Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 63 – Nr. 04 - April 2010
 
ISSN 1372-6501
Nieuwe verre horizonten
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
086
Op woensdag 09/09/09 vertrokken mijn echtgenote en ik vanuit Zaventem naar Londen Heathrow. Daar vinden we onze Duitse vrienden Franz-Peter en zijn echtgenote Ulli om samen verder te reizen naar Sydney, Australië en later naar Nieuw-Zeeland. Tijdens een tussenlanding in Los Angeles, werden we gefotografeerd en moesten we ook vingerafdrukken afleveren aan de staat. Vervolgens vlogen we tot in Auckland, Nieuw-Zeeland. Een uurtje later zaten we alweer op een ander vliegtuig om ons naar Sydney te vliegen. Toen we daar aankwamen waren we 42 u. van huis weg.
Met een taxi ging het naar Parramatta, even buiten Sydney, tot in het Marriott hotel, waar de komende 2 dagen het ANGFA (Australian and New Guinea Fishes Association) congres zal plaats vinden met tal van interessante lezingen.
Na de voordracht van David Cooper over de zoetwatervissen van Nieuw-Zeeland heb ik contact genomen met deze man. Ik vertelde hem dat we de komende dagen zijn vaderland gingen bezoeken en vroeg of contactname, eventueel een bezoek, tot de mogelijkheden behoorde. Toen hij ons vertelde dat het zijn dagelijks werk was om beroepshalve bezig te zijn met het behoud van de inheemse vissen van Nieuw-Zeeland en dat hij het wel zag zitten om een dag met ons erop uit te trekken, hadden we meteen een bijkomend doel in Nieuw-Zeeland.
Aanvankelijk zouden we enkel als toerist dit land bezoeken. Deze gelegenheid lieten we niet onbenut en er werden afspraken gemaakt.
Op 15/09/09 zijn we dan naar Auckland gevlogen. De auto opgepikt op het vliegveld en na wat zoeken de juiste richting gevonden naar de vooraf gereserveerde Lodge, even buiten de stad. Auckland is de grootste stad van Nieuw-Zeeland en ligt op het Noordereiland. Nieuw-Zeeland bestaat uit een Noorder- en een Zuidereiland. Ons programma zag er als volgt uit: eerst helemaal naar het noorden, dan terug en met de boot naar het Zuidereiland. Nadien vanuit Christchurch op het Zuidereiland naar Auckland vliegen, om vandaar terug naar huis te keren. Hiervoor hebben we met het congres in Australië inbegrepen een maand tijd.
De 2de dag hadden we al een afspraak met David Cooper, meer bepaald in het Mahurangi Technical Institute in het stadje Warkworth, zo’n 80 km ten noorden van Auckland. Mahurangi is een rivier en betekent: “grote eindeloze luchten”. Dit is Nieuw-Zeelands grootste maritiem en aqua-cultureel vormingsinstituut. Het is eveneens een commercieel kweekstation van inheemse zoetwatervissen met als bijkomende doelstelling het behoud van deze soorten. Het is de enige legaal gepatenteerde visfarm in de wereld van Nieuw-Zeelands inheemse vissen. Zij zijn bereid en gepassioneerd om deze vissen ter beschikking te stellen voor de internationale aquariummarkt. De Nieuw-Zeelandse inheemse zoetwatervispopulatie telt ong. 40 soorten. Bijna alle zijn carnivoor en voeden zich hoofdzakelijk met ongewervelden. De meerderheid van deze vissen is uitstekend geschikt voor het aquarium: ze zijn tolerant t.o.v. een grote verscheidenheid van watersamenstelling. Dit komt omdat vele in de natuur een deel van hun levenscyclus in zeewater doorbrengen. Een beetje fluctueren met de watersamenstelling stellen ze zeer op prijs. Het zijn vissen die best gehouden worden op een temperatuur onder de 20 °C.Deze voorkeur maakt hen tot ideale vissen voor een koudwateraquarium.



 

De tijgerlotus
Gustaaf Suykerbuyk - Barbus Antwerpen
094
Tijgerlotussen behoren tot de meest gehouden aquariumplanten en al decennia lang ook tot de toppers. Zelfs voor een beginnend liefhebber zal deze plant tot succes leiden omdat hij maar weinig eisen stelt aan de bodem en waterkwaliteit. Enkele klei- of leembrokjes rond de wortels in de bodem duwen volstaat.
Eigenaardig genoeg bestaat er nog altijd geen duidelijkheid over de wetenschappelijke naam. Sommige auteurs beschrijven zowel de groene als de rode tijgerlotus zonder aarzelen als Nymphaea lotus of N. zenkeri. Anderen zetten hier een groot vraagteken bij en soms wordt zelfs de twijfel uitgesproken of het wel een Nymphaea-soort dan wel een Nuphar-soort betreft. De verwantschap tussen deze twee genera van de waterleliefamilie (Nymphaeaceae) is zeer nauw. Eigenlijk vormen de twee genera met hun beschreven soorten een zeer complex kluwen. Dit wordt nog eens extra bemoeilijkt door de gemakkelijke bastaardvorming tussen verschillende soorten waterlelies. Waar men het wel ongeveer over eens is, is dat het een subtropische tot tropische soort betreft, waarschijnlijk van Afrikaanse origine, hoewel ook Azië wel eens mee vernoemd wordt. Met de snelle ontwikkeling van de genetica zal de volgende jaren wel meer klaarheid komen over de juiste wetenschappelijke naam. Ondertussen blijven we hem rustig Nymphaea lotus noemen.
Dit alles mag ons zeker niet weerhouden om deze plant in het aquarium te houden, want zoals gezegd stelt de tijgerlotus weinig eisen aan de bodem en waterkwaliteit. In de natuur wordt de plant in zeer verschillende waters aangetroffen. Enerzijds worden ondiepe, tijdelijke poelen en kleine meren begroeid waarin de planten reusachtige bladeren ontwikkelen; anderzijds wordt de groene tijgerlotus in West-Kameroen in snelstromende waters aangetroffen.
De rode vorm is wel de meest attractieve en wordt in de handel ook het meest aangeboden. Bij de aanschaf krijgen we een ruwrond knolletje waaruit zich een rozetje vormt, of al gevormd heeft, van enkele kleine jeugdbladeren. Die lijken op een afgeronde botte pijlpunt en staan op kleine bladstengeltjes die alle vanuit een zelfde oogje op de knol ontspruiten. Vanuit hetzelfde punt ontwikkelen zich ook de eerste worteltjes.
De hechting van het jonge plantje op de knol is nogal fragiel. Door lichte wrijving komt het jonge plantje soms al los, maar kan dan gelukkig nog wel apart ingeplant worden. Het knolletje zal nog enige tijd opnieuw uitlopen. Dit is al een eerste manier om de plant te vermenigvuldigen.


 
Hyla cinerea
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw
102
Aan de kleurplaat is weinig toe te voegen. De gele horizontale lijn en de vlekjes op de rug bezitten soms een fijn zwart boordje. De hechtschijven zijn groot en laten moeiteloos een verticale klim toe. De man meet amper 5 cm. Hij heeft, als hij niet kwaakt, een gerimpelde keel terwijl deze bij het vrouwtje glad is. Het lichaam is overdag meestal grasgroen, hoewel donkere en lichtere kleuren ook voorkomen afhankelijk van temperatuur en stemming, maar vooral 's nachts.
Ze bewonen het zuidoosten van de Verenigde Staten. Dat omvat respectievelijk de staten Alabama, Arkansas, Noord- en Zuid-Carolina, Florida, Georgia, Illinois, Kentucky, Louisiana, Mississippi, Missouri, het grensgebied van Tenessee, Texas en Virginia. Ook werden ze uitgezet in Puerto Rico.
We vinden ze in diverse beekjes, meren, moerassen, vijvers en het struikgewas langs de oevers ervan waar ze zich overdag in verstoppen, want ze worden eerst tijdens de schemering en nacht actief. Overdag nemen ze enkel een uitgebreid zonnebad. Jonge dieren zijn niet zo klimlustig en blijven dicht bij de bodem. Bij een regenbui wijken ze van deze gewoonte af en gaan meteen massaal op jacht naar insecten. Er zijn zelfs populaties aangetroffen in brak water.
Deze kikker is niet enkel zeer algemeen in grote delen in deze gebieden, maar behoort tot de populairste kikkers in het terrarium. Dit heeft als gevolg dat er vele observaties gedaan zijn over deze soort. Zodoende creëer je zelfs een speciaalterrarium met soorten uit de V.S.A. en de Caraïben. Het is veeleer een bewoner voor een paludarium omwille van het feit dat ze een grote waterruimte nodig hebben om zich thuis te voelen. Omwille van de hygiëne kan men best een ondoordringbare wand tussen het water en het landgedeelte aanbrengen. Dit laat ons toe het water geregeld te verversen. Dit poeltje vervult ook een belangrijke rol tijdens de voortplanting. Voorzie wel een waterdiepte van minstens 10 cm met enkele steentjes, stukjes kienhout en waterplanten op de bodem als vasthechtingspunt voor de eieren. Het terrarium of paludarium moet ruim zijn, veeleer hoog  en voorzien van een rijke beplanting waartussen een stel klimtakken absoluut niet mag ontbreken. Als beplanting komen vooral soorten met een groot blad in aanmerking zoals Bromelia- en Philodendron-soorten naast Aglaonema en Calathea. Ook de pampalelies of yucca’s zijn geliefd om hun brede stevige bladeren die een goede basis vormen voor hun verre sprongen. Omwille van de subtropen kunnen er nog enkele tilandsia’s bij. De vereiste temperatuur en luchtvochtigheid van 24-27 °C / 50-70% overdag en 18-20 °C/ 70-80% ’s nachts, komt ook deze laatste planten ten goede. Deze omstandigheden laten ons ook toe om voor gezelschap te zorgen, zodat er zowel overdag als s’ nachts beweging is in jouw vivarium. Als gezelschap komen kleinere anolissen zoals de groene roodkeelanolis Anolis carolinensis en de bruine A. sagrei in aanmerking. Dit impliceert wel dat de takken nu iets zwaarder moeten uitvallen. Ook een Phelsuma misstaat volstrekt niet als medebewoner.



 
Cataclysta lemnata, het kroosvlindertje
Guido Lurquin
106
Soms komen we in de vijver voor een raadsel te staan: de bladeren van de waterlelies zijn aangevreten langs de randen. Er zijn kleine en grote happen uit verdwenen. Echt duidelijk is de oorzaak niet. De boosdoeners zijn dan ook goed gecamoufleerd. Het zijn de rupsen van grijswitte vlinders die de schade veroorzaken. Ze leven in een zelf aan elkaar geplakt omhulsel van afgebeten stukken blad en kroos. We moeten er echt naar zoeken en misschien wel onze bril opzetten.
Het gaat hier om een motvlindertje met een spanwijdte van 15-25 mm. De witte vlindertjes vliegen rond van mei tot begin oktober en komen voor langs vijvers, poelen, rivieren en plassen. Ze verwijderen zich niet ver van het water waaruit ze geboren zijn en zijn dus veeleer sedentair. Hun levensmilieu is stilstaand water, zeker als er eendenkroos aanwezig is.
De achtervleugels van het motvlindertje zijn wit met donkere vlekjes en banden. Er is een zwarte, geel omrande zoom die parallel loopt met de vleugelrand. In de zoomband zien we glanzende puntjes. De voorvleugels zijn vrij smal en de poten van deze mot zijn vrij lang. De voorvleugels van het mannetje zijn wit met een erg zwakke, bruinige tekening. De voorvleugels van het vrouwtje zijn veeleer lichtbruin met een donkere tekening. Het vrouwtje is groter dan het mannetje. De motten vliegen zowel overdag als ’s nachts. Ze leven van plantensappen. De eitjes worden afgezet onderaan drijvende bladeren. Het achterlijf wordt over de bladrand heen gekromd door het vrouwtje. De rupsen zijn semi-aquatisch en bouwen drijvende huisjes.


 
  BBAT-informatief 110
  VOEDSELGIDS Raderdiertjes  
Top