “Comet”. De Duitsers zijn er zo over verwonderd dat ze hen naar hun uiterlijk “Mirakelfisch” noemen.
Hun biotoop is vrij uitgebreid en omvat de riffen rond het eiland Nias bij Sumatra, het zuidelijk deel van het Ryukyu archipel bij Japan, de Chinese Zee, de Filippijnen en het oosten van Afrika met hierbij ook de Rode Zee. Dit vormt wel een indrukwekkend deel van de Indische- en een groot deel van de westelijke Stille Oceaan. Het mag ons echter niet verwonderen dat er nog vindplaatsen bijkomen wegens de verborgen levenswijze en de fantastische mimicry (zie verder).
Daar men hier aanvankelijk niet van op de hoogte was en men maar enkele vindplaatsen kende, was de vis zeer zeldzaam en daardoor hooggeprijsd. Dat zijn verborgen levenswijze in de schemering en zijn camouflagetrucjes hiervoor debet waren, staat buiten kijf. Verschillende vondsten werden vroeger dan ook wegens de nogal gebrekkige communicatie afzonderlijk beschreven. Steindachner vond zijn exemplaren in 1903 op de riffen van het eiland Nias. Fowler & Bean verwierven exemplaren uit de Filippijnen en Indonesië en dachten niet enkel nieuwe soorten ontdekt te hebben maar ook een zustergenus. Ze noemden het Calloplesiops met Calloplesiops niveus al type soort en brachten het samen met een tweede nieuwe soort: Calloplesiops argus, er in onder. In 1956 werd een rond het eiland Abulat in de Rode Zee gevonden exemplaar als nieuwe soort onder de naam Calloplesiops abulati beschreven door Roux-Estève.In 1952 beschreef de Zuid Afrikaan J.L.B. Smith een nieuwe soort onder een nieuw genus: Barrosia barrosi uit de omgeving van het eiland Mozambique. Latere studies wezen uit dat Calloplesiops niveus; C. abulati en Barrosia barrosi in feite identiek zijn met, en dus synoniem zijn van Calloplesiops altivelis. (voor de argus, zie verder).


 
Pantoffeldiertjes
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
078
Het zal u straks wellicht verbazen dat nergens in dit artikel de familie vermeld wordt waartoe het genus Paramecium behoort. Dat is zo, omdat het momenteel nog onmogelijk is. Men is er immers nog steeds niet in geslaagd om een perfecte systematiek uit te dokteren, waarin het pantoffeldiertje past.
Zo bestaat "één" van de Paramecium-soorten zelf mogelijk nog eens uit veertien soorten. Ja, u leest juist: "soorten"! Deze veertien, mogelijk meer, soorten zijn praktisch niet van elkaar te onderscheiden, maar zijn toch onderling niet kruisbaar. Dit verschaft deze "soort" dan ook in feite de status van genus, waardoor het genus dan weer tot familie gepromoveerd hoort te worden.
Dat is dus geen spek voor onze bek, maar voer voor de specialisten in de taxonomie, een meer wetenschappelijke aanduiding voor de systematiek.
Dikwijls wordt op de ééncelligen nogal eens neergekeken. Misschien omdat ze slechts uit één luttel celletje bestaan. Dergelijke houding is echter een grove misvatting! Waar de meercelligen door gespecialiseerde cellen hun vorm en functies op- en uitbouwden, zo ontwikkelden deze wimperdiertjes of Ciliata hun éne cel zo comfortabel en efficiënt mogelijk uit. Dat ook deze opvatting niet te versmaden is, blijkt uit het feit dat deze wezentjes, al staan ze dan op de eerste of laagste trap van de ontwikkeling, een evolutie van ruim één miljard jaar zonder kleerscheuren doorstonden.
Natuurlijk moeten we bij hen geen ingewikkelde levenssystemen verwachten. Meestal echter is juist de eenvoudigste oplossing ook de geniaalste.
Vooraleer verder te gaan, is het wellicht beter om het lichaam van ons onderwerp even onder de loep te nemen.

 
  BBAT-informatief 082
  VOEDSELGIDS Kakkerlakken, Blatidae (deel 1)  
Top