Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 63 – Nr. 03 - Maart 2010
 
ISSN 1372-6501
Mastacembelidae
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
057
Waaraan denk je het eerst als je het woord zoetwateraal hoort? Paling in het groen of gewoon aan die glibberige, slijmerige palingen? Alen zijn echter fascinerende dieren en er zijn inderdaad ook soorten voor het tropische zoetwateraquarium. Even een inleiding…
De gewone paling Anguilla anguilla uit de familie van de Anguillidae kun je slechts houden in een aquarium met temperaturen van 21 °C tot … heel koud. Niet echt tropisch dus, want het zijn eigenlijk koudwaterdieren. Ze kunnen bovendien ook heel groot worden in dat aquarium, groter dan in de vrije natuur. Zo’n aquarium dient daardoor minstens 150 cm lang te zijn, niet verwarmd, niet al te sterk verlicht met daarin grote keien, zeg maar kasseien, waartussen ze zich kunnen verschuilen, dit op slechts een beetje bodemzand van enkele millimeters. De vrouwtjes worden trouwens merkelijk groter dan de mannetjes en kunnen tot boven de 90 cm uitgroeien. De meeste mannetjes blijven tot de helft kleiner. Gelukkig komen palingen goed overeen met elkaar en bij deze soort kun je bijv ook gerust zonnebaarzen zetten. Zulke grote dieren verlangen ook stevig voedsel. Regenwormen, kleine aasvisjes, kokkels, mosselen, enz… Niet meteen een aanrader dus voor het huiskameraquarium.Voor ons tropisch aquarium moeten we evenwel naar de warmere klimaten. Het enige echter dat sommige zogenoemde moerasalen daar gemeen hebben met de onze, is het woord “aal”. De genera bijvoorbeeld uit de familie Synbranchidae uit Zuid-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië, zijn meer verwant met longvissen dan met onze paling. De meest geïmporteerde soort voor het tropische aquarium hieruit is Synbranchus marmoratus. Ze zijn dan (al) ca. 20 cm lang en lijken aanvankelijk onschadelijk en mooi met hun lichtbruine grondkleur, met daarop vele zwarte spikkels. Echter … bij een goede voeding verworden ze al snel tot 90 cm grote monsters die zich veeleer als een soort Jaws gedragen en bovendien lelijk in je vingers kunnen bijten. De andere vis is tegen die tijd meestal ook al geheel verdwenen uit je aquarium. In de vakhandel vind je ze soms onder de naam “tulpaal” omdat ze dikwijls verticaal in het aquarium hangen, waarbij de houding van hun hoofd daarbij zo’n beetje aan een tulp doet denken. Deze bizarre tulpen komen echter niet uit Amsterdam!


 

Vissen verzorgen is niet nieuw
Emanuelle Sauvage
064
Het streven van de mens om levende dieren te verzorgen is oeroud. Vissen komen voor waar water is en water is er veel te vinden op onze aarde, heel veel. Maar liefst zeventig procent van het aardoppervlak is bedekt met deze transparante vloeistof Vissen maken dan ook een zeer groot deel uit van de gewervelde biomassa. Toch is hun relatie met de mens veel minder uitgesproken dan dat het geval is met zoogdieren en vogels. Vissen leven in een andere wereld die de onze niet is, ze leven in... water.
Waarom en wanneer vissen voor het eerst in gevangenschap werden gehouden in de Oude Wereld is niet precies bekend maar het moet zo'n 4000 jaar geleden geweest zijn. Vermoedelijk was het om een bron van vers voedsel bij de hand te hebben. Misschien was het ook om esthetische redenen of had het wat te maken met godsdienst. Het kon ook geweest zijn om de hinderlijke ontwikkeling van muggen in waterbassins tegen te gaan of om het leven van de vissen te bestuderen.Het gebied van het Midden-Oosten, en meerbepaald het gebied van de Tigris en de Euphraat was 4000 jaar geleden veel vochtiger en vruchtbaarder dan nu. De Sumeriërs legden in die tijd visvijvers aan in hun tempels. Wat later deden de Assyriërs en andere volkeren hetzelfde. Welke vissen er gehouden werden is niet bekend. Hoewel de Assyriërs afbeeldingen van vissen aanbrachten op hun muntstukken kunnen deze niet gedetermineerd worden. De afbeeldingen waren te schematisch. Wel moeten de vissen van belang geweest zijn op een of meerdere gebieden. In de Arabische traditie is het dromen over vissen nog altijd een zeer goed voorteken.

 
De Harlekijnvis en zijn verwanten (slot)
Frank de Graaf
069
De harlekijnvis staat in de literatuur, zelfs in vrij recente publicaties, vermeld onder twee Latijnse namen: Lienardella (ook verkeerdelijk gespeld als Linardella of Lienardiella) fasciata en Choerodon fasciatus. Geldig is echter enkel Choerodon fasciatus. In 1876 beschreef A. Günther deze lipvis als Xiphochilus fasciatus in zijn publicatie: "Description of some new or little known species of fishes in the collection of the British Museum".
De twee exemplaren waarmee Günther de nieuwe soort beschreef, waren afkomstig van Cape York Queensland Australië. Het genus Choerodon, waar de harlekijnvis nu zijn taxonomische plek heeft, wordt gekenmerkt door een volledige zijlijn met 27 grote geperforeerde schubben tot aan de basis van de staartvin, kleine schubben op de kieuwdeksels, minder dan een kwart van de grootte van de schubben op de rest van het lichaam en ten slotte door het bezit van twee paar grote, min of meer gekromde, uitstekende hoektanden in zowel de boven- als onderkaak. De boventanden passen precies in de ruimte tussen de onderste tanden. Vanwege dit opvallende gebit worden de leden van het genus Choerodon “tandlipvissen” genoemd. Het bezit van een of twee paar hoektanden treffen we ook aan bij het genus Bodianus, evenals een ononderbroken zijlijn tot aan de staartvinbasis en grote schubben. Samen vormen de beide genera de onderfamilie Bodianinae in de familie Labridae (lipvissen). Bodianus telt 42 soorten en Choerodon 25. Overigens zijn de hoektanden van de Bodianus-soorten doorgaans kleiner dan die van de leden van Choerodon.
Met zijn 8 tot 9 blauwgerande oranje dwarsbanden, waarvan er drie op de kop en de overige op het lichaam, is de harlekijnlipvis het meest opvallend gekleurde lid van de hele onderfamilie, althans de jong volwassen dieren. Naarmate de jaren verstrijken, wordt het achterlichaam tussen de banden vijf en negen namelijk langzaam donker gekleurd. Tussen de banden zeven en negen wordt de tussenruimte zelfs geheel zwart en vervolgens ook de witte tussenruimten. Meer naar voren toe blijft een groot gedeelte van de buikzijde echter wit.Ondanks deze kleurverandering blijft ook de oudere harlekijnvis een opvallende verschijning op het koraalrif. In zijn prille jeugd zou dit opvallende uiterlijk niet gunstig zijn voor zijn overlevingskansen en daarom is het niet verwonderlijk dat jonge harlekijnvissen minder fel gekleurd zijn. De 9 dwarsbanden zijn al in een vroeg stadium aanwezig, echter onopvallend lichtbruin tot oranjebruin gekleurd. Verder behoren tot het jeugdkleed 2 ronde zwarte stippen in de rugvin: één boven de vierde dwarsband en één boven de ruimte tussen de zevende en achtste band. Tegenover deze zwarte stippen in de rugvin bevinden zich twee andere stippen op respectievelijk de anaalvin en de buikvinnen. Bij het opgroeien worden de achterste stippen ovaal van vorm en omringd met een witte tot blauwe rand. Ook de voorste stippen kunnen een dergelijke rand krijgen. Zijn de jonge harlekijnvissen door hun minder felle kleuren al wat veiliger, zij leven bovendien in vrij diep water waar de kleuren geen grote rol meer spelen. Toch zijn zij erg schuw en verbergen zich snel tussen koralen en koraalpuin.


 
Hippuris vulgaris, lidsteng
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
076
Bij een oppervlakkige kennismaking, bestaat de kans de plant te verwarren met vertegenwoordigers van de Equisetaceae of paardenstaarten.
Het feit dat beide planten een holle stengel bezitten en hun stijve, bijna naaldvormige bladeren horizontaal in alle richtingen pieken, is daar natuurlijk niet vreemd aan. Ook bezitten beide voortwoekerende wortelstokken.
Zelfs de eerstbeschrijver vond de gelijkenis frappant, maar besefte wel degelijk dat deze plant tot de Angiospermae (die zaden vormen) en de andere tot de Sphenopsida (die sporen vormen) behoorde.
Maar Carolus Linnaeus was nu eenmaal gewoon om een plantennaam te geven aan de hand van hun uitzicht. De oplossing lag voor de hand: hij had voor Equisetum het Latijnse equus = paard genomen en nam nu het Oud Griekse hippos = paard en oura = staart voor deze plant.
Dergelijke taalspelletjes komen frequent voor in het planten- en dierenrijk indien soorten veel op elkaar lijken. De eerstbeschrijver zal de mening “What ‘s a name” gehuldigd hebben.
Nu moet hij maar weinig van paarden gekend hebben, want de plant lijkt meer op de behaarde staart van een rat. Slechts in weinige landen was men de naam “paardenstaart” indachtig.
Zo spreken praktisch alleen de Engelsen van een “mare’s tail” wat “merriestaart” betekent.
Raar, maar ik heb tijdens mijn studies in de biologie nooit geleerd een hengst te onderscheiden van zijn vrouwelijke tegenhanger wat de staart betreft.
De Fransen noemen de plant “pesse” wat “spar” betekent, de Spanjaarden zeggen simpelweg “picea*”.
De Duitsers spreken van “Tannenwendel”. Hierin zitten de woorden voor spar of den en schroefvormig. Vooral de landvorm doet aan een mini den of spar denken.De verwarring is te wijten aan de verschillende verschijningsvormen van de plant. Deze kan ofwel volledig ondergedoken zijn, zoals bv. in de winterperiode, of onder vijftig tot tachtig centimeter diep, met gedeelten onder water en gedeelten erboven, of gewoonweg als landplant. In Frankrijk komt zelfs een afwijkende vorm voor in brak water.

 
  20 vragen aan... Gilbert Maebe 080
  BBAT-informatief 082
  VOEDSELGIDS Lichtmotten (2)  
Top