Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 62 - 2009
vorige maand  
   

 

Jaargang 62 – Nr. 12 - December 2009
 
ISSN 1372-6501
Lijnkweek van guppen
Walter Van der Jeught - De Minor Rupel-Vaartland vzw
290
Het is een algemeen wijdverbreid, zelfs hardnekkig, misverstand dat guppy’s zeer gemakkelijke beginnersvisjes zijn die je zonder problemen in je aquarium kunt kiepen en die, zonder daar nog verder naar hoeven om te kijken, ook nog hun mooiste kleuren tonen en spreekwoordelijk “kweken als konijnen”. Nog steeds starten vele liefhebbers met Poecilia reticulata, de wetenschappelijke naam van deze ei-levendbarende.
Laat het geen reden zijn om ze niet te houden, maar eigenlijk is het geen beginnersvis. Bovendien hebben ze onder de meer ervaren aquarianen tegenwoordig − om het even eufemistisch uit te drukken − geen al te beste naam. Door de vele jaren ondoordacht (door)kweken en kruisen, dit met een ver doorgedreven inteelt, is een “juist” gupje vinden met de “juiste” kleuren en “juiste” vinnen, immers geen sinecure geworden. Terug naar de “basics” dan maar?
Dat begint al bij de aanschaf natuurlijk. Vergeet het als je in de speciaalzaak (nu ja, what’s in a name) of op een beurs deze vissen kunt aankopen uit een toonbak waarin mannetjes van verschillende kleurslag en/of staartvormen samen zitten met verschillende vrouwtjes. Deze diertjes kruisen onderling en wees gerust dat dit op dat moment dan al lang gebeurd is. Je weet dan echt niet wat je koopt.
De eerste voorwaarde is dus dat van elke vorm zowel de mannetjes als de vrouwtjes apart zitten. Mannetjes en vrouwtjes kunnen bij elkaar, maar dan moeten deze van bij de aanvang, d.w.z. van bij de kweek, strikt van andere vormen gescheiden gehouden worden. Je begrijpt al dat vele handelszaken hier, veelal om praktische redenen, niet aan (kunnen) voldoen. Bij liefhebbers kan dat wel en voor een zuivere guppy zul je dus meestal daar terecht moeten. Dit is een pure vertrouwenskwestie tussen leden van verenigingen. Zelf houd ik zo de zuivere vorm van Poecilia species endler, beter gekend als Endler guppy. Al kreeg ik van Eddy Derijst, de huisichtyoloog van deze redactie, in juni 2007 plots volgende e-mail: “Walter, ik ontdek nu pas dat de al in 2005 beschreven Poecilia (Acanthophacelus) wingei, in feite de wetenschappelijke naam is voor de Endler guppy.” Meteen misschien een primeur voor jullie over de correcte naam van dit visje, met dank aan Eddy.Zet dan weer niet meteen verschillende “zuivere” vormen samen in je huiskameraquarium. Eén keer is er zelfs te veel aan! Er kan maar echt één soort in je aquarium als je deze moeilijk verkrijgbare guppy raszuiver wilt houden.
 

Bedotia geayi, de Madagascar regenboog
Bert Polling vanuit Zuid-Afrika
296
Hoewel deze prachtige vis al in 1907 aan de wetenschap bekend was, heeft het meer als 50 jaar geduurd alvorens hij in aquaria te zien was. Ze werden, volgens de Mergus’ Aquarium Atlas, voor het eerst in 1958 in Europa ingevoerd. De eerste berichten verschenen in het Nederlandse blad “Het Aquarium” gedurende 1960, waarna ervaringen met deze vis geregeld in hobbyjournalen te vinden waren. Gedurende 1972 verscheen in het destijds bestaande journaal “African Aquarist” een artikel over deze vis van de hand van Rudolf Zukal. Mijn eerste bedotia’s kocht ik twee jaar vroeger, namelijk in 1970. Zukal vermeldt ondermeer dat de Madagaskar regenboog al in 1959 succesvol in Tsjecho-Slowakije nagekweekt werd, maar het duurde tot 2001 voor het bij mij zo ver was.Bedotia geayi is een bijzonder mooie vertegenwoordiger van de familie Atherinidae, nauw verwant aan de Melanotaeniidae of de echte regenboogvissen die voornamelijk in Australië en Nieuw-Guinee voorkomen. In de literatuur wordt vermeld dat het geslachtsverschil te vinden is in de kleur van de staartvin en dat de ongepaarde vinnen (dorsale, ventraal en caudale vinnen) van het mannetje over het algemeen meer kleurrijk zijn. De tweede dorsaalvin van vrouwelijke exemplaren is meer gerond dan bij mannelijke exemplaren. Ook zijn de vrouwelijke exemplaren gewoonlijk wat kleiner dan de mannetjes. De kleurfoto’s van de hand van dhr. van den Nieuwenhuizen vertellen meer over het kleurenpatroon als beschrijving. De Madagaskar regenboog is niet veeleisend ten opzichte van de waterkwaliteit en is heel tevreden met water dat een pH rond neutraal heeft en niet al te hard is. Ook ten opzichte van voedsel zijn de eisen niet groot en elk soort levend voedsel wordt met graagte aanvaard, terwijl droogvoer van een goede kwaliteit ook aanvaarbaar is. Let er echter op dat het, wegens de dorsale plaatsing van de bek, moeilijk is om voedsel van de bodem op te nemen. De vissen kunnen blijkbaar tot 15 cm groot worden (Mergus’ Atlas) maar blijven over het algemeen wat kleiner. Franken meldt dat zijn dieren niet groter werden dan 9 cm, Zukal en Rozenga melden 12 cm, terwijl de grootste vis tot dusver in mijn bezit een mannetje was dat 14 cm totale lengte bereikte.
 
Platycerium of Hertshoornvaren
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
300
De Grieken kenden van haar noch pluim deze mooie varen, maar leverden wel de kant en klare wetenschappelijke naam. In allerlei werken wordt deze afgeleid van de Griekse woorden platus = vlak, breed en keras = hoorn. Mij lijkt dit nogal ver gezocht wanneer het Griekse woord voor damhert gewoon platyceros luidt. Even het oorspronkelijke achtervoegsel afgekoppeld en een Latijns dito eraan en klaar was Kees.
Naar gelang de soort gelijken de fertiele* bladeren op het gewei van een gewoon hert tot de schoffelvormige hoofdtooi van een flink uit de kluiten gewassen elandstier. En variatie is er.
In de vrije natuur nestelt de geweivaren zich met de opstaande steriele* bladeren rond een boom. Zodra goed verankerd worden deze bladeren bruin en dienen als voedselleverancier en waterreservoir voor de groene gespleten fertiele bladeren. Water geven kan dus gewoon in de erdoor gevormde koker. Doordat deze bladeren als schubben rond de boom passen, vangen ze ook het ervan afdruipend water op en leiden het naar de wortels. Dit spoelwater brengt ook het nodige stof en “vogelsouveniertjes” tussen de bruine bladeren. Daar vormen ze samen met de afstervende bladeren de benodigde humus. Tussen de afgestorven bladeren en de plant is er geen directe of open verbinding. Enkele wortels kruipen gewoon even naar deze composthoop. Van bladeren gesproken, bij nader toezien merkt men dat de groene bladeren een wazig grijze schijn bezitten, te wijten aan de talrijke fijne zilverwitte haartjes waarmee ze bezaaid zijn. In het regenwoud zorgen deze ervoor dat de bladeren het water afstoten. De onbeweeglijke luchtlaag ertussen vormt daarenboven een prima isolatie bij hevige warmte en koude nachten. Bij het zien van deze haren denken velen dat het hier om een vetplant in plaats van een varen gaat.

 
Lamponius guerini, de gelobde tak
Bart Van Aken - Phasma vzw
304
Al meerdere jaren wordt Lamponius guerini (Saussure, 1868) of de gelobde tak (PSG. Nr. 101) door vele liefhebbers gehouden. Het is dan ook veruit de meest gekende wandelende tak uit Guadeloupe. Het eiland Guadeloupe (feitelijk bestaande uit twee eilanden, Grande-Terre en Basse-Terre, gescheiden door een rivier) behoort tot de Franse overzeese departementen, is één van de eilanden in de “Kleine Antillen” en heeft een subtropisch klimaat.
Aangezien er in (sub-)tropische gebieden steeds een zekere vochtigheid is, dienen we dit in onze terraria na te bootsen door dagelijks water te vernevelen. Het meest geschikte moment is ’s avonds aangezien de meeste wandelende takken nachtactieve dieren zijn. De nodige vochtigheid bij het vervellen, zoeken naar voeding en de mogelijkheid om soms te drinken van een druppel water kunnen we creëren door ’s avonds te sproeien. De aan te raden temperatuur bedraagt een variatie tussen 20 à 25 °C.
Lamponius guerini is een wat “stevigere” soort en is mede hierdoor een geschikte soort voor beginnende liefhebbers.
Er zijn verschillende kleurvarianten (of culturen) gekend maar alle zouden ze behoren tot slechts één soort, althans volgens de wetenschappers.
Een vrouwtje van L. guerini heeft een lichaam van 7,5 à 9,5 cm lang en varieert in kleur naargelang de cultuur die men heeft. De kleur kan gaan van felbruin tot roodbruin of van donker- tot lichtbruin, maar steeds met witte tot geelbleke vlekken. Mede door het vlekkenpatroon is ieder dier een beetje anders. Als een vrouwtje volwassen en vruchtbaar is, worden de oksels van de voorpoten rood (net zoals bij Carausius morosus).
Een mannetje van L. guerini is een slankere versie en bereikt een gemiddelde lengte van 6,5 à 8 cm. De kleur varieert van groenbruin tot roodbruin zonder de vlekken. Beide geslachten hebben lange voelsprieten en zijn vleugelloos.
De ovale eitjes (ruw van oppervlak en ongeveer 3,5 op 2,5 mm groot) zijn kenmerkend door de aanwezigheid van een kleine tekening in de vorm van een hart. Een vrouwtje kan meer dan twee eitjes per dag leggen en het eerste ei wordt gelegd een 20-tal dagen na de paring. De lichtgrijze nimfjes, toch ongeveer 1,5 cm groot, komen na ongeveer 4 maanden (!) uit en hebben 6 vervellingen of zo’n 4 maanden nodig om volwassen te worden. Na enkele vervellingen merk je het veranderen van de nimfenkleur tot de uiteindelijke volwassenen “look”.
Nog een gemakkelijk punt bij de verzorging van L. guerini: de voeding. De gelobde tak houdt van braam, framboos en allerlei planten uit de familie der roosachtigen. In de natuur werden zij gevonden op planten uit de Graffenrieda- en Eugenia-familie.

 
  BBAT-informatief 306
  VOEDSELGIDS Bloemenkevers (3)  
Top