Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 62 – Nr. 10 - Oktober 2009
 
ISSN 1372-6501
Dimmen die cichlidenagressie
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
233
Cichliden uit Midden- en Zuid-Amerika of uit de slenkmeren van oostelijk Afrika, die ook als rifcichliden bekend staan, hebben de reputatie kleurrijk, sterk en vruchtbaar te zijn die, daar bovenop, ook nog eens zeer goed bestand blijken te zijn tegen ziekten. Deze eigenschappen maken hen tot bijna ideale vissen voor de beginner of de hoopvolle kweker. Een groot aantal onder hen, uit de familie der Cichlidae, behoort echter ook tot de agressiefste.
Al deze cichliden zijn territoriaal of wat men noemt: hoogst agressief. Het aquarium, een veel kleiner (gesloten) milieu dan het meer, is dan ook ideaal om die spanning tussen de soorten nog te verhogen en een volledige cichlidenoorlog is dan soms gewoon onvermijdelijk. Agressie onder cichliden is hiermee één van de moeilijkste aspecten in het houden van (vooral in deze tekst) Afrikaanse cichliden. Toch zijn vele liefhebbers er in geslaagd deze agressie te verminderen door ze op de ene of andere manier te onderdrukken, of hebben ze een vrij verdraagzame gemeenschap gecreëerd door een aangepaste (lees: deskundige) aquariuminrichting. Bovendien, we moeten dat in alle eerlijkheid durven stellen, tonen cichliden hun mooiste kleuren en vinnenstelsel net tijdens die geschillen (en op foto’s), zodat het doel ook nooit kan zijn om heel die agressie te vernietigen, maar enkel om deze te beperken tot het punt waar u elke ochtend niet met een aan de oppervlakte drijvend “slachtoffer” wakker wordt.

 

Ilyodon furcidens
Johan Keulemans - Pristella Schoten
242
De familie van de hooglandkarpers (Goodeidae) is in de aquaristiek slechts matig gekend en zelden aanwezig. Als men ze al eens ziet, zijn het vooral Ameca splendens en Xenotoca eiseni. De andere soorten, toch een 17-tal genera met een 40-tal soorten, zijn veel minder bekend en verspreid. Eén van deze minder bekende vissen is Ilyodon furcidens. Zelfs bij liefhebbers van ei-levendbarenden treft men ze zelden aan. Daar wordt hij als “grijze muis” bestempeld en rust er schijnbaar een vloek op deze vis. Tijd dus om hem eens in de schijnwerpers te plaatsen in een poging om deze vloek op te heffen.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: een “grijze muis” ben ik helemaal niet, maar je moet me wel in de juiste omstandigheden houden, doch daarover straks meer.
Zoals de Nederlandse naam al aangeeft, komen we oorspronkelijk uit het hoogland en wel uit dat van Mexico. We komen daar voor in een groot gebied dat zich uitstrekt over de provincies Jalisco, Colima en Michoacan.  We leven er zowel in stromende beken als in meren. Deze beken en meren zijn deels begroeid met vegetatie.Door het grote verspreidingsgebied stellen we aan de waterwaarden geen al te hoge eisen, al is een geregelde waterwissel wel nodig natuurlijk. Ook wat temperatuur betreft zijn we niet de moeilijkste. Een temperatuur van rond de 18 à 20 °C is al voldoende voor ons. Hierin zit het probleem waarom men ons “grijze muizen” noemt. Bij lagere temperaturen komen we immers beter op kleur. Als je ons op 22 °C of meer houdt, verbleken we wat en worden we grijzer. Je kunt ons dus gerust in een onverwarmd aquarium houden. In de zomer kun je ons zelfs buiten zetten en je zult zien, wanneer je ons in de herfst weer naar binnen haalt, zijn we heel goed op kleur. Nu we het toch over onze kleur hebben, zal ik even een beschrijving proberen te geven. Onze grondkleur is grijsbruin met in het midden een zwarte onregelmatige band. Eens volwassen heeft onze kleur een metaalglans. Bij de mannetjes is deze glans sterker. Sommige vissen hebben op het bovenlichaam ook nog zwarte vlekjes. Onze vinnen zijn lichtgeel. Op de borst- en rugvinnen staan eveneens zwarte punten. De staartvin is ook voorzien van zwarte puntjes en wordt afgezoomd met een gele en zwart band. Het zijn vooral de gele kleuren en de metaalglans die verdwijnen als je ons op een hogere temperatuur houdt.


 
Alestopetersius caudalis - de gele congozalm
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
244
Na het verschijnen van mijn teksten aangaande Arnoldichthys spilotherus en Phenacogrammus interruptus kreeg ik wroeging omdat ik de tweede, werkelijke in Congo levende zalm, niet aan bod had laten komen. De Nederlandse naam is wat onduidelijk. De Engelse is veel duidelijker: zij spreken van een gele staart in hun “Yellow-tailed African Tetra”. Boulenger bedacht hen in verloop van tijd met zes verschillende namen.
De Latijnse naam Alestopetersius leert ons bitter weinig aangaande de soort.
In caudalis vinden we cauda (= staart) terug en het ervan afgeleid bijvoeglijke naamwoord caudalis leert ons dat we op de staart moeten letten.
Het is nu eens een echte congozalm en bovendien eentje welke endemisch is in de Democratische Republiek Congo. Ze leven daar in de Congostroom en zijn bijrivieren en bijbehorende plassen. Daar het stroomgebied het gehele land omvat, kunnen we gerust zeggen overal.
Al geeft de afbeelding veel van het moois weer, toch wil ik proberen enkele eigenschappen van hen te beschrijven.
Het lichaam is gestrekt en zijdelings afgeplat. De muil is bovenstandig zoals bij de meeste oppervlakte jagers. De aarsvin is duidelijk achter de rugvin ingeplant. Voor de staart merken we duidelijk de kleine vetvin. De middelste stralen van de staartvin zijn, in tegenstelling tot deze van Phenacogrammus interruptus, amper verlengd. Bij oudere mannen zijn de buitenste stralen dan weer verlengd.
Het lichaam is zilverkleurig en de flanken vertonen in bovenbelichting allerlei glanstinten in groen, blauw of geel. Deze weerkaatsingen zijn waarschijnlijk bedoeld om predatoren te misleiden. De rug is grijsviolet. Bij een sterke belichting vervagen de kleuren. De vrouwtjes zijn vager van kleur en hun vinnen zijn korter.

 
Cryptocoryne crispatula var. balansae
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
247
Deze prachtplant komt oorspronkelijk voor in oostelijk India, Thailand, Laos, Zuid-Vietnam, Zuid-China en dit in moerasgebied met tamelijk ondiep tot diep water, in traag stromende waters en in stilstaande waterbekkens. Hij vormt er soms heel dichte velden waarbij de uiteinden van de bladeren, een beetje zoals bij Vallisneria, op het wateroppervlak drijven. Het is de oudst bekende C. crispatula uit de familie der Araceae, de aronskelken. Ook de variëteit die het, het beste doet in het aquarium.
Van C. crispatula bestaan er talrijke variëteiten waaronder de hier beschreven balansae.
De plant komt in het aquarium langzaam in groei, zo ook bij mij, maar … als het zover is beloont hij ons met lange riemvormige bladeren die tot wel 40 cm à 70 cm kunnen uitgroeien.
De diepgroene bladeren worden niet breder dan 2,5 cm en zijn  als het ware met hamerslag bewerkt.
Een prachtige crypto dus die, wegens zijn lengte, minstens een aquarium vraagt van ca. 50 cm hoog. In het aquarium worden de bladeren immers ook 20 tot 50 cm lang en is de bladschijf wat meer variabel, afhankelijk van de gebruikte belichting. Eén plant kan meer dan 10 bladeren dragen. Deze zijn alleszins smal lintvormig tot lancetvorig en 0,2 tot 2 cm breed. Hij kan dus als solitair dienen, maar als groep fungeert hij enkel in de middenzone tot de achterkant van het aquarium, of in een hoek. Hem omringen met planten die een andere bladvorm en/of bladkleur hebben, laat zijn pracht daarbij nog meer uitkomen.De bladsteel is tot 20 cm lang. Aan de bovenzijde is ze enigszins ingegroefd, maar aan de onderkant komt de middennerf sterk naar voren. Zoals hogerop al vermeld is een opvallend kenmerk van deze plant dat het blad “bobbels” heeft. Soms komt na enige tijd de wortelstok uit de bodem te voorschijn, vooral in aquaria met een te dunne bodem, en dat remt dan weer de vorming van de wortels, wat weer voedingsproblemen geeft. Wees echter zeer voorzichtig met het wat dieper induwen van deze wortelstok. In een plantenaquarium zou je, om dit te voorkomen (ook voor kleine planten trouwens), toch minstens een bodem van ca. 10 cm moeten voorzien. Daarna “plug” ik geregeld een kleibolletje in de nabijheid van die wortelstok, wat de groei en wortelvorming bevordert. Een andere toevoeging die deze plant ten zeerste waardeert is calcium, weliswaar in de vorm die voor het aquarium geschikt is.


 
Enallagma cyathigerum - watersnuffel
Guido Lurquin
252
Watersnuffel is een juffer die in Nederland en België algemeen voorkomt. Deze waterjuffer vliegt laag, vlak boven de waterspiegel, men zegt dat ze snuffelt aan het water… Soms komt ze in zeer grote aantallen voor boven bepaalde vijvers. Dat we ze tegenkomen bij onze tuinvijver is zeer waarschijnlijk.
Waterjuffers op naam brengen is niet echt gemakkelijk. We hebben een determinatietabel nodig of een veldgids en moeten vooral letten op details in de tekening. Watersnuffels zijn te verwarren met andere blauwe waterjuffers. Ze hebben gelukkig enkele karakteristieke determinatiekenmerken.
Watersnuffels maken een robuuste, compacte indruk. Ze hebben een vleugelspanwijdte van 4 à 4,5 cm en een lengte van 32 à 35 mm. Watersnuffels hebben een brede, blauwe schouderstreep. Deze is ononderbroken en breder dan de zwarte schoudernaadstreep eronder. Op segment 2 zit bij de meeste mannetjes een schoppenaas teken (die men ook wel paddenstoeltje noemt). Spijtig genoeg vinden we deze tekening niet bij alle mannetjes.
De tekening van het vrouwtje is blauw of donker olijfgroen. Bij de watersnuffel-vrouwtjes vinden we slechts één soort achterlijfpatroon en er is maar één soort tekening op segment nummer 2. Dat maakt het dan weer wat gemakkelijker om ze te determineren. De bovenkant van segment 8 is met een zwarte driehoek getekendBij twijfel tussen de watersnuffel en de variabele juffer, moet men vooral letten op de verschillen tussen de zijkanten van het borststuk.

  BBAT-informatief 258
  VOEDSELGIDS Aasgarnaaltjes, Mysis (2)  
Top   Bloemenkevers (1)