Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 07-08 - Juli-Augustus 2009
 
ISSN 1372-6501
Over labyrintvissen...
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
170

In onze aquariumhobby zijn vele keuzes mogelijk. Zo zijn er liefhebbers die zich uitsluitend bezighouden met het verzorgen en kweken van labyrintvissen, algemeen goerami’s genoemd. In dikwijls heel fraaie, speciaal voor deze soorten ingerichte aquaria, houdt men dan vissen van de genera Colisa of Trichogaster; kortom uit de familie der echte labyrintvissen: de Osphronemidae. De echte goerami's vormen een familie van baarsachtige zoetwatervissen. Ze worden aangetroffen in Azië, van Pakistan en India tot Maleisië en Korea. Enkele soorten uit deze familie broeden hun eieren uit in hun bek, de meeste andere bouwen een schuimnest. Er zijn ongeveer 90 soorten gekend, onderverdeeld in vier onderfamilies en vijftien genera. De Osphronemidae hebben door het gebrek aan voldoende zuurstof in de waters waar ze leven, een speciaal orgaan ontwikkeld om lucht van het wateroppervlak te kunnen opnemen en daaraan zuurstof te onttrekken. Dit heet het labyrintorgaan en het bevindt zich bij deze vissen bovenop de kop tussen de ogen. De meeste goerami’s bouwen bovendien schuimnesten met de lucht die zij in hun labyrintorgaan hebben opgenomen.

 

Trichogaster leerii, de diamant-, mozaïek- of parelgoerami
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
176
Vooral de Nederlandse nomenclatuur levert ons heel wat details op over het dier in kwestie.                          “Labyrintvissen” geeft aan dat ze over een hulporgaan beschikken wat hun toelaat ook atmosferische lucht in te ademen. Dit is in ondiep, warm water, dat uiteraard weinig zuurstofrijk is, geen overbodige luxe. “Draadgoerami” verwijst naar de twee lange tastdraden die zich ter hoogte van de borstvinnen bevinden. Deze draden zijn zeer lang, beweeglijk en bevatten naast tastsensoren bovendien nog smaak dito’s. In de Nederlandstalige literatuur spreekt men van “diamantgoerami” terwijl de Engelsen het bij “pearlgoerami” of parelgoerami houden. De Duitsers houden het bij “mosaikgoerami” wat ook een treffend beeld geeft van hun tekening. Het doet weinig ter zake. De drie sierstukken geven de pracht van hun verschijning uitstekend weer. Normaal gelijken de vlekken op parels, maar tijdens de paring schitteren ze vooral bij de man als diamanten. In een schaars beplant vivarium vertonen ze zelden hun volle kleuren.
Deze labyrinten werden door Bleeker beschreven als Trichopus leeri in zijn eerstbeschrijving: Diagnostische beschrijvingen van nieuwe of weinig bekende vissoorten van Sumatra. Tiental I – IV in het Natuurkundig Tijdschrift Uit Nederlands Indië 3: 569-608
Bleeker heeft in 1852 de vis in zijn teksten herhaaldelijk een andere naam gegeven. Het begon met Trichopus leerii, later kwam Trichopodus leeri waarna hij op de nu aanvaarde naam overstapte. Voor de afwisseling schreef hij hierbij dan nog eens leeri en leerri. De soortbenaming was een eerbetoon aan J.M. van Leer.
Het geslachtsonderscheid is eenvoudig vast te stellen. De rugvin is bij de man wimpelvormig sterk verlengd en ook de vinstralen van de anaal- en de staartvin zijn langer. Bovendien is bij hem het rode of oranje gedeelte veel intenser van kleur.
De lange kielvormige vin onderaan het sterk samengedrukt lichaam, is de ver naar voor doorlopende anaalvin en bevat voor een maximale vislengte van ca. 14 cm wel 25 tot 30 harde vinstralen. Een zwarte, onduidelijk afgelijnde lengtestreep, die de middellijn volgt, ontstaat bij de staartwortel en loopt tot aan de lippen na de pupil van het oog gecamoufleerd te hebben. Een dergelijke streep waarin de pupil schuilgaat, dient bij veel vissen om predatoren, die de ogen viseren, te verschalken.In de vrije natuur hebben ze een uitgesproken voorkeur voor kalm, ondiep, stilstaand of zacht stromend water. In het aquarium houdt men ze best samen met andere kalme, vredelievende vissen. In het gezelschap van een stel druktemakers, zoals barbussen en danio’s, trekken ze zich in een hoekje terug. De aanwezigheid van twee mannetjes kan wel voor opstootjes zorgen. De vissen als koppel in het gezelschapsaquarium verzorgen kan, maar een schooltje van 6 in een groot vivarium is beter. Bij een karige beplanting zijn ze echter nogal schuw.


 
Labyrint en schuimnestbouw
Staf Suykerbuyk - Barbus Antwerpen
182
Als we vissen associëren met hun ademhaling, dan gaan we onmiddellijk de kieuwen aanduiden als hun typische ademhalingsorganen. Deze kieuwen bestaan meestal uit 5 paar kieuwspleten, open bij kraakbeenvissen zoals haaien, afgedekt door kieuwdeksels bij beenvissen. Binnen deze kieuwspleten liggen de gebogen beenstructuren, de kieuwbogen. Ze vormen het geraamte van de kieuwen. Op deze bogen bevinden zich zachte, bloedvatrijke huidplooien, de eigenlijke kieuwen. Achteraan zitten zeer fijne en sterk geplooid plaatjes, de kieuwlamellen of kieuwplaatjes die de feitelijke oppervlakte van de kieuwen immens verhogen. Ze maken het mogelijk dat er veel en snel zuurstof kan opgenomen worden en koolzuurgas afgescheiden.
De richting van de bloedsomloop in de haarvaten (zeer fijne adertjes) van de lamellen is tegengesteld aan die van het instromend ademwater. De zuurstofopname werkt dus volgens het fysisch fenomeen van het tegenstroomprincipe. Hierdoor kunnen hoge concentraties gas uitgewisseld worden en zo kan tot 80 % van de opgeloste zuurstof uit het ademwater opgenomen worden.
Dit is natuurlijk een zeer algemene voorstelling van zaken, maar het toont aan dat kieuwademhaling zeer efficiënt is. Zeevissen beschikken over een min of meer stabiele zuurstofbron omdat het zeewater bijna overal een gehalte aan zuurstof heeft van 5 tot 8 cm3 per liter en dat blijkt voldoende. Zoet water is echter wat anders: hier zijn de waarden sterk schommelend. Een goed beplant en doorlucht aquarium met zoet water heeft ongeveer 7 cm3 opgeloste zuurstof per liter water. Dat is een hoge waarde die in de natuur slechts zelden gehaald wordt. Men begrijpt dat hier gemakkelijk problemen kunnen optreden. De atmosferische lucht bevat daarentegen 21 % zuurstof en vormt een constante zuurstofbron.
Heel wat zoetwatervissen hebben dan ook een bijkomend (accessoir) ademhalingssysteem ontwikkeld waarbij deze atmosferische lucht gebruikt wordt.
Dit stelt hen in staat in een biotoop, waar het zuurstofgehalte van het water extreem laag is, te overleven of deze te veroveren. Meestal zijn dat stilstaande, ondiepe waters die dikwijls sneller opwarmen dan normaal, soms ook sterk verontreinigde waters.Zo hebben longvissen longen ontwikkeld, sommige groepen kennen zwemblaasademhaling en andere, zoals de corydorassen, darmademhaling. Nog andere ontwikkelden een labyrint. Dit labyrint willen we nu wat uitvoeriger bespreken.

 
Colisa lalia, de dwerggoerami
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
186
Even nagaan of de wetenschappelijke en de triviale benaming ons iets meer over hen leert. Dit blijkt maar bitter weinig, Colisa en lalia zijn inlandse namen en geven weinig weer. Lalia heeft als grondwoord het inlandse “lala” wat een vorm van minachting weergeeft.
Het zijdelings sterk samengedrukt lichaam is handig om in dicht begroeid water of in een rijstveld tussen de planten te kunnen laveren. De rug- en de anaalvin (1) zijn praktisch even lang, de buikvinnen zijn bij hen ook tot lange tastdraden vergroeid.
We beschrijven best eerst even het mannetje, want hij is immers de knapste. Hij is schuin achteroverhellend gestreept in een afwisseling van iriserend groen, blauw en rood. Dezelfde kleurschakeringen vinden we terug in de staart en anaalvin. Het betreft hier veeleer vlekken die groter worden in de richting van het lichaam en verkleinen naar buiten toe. Alle vinnen zijn rood omzoomd. De keel en de aanzet van de borst zijn loodgrijs. De blauwe kleur van de dwarse strepen komt ook voor op de zijkant van de borst tot de aanvang van de anaalvin en op de kieuwdeksels. Voorts wappert hij vrolijk met zijn spitse, waaiervormig verlengde, rugvin.De kleuren bij het vrouwtje zijn matter, vertonen minder contrast en de strepen zijn veeleer onduidelijk. De anaalvin vertoont onduidelijke fletsgroene vlekjes. De groene vlek in het midden van de staartwortel is wel duidelijk afgelijnd. De staartvin is grijs en de afgeronde rug- en anaalvin zijn geel gezoomd. Het vrouwtje is dus heel wat minder opvallend van voorkomen. Dit is nochtans een voordeel. De kleurige mannetjes vallen daardoor gemakkelijker aan predators ten offer. De vrouwtjes zijn hier duidelijk voornamer om de soort in stand te houden. Het decimeren van de mannetjes heeft ook voordelen. Door deze natuurlijke selectie blijven slechts de snelste en sluwste over en geven hun goede eigenschappen door aan hun nakomelingen.

 
Betta unimaculata, de grote kempvis
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
192
Oorspronkelijk droegen ze de naam Parophiocephalus unimaculatus (Popta, 1905: Notes from the Leyden Museum v. 25 (note 15): 171-186)). Het eerste deel verwijst ernaar dat ze iets aan hun hoofd hebben, het tweede leert ons dat het maar één enkele vlek betreft. Deze vlek is bronskleurig en prijkt op het hoofd van de man.
Vergeleken met andere, vaak zeer kleurrijke, soortgenoten zijn dit veeleer grijze muizen. Dat heeft ook zijn voordelen. Wie in ondiep, helder water, zonder beschutting van planten met vele kleuren staat te pronken, is vaak geen lang leven beschoren. Hun metaalkleurige schubben weerkaatsen bovendien het licht zodanig dat ze vrijwel niet op te merken zijn. De grondkleur van de vrouwtjes en de jongen is bruin met op de middellijn een donkere band die eindigt in een zwarte vlek. Met hun maximale lengte van 12,5 cm is de naam “grote kempvis” zeker niet overdreven. In het aquarium wordt hij meestal maar 10 cm.
De soort leeft in het vlakke gedeelte van bergbeken in Noord-Borneo en is met zijn torpedoachtige lichaamsvorm moeiteloos in staat om tegen de stroomversnellingen op te tornen en op “zalmenmanier” zelfs kleine watervalletjes te overwinnen.
Indien u van mening bent dat er maar enkele vissen tot de “kempvissen” gerekend worden, heeft u het mis. In mijn documentatie bezit ik circa 60 soorten. Hoe komen ze nu aan die naam? De bewoners van Java spreken van “Ikan wader bettah”. Bettah staat hier dan voor “strijder”. Als we hierbij aan Betta splendens denken is dat terecht.Betta unimaculata is echter nogal vredelievend. Als een mannetje het waagt het territorium van een buur te betreden, wordt hij door de heer des huizes verwelkomd met opengesperde muil en opgezette vinnen. Veel heeft dat allemaal niet te betekenen. Ze draaien op hoge snelheid een paar rondjes om elkaar heen en ieder trekt zich terug. De territoria zijn ook niet bepaald groot. In een aquarium met een lengte van 60 cm en een inhoud van ongeveer 100 l, zijn tussen twee koppels praktisch geen schermutselingen te verwachten doordat hun territorium elkaar dan amper raakt. Ondergeschikte mannen houden zich tussen de beplanting gedeisd. In de natuur springen deze sukkelaars om aan hun belagers te ontsnappen eventjes boven het water uit. Dus goed sluitende dekruiten zijn hier geen overbodige luxe.


Paradijselijk mooi...
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
196
Kan een vis zo mooi zijn dat men die reeds bij de eerst aanblik “paradijsvis” noemt? Het overkwam in 1869 een labyrintvis uit China Macropodus opercularis (Linnaeus, 1758). Meteen markeerde dit het beginpunt van een succesvolle Europese entree van een geheel nieuwe aquaristieke familie en al snel veroverden meerdere goerami’s de harten van vele aquarianen.
De paradijsvis is beslist één van de meest bekende aquariumvissen die de populariteit van het aquariumhouden mee bepaald heeft. Na de goudvis was dit de eerste tropische aquariumvis die in onze contreien zijn opwachting maakte.
Hij werd reeds in 1869 door een Franse consul naar Parijs overgebracht waar hij door de kweker Carbonnier nagekweekt werd.
Zijn natuurlijke biotoop vinden we in de rijstvelden van Oost-Azië, nl. Vietnam, China, Korea, Taiwan en de Hainaneilanden.
Deze juweeltjes worden 8 à 12 cm groot. Het mannetje heeft een verlengde rug-, aars- en staartvin die hij bij het baltsen wijd openspert. Het vrouwtje is niet zo kleurrijk als het mannetje en heeft een zilverachtige buik.
Er bestaat een zwarte en een albino vorm (roze met rode strepen).
Volwassen mannetjes bekampen elkaar net zoals betta-mannetjes dat doen. De paradijsvis is een der gemakkelijkst te verzorgen vissen. een aquarium van 50 liter is reeds voldoende. Een flinke beplanting is, naar analogie met hun natuurlijke biotoop noodzakelijk. Kies voor stevige en goed ingewortelde planten die tijdens de balts en het vechten niet worden losgerukt. Om het licht wat te temperen en het maken van het schuimnest te vergemakkelijken zijn drijfplanten aangewezen.
Men kon (en kan) ze zelfs op kamertemperatuur houden al mag deze niet onder de 15°C dalen. Hoger dan 20°C is ook niet meteen nodig, maar voor de kweek is een temperatuur tussen 22 en 25°C toch raadzaam. Belangrijk is de luchtruimte tussen het water en de dekruiten. De vissen nemen rechtstreeks zuurstof uit de lucht op en deze dient derhalve dezelfde temperatuur te hebben als het water. Het zijn goede springers, het aquarium goed afsluiten is noodzakelijk.
De pH houd je best tussen 6 en 8. De totale hardheid mag zelfs oplopen tot zo'n 30°dH. U leest het goed, veel eisen aan het water stelt Macropodus opercularis dus niet. Er zijn liefhebbers die ze 's zomers in hun vijver onderbrengen!


  BBAT-informatief 200
  VOEDSELGIDS Zadenkevers, Bruchidae (2)  
Top   Groenvoer, brandnetels