Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 09 - September 2009
 
ISSN 1372-6501
Melanotaenia boesemani Lake Aitinjo
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
206
Melanotaenia boesemani Allen & Cross 1980, is een regenboogvis die reeds lang op mijn verlanglijstje stond om eens te houden. Daar mijn 1,5 m aquarium heringericht werd, ontstond meteen ook de gelegenheid dit reeds lang sluimerende idee in realiteit om te zetten. Toen Gilbert Maebe, voorzitter van het Internationaal Regenboog Gezelschap, lid van Angfa en … lid van onze vereniging, De Minor Rupel-Vaartland op een “goede vrijdag” ons zijn reis door de Kimberley’s kwam voorstellen (een aanrader trouwens!), leerde navraag dat hij net op dat moment een kweek had zitten van deze soort uit het lake Aitinjo (ook Aitynjo). Die zaterdagochtend stond ik al voor zijn deur.Het Griekse “Melanos” betekent zwart, het Latijnse “taenia” betekent strepen, terwijl boesemani een patroniem is ter ere van Dr. Marinus Boeseman, de curator van het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie te Leiden in Nederland. De plaatselijke bewoners noemden deze vis sekiak of ikan (Maleisisch voor vis) rasacado (Spaans voor bekrast). In 1980 determineerden Gerard Allen en Norbert J. Cross deze regenboogvis op basis van kleurloze, geconserveerde specimen die waren meegebracht met een Nederlandse expeditie in 1954-1955 uit Irian Jaya. Pas in 1882 was Gerard Allen in de gelegenheid zelf levende exemplaren van M. boesemani te vangen in de Vogelkop Peninsula. Heiko Bleher, ook bekend in deze middens, slaagde erin deze vissen levend in Europa te krijgen. Uit deze expeditie-exemplaren werden uiteindelijk ook de eerste kweken voor de hobbyist gerealiseerd en geraakte deze sensatie onder de regenbogen in aquaristieke middens. We zijn dan rond 1995.

 

Mijn ervaringen in het Amazonegebied (deel 1)
Jos Janssen - De Zilverhaai vzw
212
Het is al geleden van 2000 dat ik voor de tweede maal in Brazilië was. Mijn eerste reis door dit grootse land had ik al gemaakt in 1996. Toen heb ik, nadat ik de zes maanden durende opdracht van mijn firma uitgevoerd had, de gelegenheid genomen om een rondreis door Brazilië te maken. Door het lange verblijf kende ik al wat van de taal en de gebruiken, zodat ik het aandurfde om alleen rond te trekken. Zoals iedere aquariumliefhebber had ik al veel gehoord en gelezen over het Amazonegebied en de Rio Negro. Veel van de vissen die wij in onze aquariums kunnen bewonderen, zijn afkomstig uit dit gebied. Het zal je dan ook niet verwonderen dat ik uiterst nieuwsgierig was om dit gebied te bezoeken.
Waarom ik er zo laat toe kom om dit artikel te schrijven, heeft nu geen belang meer. Ondanks dat de hoofdredacteur van Aquariumwereld mij meestal persoonlijk, maar ook publiekelijk, op attent maakte dat het voor het bondsblad toch een interessant artikel kon zijn.
Op de geslaagde Bondsdag in Buggenhout heeft de lezing van Dr. Bassleer mijn herinneringen opgefrist. Uit deze lezing kon ik ook opmaken dat het er voor de vissers wat op verbeterd is. Hun aantal blijkt wel enorm toegenomen, waardoor het voor hen moeilijker wordt om dagelijks het aantal visjes te vangen dat nodig is om met hun gezin te kunnen overleven. Echter, ze genieten nu meer bescherming en er is meer onderricht en begeleiding die tot blijvende en betere vangstmogelijkheden leiden.
Maar, nu terug naar wat ik wil vertellen.
Ik wou naar het Amazonegebied gaan, maar dat is rapper gezegd dan gedaan. Je zit in São Paulo en dat is een 7000 km van Manaus in hartje Amazone. Manaus is ook de enige stad in het Amazonegebied die vanuit andere Braziliaanse steden, met een vliegtuig te bereiken is. Samen met de eigenaar van het hotel waar ik al maanden verbleef, stapte ik naar een reisbureau. Door het feit dat de hoteleigenaar ook Engels sprak, kon ik hem mijn reisplannen duidelijk maken. De uitbater van het reisbureau deed ook alle moeite om Engels te spreken, maar ik begreep niets van zijn taaltje. Ik wil hier wel benadrukken dat Brazilianen zeer vriendelijke en behulpzame mensen zijn, dit heb ik de hele periode van mijn verblijf kunnen ervaren. Ook bij de lieve man van dat reisbureau mocht ik dit ondervinden. Hij heeft moeite nog tijd gespaard om mijn reisschema waar te maken. Hij boekte, voor al de steden die ik wou bezoeken, de hotels en de vluchten en gaf daarbij ook nog tips over aan te raden bezienswaardigheden. Mijn rondreis in Brazilië zou bij het verlaten van dat reisbureau tot in de puntjes geregeld zijn indien ik niet verder wou dan Manaus. Maar ... via een artikel uit een Engelstalig tijdschrift, dat Theo Luyten mij per fax gezonden had, wist ik dat ik in Barcelos moest zijn om terecht te komen bij de vissers van onze aquariumbewoners. Desondanks heb ik de gedienstige man van het reisbureau met een doosje Belgische pralines erg gelukkig gemaakt. Ik mocht hem altijd bellen als ik ergens op mijn reis problemen zou ondervinden, dit heeft zich gelukkig niet voorgedaan en als dat zo was zou ik zijn Engels ook dan niet begrepen hebben.Ik maakte mij geen zorgen over het feit dat het laatste, en voor mij bijzonderste, deel van mijn reis nog niet vastlag. Voordat ik naar Brazilië vertrok had ik contact opgenomen met Julien Willems. Hij en nog andere leden van Black Molly Genk, hadden een tiental jaren daarvoor al een rondreis door Brazilië gemaakt. Julien wist me te vertellen dat een van zijn medereizigers definitief naar Brazilië vertrokken was om er te trouwen met een dienstmeisje uit het hotel waar ze toen in Manaus verbleven. Om me van dienst te zijn kreeg ik van Julien het faxnummer van deze persoon die ik, toen ik terug in het hotel kwam, van mijn reisplannen op de hoogte bracht. Vrij snel kreeg ik een antwoord terug, hij begon zijn fax met te schrijven dat het hem zeer verheugde nog eens iemand uit eigen land behulpzaam te kunnen zijn. Dat beloofde goed te komen en dat is het ook geworden. Hij wist echter niet veel van het reilen en zeilen van visvangers en importeurs, maar kende wel aquariumwinkels in Manaus waar ik volgens hem aan informatie kon geraken. Hij was een en al gedienstigheid, reserveerde voor mij ook een hotel in Barcelos en was me behulpzaam om de boot te kiezen die ook langs Barcelos vaart. Dit laatste is niet zo vanzelfsprekend, in Manaus wemelt het van boten in al de verschillende aanlegplaatsen.


 
Geochelone carbonaria, kolenbrandersschildpad
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
218
Toen Spix in 1824 deze schildpad beschreef als Testudo carbonaria, ging hij ervan uit dat het dier voldoende eigenschappen van het door Linaeus opgericht genus Testudo bezat om het er in onder te brengen. Hij volgde hier het voorbeeld van de grote Linaeus welke de van de carbonaria moeilijk te onderscheiden denticulata in 1766 te boek stelde. Door latere vondsten van nieuwe soorten begon men in het genus Testudo bepaaldegroepen te onderscheiden.
Een van deze was het subgenus Geochelone. Daardoor werd ons diertje voortaan aangeduid als Testudo (Geochelone) carbonaria. Voorlopig dus nog absoluut geen vuiltje aan de lucht wat betreft naamgeving.
Enkele jaren geleden stelde men echter vast dat het subgenus Geochelone toch wel een buitenbeentje was in Testudo en werd de groep gepromoveerd tot een zelfstandig genus. Wederom kwam onze “kolenbrander” in een onderafdeling terecht namelijk in Chelonoides. De nieuwe naam luidt dus nu Geochelone (Chelonoides) carbonaria (Spix, 1924). Wegens de genuswissel werd Spix, 1824 tussen haakjes geplaatst.Afkomstig uit Zuid Amerika strekt hun heimat zich uit ten oosten van de Cordilleras de los Andes en omvat naast Venezuela, Suriname, Brazilië, Paraguay ook het noorden van Argentinië.
De schildkleur is normaal diep donkerbruin tot zwart. De volksnaam “kolenbranderschildpad” is dan ook niet zo slecht gekozen. Aan de boord zijn de beenschilden echter heel wat lichter van kleur. Elk beenschild vertoont aan de bovenzijde een lichtbruine tot geelrode vlek. Kop en poten zijn donkerbruin tot zwart en vertonen rode tot oranje vlekken op de schubben. Jonge dieren kunnen hier voor verwarring zorgen, want de kleur en de intensiteit ervan veranderen bij het ouder worden. Aanvankelijk bezitten ze een lichtgeel of hoornkleurig rugschild. Bij het volwassen worden, evolueert de kleur naar donkerbruin tot zwart.
Dat een dergelijk enorm verspreidingsgebied dieren met kleine verschillen wat betreft uitzicht oplevert, is normaal.
De carapace van exemplaren uit Colombia en Panama kleurt grijs tot donkerbruin terwijl kop en ledematen geel en/of oranje vlekken tonen.
In het Amazonebekken is het rugschild veeleer donkerbruin tot zwart. Kop en poten vertonen gele, oranje of rode vlekken. Combinaties van twee tot drie van de hierboven vermelde kleuren zijn niet bepaald zeldzaam.
In Noord-Argentinië en Paraguay komt zelfs een iets kleinere variant voor met purperen vlekken op hoofd en poten. De Amerikanen zijn gek op deze “Cherry Heads” welke wegens het kleine aanbod sowieso relatief duurder zijn.
Deze flink uit de kluiten gewassen schildragers – 40 cm voor de mannen en 30 cm voor de vrouwtjes – is overdag vrij inactief, tenzij ze op zoek zijn naar voedsel of een partner.
Volwassen mannen kunnen tot 43 cm (record) uitgroeien en wegen vlotweg ca. 9 kg.Omwille van de vlekken op kop en poten noemen de Amerikanen deze dieren “red-foot” of “roodpoot schildpad”. Dit doen ze als onderscheid met de “yellow-foot” of de daar zeer populaire “geelpoot” de Geochelone denticulata (Linaeus, 1766)
.

 
Equisitum fluviatile, holpijp
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
225
Met één meter onder en tot twee meter boven het wateroppervlak uitstekend moet je hem in een rietkraag wel opmerken. Toch zijn ze maar overschotjes uit de oertijd. In een grijs verleden – tijdens het Carboon en zeker gedurende het Mesozoïcum – domineerden zijn voorgangers samen met de varens de toenmalige moerasbossen. Het bewijs dat ze eens samen de wereld overschaduwden, vinden we in de rijke steenkoollagen die mede uit hun resten zijn gevormd. Dat het een zeer oud genus betreft, is ook af te leiden uit het zeer hoog aantal chromosomen (n = ± 216).
De Nederlandse naam “holpijp” dankt hij natuurlijk aan zijn holle stengel. De centrale holte neemt zo maar eventjes viervijfde van de stengeldiameter voor haar rekening. Dat deze “pijp” dan ook vrij gemakkelijk plat te knijpen is hoort erbij. De doorsnede van de stengels met de centrale en de krans kleinere holten eromheen is karakteristiek voor elke soort en vormt een goede basis om de verschillende soorten van elkaar te onderscheiden.Het determineren van “paardenstaarten” lijkt daardoor gemakkelijk maar is beslist niet eenvoudig. Het ongelijktijdig voorkomen van fertiele en niet fertiele stengels speelde zelfs de grote Linnaeus flink parten. Zo beschreef hij beide verschijningsvormen, in Species Plantarum 1753, als afzonderlijke soorten onder de namen Equisetum fluviatile en Equisetum limosum endaarmee opende hij een oeverloze discussie aangaande de juiste soortnaam. Uiteindelijk werd het dan toch fluviatile.


 
  BBAT-informatief 228
  VOEDSELGIDS Aasgarnaaltjes, Mysis  
Top