Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 05 - Mei 2009
 
ISSN 1372-6501
Corydoras delphax
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
114

Corydoras delphax Nijssen & Isbrücker, 1983 (taxonomisch serienummer: 679806) behoort tot de familie van de Callichthyidae, de pantsermeervallen en tot de subfamilie van de Corydoradinae. Het genus Corydoras werd voor het eerst vastgelegd door Lacepede. Hij wordt ongeveer 7 cm groot, een iets grotere Corydoras-soort dus met ook een iets langere kopvorm dan we gewend zijn, waardoor verwarring met het genus Brochis zou kunnen ontstaan. Het genus Corydoras bezit echter “maar” 6 tot 8 rugvinstralen en is daarmee goed te onderscheiden van Brochis die er wel 10 tot 17 heeft. Ook wordt hij wel eens de “valse blochi” genoemd, omdat je C. delphax, als je ze niet naast elkaar ziet, op het eerste zicht zou kunnen verwarren met Corydoras blochi.

Corydoras delphax heeft, net zoals alle andere, een kleine vetvin tussen de rug- en aarsvin. Deze bestaat, afwijkend van de andere vinnen die uit harde en zachte vinstralen bestaan, uit een huidachtige substantie. De rugvin bezit, net zoals de borstvinnen, als eerste een harde, stekelige vinstraal. De punt ervan is zeer scherp en kan de verzorger, bij ondoordacht handelen met de vis, een kwalijke kwetsuur bezorgen. Je moet trouwens zelf niet proberen om deze gespreide rugvin neer te plooien. Daar is ten eerste geen enkele reden toe maar, meer nog, de eerste vinstraal wordt door een vergrendelmechanisme geblokkeerd, wat enkel door de vis zelf weer gedeblokkeerd kan worden. Twee redenen dus om goed op te letten als men corydorassen met de hand zou uitvangen of behandelen. Bij zo’n kwetsuur voelt men eerst een brandende pijn in de wonde die later rood zal uitslaan. Desondanks dat het hier een zwak gif betreft, dient toch de nodige nazorg aan de wonde te worden besteed.

 

Colisa labiosa
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
120
Wat leert ons de wetenschappelijke naam? Colisa is als genusnaam afkomstig van de inlandse bevolking. Zij spreken echter  van “Kholisha”. Labiosa is dan weer potjeslatijn, want “labeosa” is de vrouwelijke vorm om aan te geven dat het onderwerp dikke lippen bezit. Dus de Nederlandse vorm is er niet naast. Vergist u zich niet dames, maar deze vissen kenden in hun evolutie nog geen “BOTOX”. Vooral het “mansvolk” heeft dikke lippen. Zij zijn immers de blaasjesmakers. Speciaal is wel, dat na de eerste paringsessie mijnheertje zijn lippen nog dikker worden.
Ik ga hun kleuren- en strepenpatroon hier nu niet beschrijven. De illustratie toont het u en ik ben geen schilder om hun kleurnuances correct onder woorden te brengen. Met een lengte van 10 cm zijn het nogal grote dwergen.
We treffen ze vooral aan in Midden- en Noord-India in diepe, meestal traag stromende waters in verbinding met rivieren en in periodiek ervan afgesloten poelen en plassen. In dit laatste geval zijn de temperatuurschommelingen enorm tijdens de veranderende jaargetijden. In de zomer drogen enkele totaal op wat voor alle een triest einde betekent. Ze hebben zich ook aan de mens aangepast en veroverden zelfs de kleine irrigatiekanalen en de sawa’s (rijstvelden). Na de oogst worden ze hier uitgevangen en gaat gedroogd en gepekeld als hapje naar de plaatselijke markt.In hun natuurlijke biotoop is de temperatuur sterk seizoengebonden. Tijdens de zomertop bereikt ze vlot 32 °C, om tijdens het koude seizoen af te zwakken tot 18 °C. De lagere temperaturen hebben hun nut, want tijdens deze rustperioden wordt de basis gelegd voor de productie van eieren en hom. Misschien wijst dit erop dat we in het aquarium deze seizoenschommelingen best eens nabootsen.

 
Soortvorming in het algemeen
Gustaaf Suykerbuyk - Barbus Antwerpen
124
Het Tanganyikameer, met zijn meer dan 200 cichlidensoorten, is voor biologen een zeer belangrijke onderzoeksbron. Omdat het een geïsoleerde biotoop vormt, is het uitermate geschikt om begrippen zoals soortvorming te bestuderen.
Toen Darwin 150 jaar geleden zijn evolutietheorie voorstelde, gebaseerd op zijn waarnemingen op de Galapagos-eilanden, was dit een echte wetenschappelijke revolutie. Wat begon met de studie van de diverse vinkensoorten op deze eilanden, leidde tot de stelling dat ook de mens een evolutieproduct is die met de aap gemeenschappelijke voorouders heeft.
Ondanks vele protesten en bezwaren, vooral van religieuze oorsprong, staat deze theorie nog altijd als een huis. De studie van fossielen leverde sterke bewijzen, maar nu geeft de moderne wetenschap met de genetica, de studie van de erfelijkheid, nog extra bewijskracht. Het is dan ook eigenaardig dat, ondanks de overweldigende bewijzen, er een opleving is van het creationisme, scheppingsverhalen met religieuze inslag.
De peilers waarop evolutie steunt zijn kort en bondig: toeval en variatie. Zo blijken menselijke activiteiten en klimaatveranderingen invloed te hebben op de moderne evolutie van soorten. De massale visvangst op zee, waarbij systematisch de grootste exemplaren worden weggevangen, leidt naar een natuurlijke kweek met vroegrijpe kleinere individuen. De kleinere soortgenoten komen nu in het voordeel bij de voortplanting en dat beïnvloedt de evolutie van de soort. Een ander voorbeeld vormen ratelslangen: hun belangrijkste vijand is de mens. Snel en luid ratelende slangen “verraden” zich het snelst en worden vlugger opgemerkt (en gedood). Zo’n situatie geeft een evolutionair voordeel naar minder snel ratelende individuen.Ook klimaatveranderingen hebben een impact op de evolutie van soorten, zo o.m. op trekvogels. Door de recentere warmere winters is een verre trek naar het zuiden niet altijd meer noodzakelijk. Minder ver trekkende specimen sparen veel tijd en energie en komen zo geleidelijk in het voordeel!


 
Vriesea
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
130
De genusnaam levert geen informatie betreffende de plant daar dit een eerbewijs is aan W. H. de Vriese die medio de negentiende eeuw hoogleraar was aan de universiteiten van Amsterdam en Leiden.
Vriesea telt tweehonderd natuurlijke soorten afkomstig uit Midden- en Zuid-Amerika. Dat al deze soorten niet in cultuur zijn, is vrij logisch. De kwekers hebben er – desondanks – wel voor gezorgd dat een ruim aanbod van hybriden ter beschikking staat.
Als ik naar de planten uit mijn eigen verzameling kijk, moet ik de naamplaatjes controleren om zeker te zijn welke tot dit genus behoren. Nergens in de talrijke familie van de Bromeliaceae vindt men een dergelijke verscheidenheid qua kleur en tekening op de bladeren. Ook de bloeiwijzen zijn kleurrijk en bizar van vorm.
Meestal is deze variatie te wijten aan de standplaats van de originele voorouders.
De exemplaren die in de boomkruinen huizen, staan in het volle zonlicht en staan ook bloot aan regen en wind. Ze worden gekenmerkt door dikke, grijzige leerachtige bladeren. Onder deze en hun bastaards, vindt men de als kamerplant best geschikte soorten.
Lager op de gastboom is het licht schaarser. Om dit te verhelpen bezitten ze dunne, lichtgroene buigzame bladeren. Op hun standplaats is de luchtvochtigheid beduidend hoger.
Deze typen zijn daarom minder geschikt voor de vensterbank en horen veeleer in een serre of een warm, vochtig terrarium thuis. Bijkomend voordeel is dat ze tegenwoordig ook als “mini” (Aquariumwereld 60/07-08:182 – “Mini Bromeliaceae” - Fernand Verbeeck) worden aangeboden en dus zeer geschikt zijn voor een epifytentak of dito boom.
Onder de laagst geplaatsten of in de bodem wortelende Vriesea vinden we ware reuzen.
Vriesea hieroglyphica is één meter vijftig hoog en reikt zijdelings even ver.
Gelukkig kweekt men vandaag de Vriesea “RoRo” (vroeger bekend als “Marginata”), een cultivar van Vriesea saundersii x platynema die even mooi is, maar heel wat minder imposant.
Vriesea imperialis spant echter de kroon met bladeren van anderhalve meter. Na enkele jaren produceert de kanjer dan nog even een bloeiwijze die vlot vijf meter hoog kan worden.Gelukkig hebben de huidige kwekers de afmetingen ruim verminderd. Meer nog: de “mini”s worden, bloeiwijze incluis, amper twintig centimeter hoog. Mijn ervaring is dat deze “lilliputters” zich als dusdanig nakweken door de vorming van scheuten.Zoals bij de andere leden van de familie moeten we voor ogen blijven houden dat een bloeiend exemplaar zijn laatste levensperiode heeft bereikt.


 
Roze waterlelies (slot)
Guido Lurquin
132
In dit tweede deel gaan wij verder met ons overzicht van roze waterlelies. Het zijn variëteiten die vooral bruikbaar zijn voor middelgrote en kleine vijvers. De laatste zijn speciaal geschikt voor kuipen en tonnetjes.

Nymphaea 'Pink Opal' (foto)
Werd bekomen door Helen Fowler in 1915. De wortelstok is van het type odorata. De bloemknoppen hebben een typische kegelvorm en vertonen al kleur. De komvormige kleine bloemen meten 8 tot 10 cm. De koraalroze kroonbladeren zijn lepelachtig, breed en hebben een punt. De kelkbladeren vertonen langs de buitenzijde groentinten en hebben een roze rand. Langs binnen zijn ze dieproze. De buitenste meeldraden zijn breed en glad, roze met lichtgele top. De binnenste zijn lichtgeel. De stempel is geel met donkeroranje stempeltakken. De geur is aangenaam zoet. De bladeren zijn bijna rond en de basaallappen overlappen meestal aan de sinus. Met een maximale bladspreiding van 1 m en een ideale waterdiepte van 15 tot 30 cm voldoet deze lelie voor kleine en mini vijvertjes. Zij bloeit goed en de bloemen zijn goed bruikbaar als snijbloem. Deze waterlelie ziet er teer uit maar doet het goed. De bloemen worden 8 à 20 cm boven water gehouden. De bloemen blijven vaak zeer laat open.


  BBAT-informatief 138
  VOEDSELGIDS Kakkerlakken, Blatidae (slot)  
Top   Mosselkreeftjes, Ostracoda