Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 63 – Nr. 05 - Mei 2010
 
ISSN 1372-6501

Poecilia obscura, de "Oropuche guppy"
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
114
Tot voor enkele jaren kenden we de populaire guppy als één enkele soort, die officieel Poecilia reticulata (Peters, 1859) heette. Je kunt er in de handel en in de liefhebberij moeilijk naast kijken. Het is een zeer populair visje dat wereldwijd wordt gehouden en nagekweekt. Ook in de wetenschapswereld werd en wordt dit visje vaak gebruikt voor allerlei onderzoeksdoeleinden. In 2005 kwam er een tweede guppy-soort ten tonele: de Endler gup of Poecilia wingei, beschreven door de Nederlandse ichtyoloog Fred Poeser samen met M. Kempkes en I. Isbrücker (Contributions to Zoology, 74 (1/2), 2005). Eind 2009 kwam er nog een derde guppy-soort bij, de Oropuche gup of Poecilia obscura. Deze werd beschreven door S. Schories, M. K. Meyer en M. Schartl in Zootaxa 2266: 35-50 (2009). Hoe komt het nu dat een vissoort die 150 jaar geleden werd beschreven, plots uit drie verschillende soorten blijkt te bestaan? En wat is zo bijzonder aan de Oropuche gup?
De naamgeving van de guppy’s heeft in de loop der tijden heel wat watertjes doorzwommen. Peters beschreef als eerste de guppy als Poecilia reticulata in 1859. De type-vissen werden gevangen door ene J. Gollmer in de Guayre River in de buurt van Caracas. Enkele jaren later, in 1866, beschreef Günther de soort Girardinus guppii op basis van vissen die hem werden bezorgd door ene R. J. Lechmere Guppy. U merkt meteen waarvan de populaire benaming “guppy” vandaan komt. Eigenmann onderzocht in 1907 vissen die gevangen werden in Barbados en Guyana. Hij verplaatste de guppy naar het genus Acanthophacelus. In 1913 stelde Regan dan weer dat de soort onder het genus Lebistes thuis hoorde. Lebistes poecilioides (De Filippi, 1861) uit Barbados werd uitgeroepen als de type-soort. In 1963 oordeelden Rosen en Bailey dat de soortnaam Lebistes reticulatus terug moest gewijzigd worden naar de oorspronkelijke benaming Poecilia reticulata. Dit is ook de wetenschappelijke naam die de aquariumliefhebbers sindsdien hanteren, al is de populaire benaming “guppy” onuitroeibaar ingeburgerd.
Al deze studies gebeurden met de middelen van de wetenschap die op dat ogenblik beschikbaar en gangbaar waren. Je kunt je inbeelden dat dit in de 19de en in de 20ste eeuw nog “manueel” gebeurde, of juister gesteld: op basis van de “morfologische eigenschappen” van de onderzochte vissen. Dit komt erop neer dat het onderzoek bestond uit de analyse van de met het blote oog of door de microscoop zichtbare, telbare en meetbare kenmerken.
Ook het onderzoeksmateriaal is uitermate belangrijk en hiervoor heeft men vanzelfsprekend wilde guppen nodig. Helemaal in het noorden van het Zuid-Amerikaans continent ligt Venezuela. De oorsprong van de wilde guppen bevindt zich in de ruime regio in en rond Venezuela, inclusief Guyana en de eilanden voor de kust. Hieronder vallen bijvoorbeeld de eilanden Trinidad en Tobago die samen officieel de republiek “Trinidad en Tobago” vormen. Dat is dus een zeer groot verspreidingsgebied en de gup heeft zich bovendien – hoofdzakelijk door menselijk toedoen - verspreid over heel de wereld. Ze werden bijvoorbeeld uitgezet in tropische gebieden in de hoop om de muggenplagen te bestrijden. Men koos voor guppen omdat ze verzot zijn op muggenlarven en omdat ze zich snel vermenigvuldigen. Het uiteindelijke effect op de verspreiding van muggenplagen is echter nooit bewezen. Maar voor de echte, originele wilde gup, moet je dus in noordelijk Zuid‑Amerika zijn.



 

Het genus "Glossolepis" (deel 1)
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
122
Taxonomie
rijk: Animalia Linnaeus, 1758
subrijk: Bilateria (Hatschek, 1888) Cavalier-Smith, 1983
tak: Deuterostomia Grobben, 1908
infrarijk: Chordonia (Haeckel, 1874) Cavalier-Smith, 1998
stam: Chordata Bateson, 1885
substam: Vertebrata Cuvier, 1812
infrastam: Gnathostomata auct.
superklasse: Osteichthyes Huxley, 1880 (beenvissen)
klasse: Actinopterygii Cope 1887 (straalvinnigen)
orde: Atheriniformes (koornaarvisachtigen)
familie: Melanotaeniidae (regenboogvissen)
genus: Glossolepis (Allen & Kailola, 1979)

Het genus Glossolepis bestaat vandaag uit acht ons bekende soorten. Het zijn nagenoeg alle vissen waarvan de introductie in de aquaristiek dateert van net voor de eeuwwisseling of bij het begin van deze eeuw. In dit eerste deel overlopen we in een bondige kennismaking de eerste vier soorten in alfabetische volgorde:
Glossolepis dorityi Allen, 2001
Glossolepis incisus Weber, 1908
Glossolepis leggetti Allen
Glossolepis maculosus
Allen, 1981 & Renyaan, 1998



 
Pterapogon kauderni, de juweelkardinaalbaars
Bruno Lemer - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
126
Pterapogon vindt zijn oorsprong in Pteris (Latijn) of vleugel en de naam van het verwante genus Apogon.
Kauderni is een eerbetoon aan de Nederlander Dr. Kaudern welke als eerste de soort ving rond het Banggai archipel in het toenmalig Indonesië rond 1820. Hoe mooi dit zwart-wit kardinaalbaarsje ook is het raakte in de vergetelheid. Toen in 1992 Karl Muller, verblijvend op Bali, er kennis met maakte was de boot aan. In massa werden ze nu gevangen en geëxporteerd naar alle werelddelen. Zo erg dat men vreest dat ze in hun natuurlijke omgeving zullen uitsterven. Gelukkig is men er vrij vlug in gelukt de soort na te kweken. Mogelijk zijn er in de aquaria heden meer exemplaren te vinden dan in de natuur. Enkele jaren geleden werden er jaarlijks 50 000 tot 120 000 gevangen.
Even kijken naar wat er zoal in hun paspoort vermeld staat.
Ordo: Perciformes of Baarsachtigen
Sub ordo: Percoidei of Echte baarsachtigen
Familia: Opogonidae of Kardinaalbaarzen
Sub-familia: Apogoninae
Genus: Pterapogon
Species: kauderni  Koumans, 1933
Merkwaardig zijn de twee rugvinnen waarvan de eerste bestaat uit 6 tot 8 harde en de tweede uit 8 à 14 zachte vinstralen. Men vindt de soort slechts rond de eilandengroep Banggai in Indonesië boven ondiepe zandvlakten of afgestorven koraal. Aan deze vlakke plaatsen is maar één voorwaarde verbonden en dat is de aanwezigheid van de langstekelige diadeem zee-egel Diadema setosum welke ze nodig hebben als bescherming voor zichzelf en voor hun jongen.
Deze kleine kardinaalbaars – maximaal 8 à 10 cm – leeft er in schooltjes van ongeveer 50 exemplaren zonder de minste intra specifieke agressie te vertonen. In een beperkte ruimte zoals ons aquarium vertonen ze dergelijke agressie ten opzichte van soortgenoten zodanig dat er na verloop van tijd ons nog maar een paartje rest. Een exemplaar dat zwart kleurt en zich in een hoekje verstopt is sterk gestresseerd en moet onmiddellijk ergens anders ondergebracht worden of het loopt slecht af. In zijn natuurlijk biotoop heeft hij buiten de zee-egels weinig contact met andere lagere dieren en laat ze in ons vivarium dan ook met vrede. De Engelstaligen gebruiken daarom voor hen de veelzeggende term “reef safe”.



 
Lysimachia, wederik
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
130
Deze maal ga ik me niet wagen aan een verklaring van de genusnaam. Of het nu gaat om de naam van een veldheer, een arts of het gebruik ervan om weerspannige ossen en paarden mee te kalmeren draagt weinig bij tot onze hobby.
De Nederlandse naam “wederik” is ontstaan uit het Middelnederlandse woord “wede” dat wilg betekent. Dit is vooral te wijten aan de “moeraswederik” welke quasi dezelfde smalle puntige blaadjes en de op wilgenkatjes lijkende bloei vertoont als de inheemse schietwilg of Salix alba.
In het Duits luisteren deze planten naar de naam “Gilbweiderich”. “Weiderich” geldt daar echter niet alleen voor de Lysimachia-soorten maar ook als Blutweiderich voor (Lythrum salicaria) en Rotweiderich (Rotala macandra).
De wetenschappelijke namen bewijzen dus weer eens hun nut.
De Nederlandse naam bastaardwederik is eigendom van het genus Epilobium uit de familie der Onagraceae of de teunisbloemfamilie en heeft buiten een verwarrende gelijkenis van sommige soorten wat betreft voorkomen en biotoop althans niets te maken met deze vertegenwoordigers van de Primulaceae of de sleutelbloemfamilie.
De bloemen produceren geen nectar maar in plaats hiervan een soort olie. Deze olie is de reden dat u bezoek kunt verwachten van een zeldzaam en speciaal soort bijen. Als insect bezitten deze natuurlijk 6 poten, maar bij deze Macropsis labiata zijn het eerste twee paar voorzien van een soort kussentjes die de olie opzuigen. Na het bloemenbezoek strijken ze, in volle vlucht, de olie af in reservoirs aan het laatste paar poten. Deze containers lijken enigzins op overschoenen en worden daarom gewoonlijk “slobkousen” genoemd. Mevrouw slobkousenbij mengt, thuisgekomen, deze olie met nectar en voedt er haar larven mee. De bij komt slechts voor waar bepaalde Lysimachia-soorten bloeien. Gekende olieproducenten zijn het penningkruid dat zelden bezocht word, de puntwederik en de grote wederik.


 
 

20 vragen aan... Joris Diopere

136
  BBAT-informatief 138
  VOEDSELGIDS Muizen en ratten (1)  
Top