Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 06 - Juni 2009
 
ISSN 1372-6501
Schijfzalmen voor beginners
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
142

Een school schijfzalmen, zoals bv. de “silver dollar” of de “red hook”, is een lust voor het oog in het aquarium. Al dient wel gewaarschuwd dat ze in het wild tot de aquariumversie van sprinkhanen kunnen verworden. Ze vormen er dan grote scholen die met hun messcherpe, lateraal zeer plat samengedrukte lichaam, alles doorklieven op zoek naar wat eetbaars. Hoofdzakelijk is dat groenkost, maar wie honger heeft, eet alles… Ze staan niet voor niets het dichts tegen de piranha’s, al hebben ze daarbij vooral hun uiterlijk tegen, want in tegenstelling tot deze laatste, zijn het geen echte carnivoren.
De familie der Characidae, oftewel de karperzalmen, kent meer dan 1200 soorten waarvan wij enkel de meest bekende, populaire en soms spectaculaire aquariumsoorten kennen, zoals bijv. de neons en de kardinaaltetra's. Schijfzalmen behoren ook tot de Characidae, maar tot de subfamilie der Serrasalmidae. Deze genusnaam komt van de gezaagde, kielachtige “richel” die over de buiklijn (en bij sommige soorten ook over de rug) loopt (serra betekent “gezaagd” en salmus betekent “zalm”) om het lichaam gestroomlijnder te maken. Omdat de wetenschap er nog niet uit is, is het niet precies bekend uit hoeveel soorten deze groep vissen bestaat. Wetenschappelijk onderzoek (DNA-onderzoek, studie van parasieten die piranha's als gastheer gebruiken, morphologie, enz...) brengt bovendien nog geregeld nieuwe feiten aan het licht. Voor zover momenteel bekend zijn er ca. 40 verschillende soorten Serrasalmidae.

Deze subfamilie bestaat dan weer uit een aantal genera: Pygocentrus, Serrasalmus, Pristobrycon, Pygopristis, Metynnis, Myleus, Catoprion en Colossoma en nog enkele andere. De drie soorten uit de eerste groep kennen we populair onder de verzamelnaam "echte piranha's". De leden uit het genus Serrasalmus worden ook wel “pirambeba's” genoemd. Daar gaat deze tekst dus niet over.

 

Belgies kant, Iriatherina werneri
Bert Polling vanuit Zuid-Afrika
150

De oproep van een vriend in Pretoria, bekend met mijn liefde voor interessante vissen, kwam vanuit een aquariumwinkel en ging, na de gebruikelijke formaliteiten, min of meer als volgt: “Ek staan hier vir ʼn vistank met die oulikste klein vissies. Die naam op die tank is “Threathfin Rainbow’s”. Soek jy van hulle?”. (Ik ben in een aquariumwinkel en die hebben hele leuke kleine visjes. Hun naam is “Threathfin Rainbow’s. Wil je die graag hebben?). Aangezien ik Iriatherina werneri enkel maar van foto’s kende, was het antwoord dus bevestigend. Zo verhuisden er dan tien (vier mannetjes en zes vrouwtjes) I. werneri naar een aquarium van mijn vriend. Die heeft ze een tijdlang verzorgd tot er een gelegenheid kwam om ze naar mij door te sturen. Hier in Pietersburg werd intussen een apart aquarium voor hen in orde gebracht en hun aankomst met belangstelling tegemoet gezien.

Aangezien we al een afspraak hadden met een aantal andere aquariumvrienden uit Pretoria om een weekeinde op visite te komen, werden die gevraagd om de visjes mee te brengen en hoefde ik niet te lang te wachten op hun aankomst. Zo kon ons avontuur met I. werneri dan ook beginnen. Ze kwamen op een vrijdagavond bij ons aan en werden uiteraard direct volgens de bekende druppelmethode naar hun nieuwe omgeving overgebracht. De volgende morgen ging iedereen natuurlijk gauw even kijken of alles in orde was en het was toen één van de dames in het gezelschap twee mannetjes “werneri”  tegen elkaar zag pronken, dat ze opmerkte: “Het lijkt wel Belgies kant!”. En die naam wilde ik graag met u delen.

 
Hygrophila difformis of de vaantjesplant
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
154

De vaantjesplant behoort al tientallen jaren tot het vaste assortiment planten dat je in de aquariumwinkels aantreft. Ze zijn dan ook relatief gemakkelijk te houden en hebben een zeer opvallend uitzicht. In het aquarium kun je er alle kanten mee uit. Plant ze echter altijd in een groep(je) van minstens vijf stengels. Dergelijke groep past het best in de middenzone, maar je kunt er evengoed een schuin oplopend straatje mee maken. Of, waarom niet gebruiken als blikvanger? Met hun speciale bladvorm en lichtgroene kleur kan een klein bosje, dat geplant wordt tussen andere laag blijvende soorten, hiervoor perfect dienen. Je merkt het, het is een plant met veel mogelijkheden!
In de grote biologische stamboom behoort Hygrophila difformis tot de familie Acanthaceae. De wetenschappelijke benaming “difformis” betekent vrij vertaald “tweevormig” en verwijst naar de twee totaal verschillende bladvormen die de plant kan hebben. De plant is bij aquarianen populair omwille van de diep ingesneden onderwaterbladeren, maar emers vormt de plant kleinere, volle en ovale bladeren met een lichtjes gekartelde rand. Het zijn duidelijk twee verschillende bladvormen, waardoor de term “tweevormig” zeker op zijn plaats is. Gelukkig voor de aquariumliefhebber is de onderwatervorm veruit de mooiste. De emerse bladvorm kun je af en toe ook in het aquarium zien. Dit gebeurt bijvoorbeeld als de licht- of de wateromstandigheden drastisch wijzigen. Na een grote waterverversing ontwikkelde de plant in mijn aquarium plots enkele volle bladeren en pas later kwamen de ingesneden bladeren weer tevoorschijn.

De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Azië en is bijgevolg een must voor de liefhebbers van het Aziatisch biotoopaquarium. Meerbepaald wordt hij aangetroffen in Thailand, India, Myanmar en Maleisië. In zijn natuurlijke biotoop groeit Hygrophila difformis in moerasgebieden. Het is een plant die zowel emers als submers kan groeien. Het is dus van oorsprong geen echte waterplant, maar een plant die zich perfect kan aanpassen aan het onderwaterleven. Bloemen worden enkel op de emerse exemplaren gevormd en zijn paars van kleur.
 
Calopterix splendens, de weidebeekjuffer
Guido Lurquin
158

Als feeën niet bestaan dan zijn er in ieder geval wezens die er erg veel op lijken. Wie de kans heeft baltsende beekjuffers gade te slaan begrijpt al vlug een stukje van de wondere fantasiewereld van de sprookjes. Hun dartele gefladder met zoveel gratie neemt ons mee naar een leven in beken, bossen en weiden.

Vrij weinig libellen en waterjuffers zijn aangepast aan het leven in stromend water, de meeste verkiezen kalm water. Beekjuffers zijn echter typische beekbewoners. Dat geldt ook voor hun neefjes, de bosbeekjuffers, die leven vooral in de bovenlopen van de rivieren. Weidebeekjuffers zijn eerder aan de middenlopen te vinden. De aanwezigheid van deze juffers is een goed teken voor de reinheid van het water en de omgeving. Soms komen ze onze tuinvijvers een bezoekje brengen.Met hun lengte van 45-49 mm lang en een vleugelspanwijdte van 6 tot 7 cm zijn het grote waterjuffers. De weidebeekjuffer is te verwarren met de bosbeekjuffer, waarmee hij samen voor kan komen. De vleugels van mannetjes bosbeekjuffer zijn helemaal donker en die van de weidebeekjuffer aan de basis en de top doorschijnend. De top en basis van de vleugels zijn dus niet gekleurd. Het lichaam is metaalachtig groenblauw. Bij de vrouwtjes zijn de vleugels egaal bruingroen getint. Het onderscheid met de vrouwtjes van bosbeekjuffer is niet zo duidelijk. Bij de vrouwtjes weidebeekjuffer zijn de vleugels groenig en bij levende exemplaren zijn alle vleugeladers metaalachtig groen. Het pterostigma ligt vlak bij he vleugeleinde. Bij bosbeekjuffervrouwtjes zijn de vleugels meer bruinig en zijn de meeste vleugeladers lichtbruin. De jonge weidebeekjuffers hebben nog niet zo veel kleur, maar kleuren later bij.

 
Gyrinus natator, het draai- of krioelkevertje
Ruda Rybnicfan & Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
163
Toen Fernand het klad van mijn tekst onder ogen kreeg, zei hij lachend dat het vijgen na Pasen betrof omdat een Vlaamse priester-dichter dit schepsel reeds lang geleden had beschreven en dat hij het gedicht ervan in bijlage zou toevoegen. Toen we de poëtische tekst ervan samen doornamen, moest ik toegeven dat deze geestelijke een goede waarnemer was.
Het “zwart” van Gezelle blijkt bij nader toezien wel een zeer donker, glimmend staalblauw te zijn.
Het Latijnse woord “natator” betekent zwemmer en geeft perfect aan dat het kevertje zich in elke waterlaag thuis voelt. Een woord voor een wezen dat leeft in het water, op het land en in de lucht kent het Latijn blijkbaar niet.
In tegenstelling tot de schaatsenrijders uit de familie der Gerridae* maken ze geen gebruik van de oppervlaktespanning om zich boven water te handhaven.
Tijdens het zwemmen kunnen ze, wat onderzijde en poten betreft, niet bogen op een waterafstotende laag. De bovenzijde daarentegen is wel van zulk materiaal voorzien. Dit lijk niet erg logisch, maar is het wel. De dekschilden en de eronder opgevouwen vleugels mogen immers nooit vochtig worden. Zeker bij het plots duiken bewijst deze laag haar dienst. Tijdens deze duik nemen ze aan het achterlijf bevestigd een luchtbelletje mee om als luchtvoorraad te dienen. Onder water grijpen ze zich met de langere voorpoten vast aan de waterplanten om te beletten dat de opwaartse druk hen terug naar boven jaagt.
Voor het gevaarlijke leven op en in de bovenste waterlagen bezitten deze, maar maximaal zeven millimeter grote kevertjes, specifieke, soms verbazende eigenschappen.


  BBAT-informatief 166
  VOEDSELGIDS Mosselkreeftjes, Ostracoda (2)  
Top   Zadenkevers, Bruchidae