Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende
   

 

Jaargang 63 – Nr. 06 - Juni 2010
 
ISSN 1372-6501

Houden en kweken van de axolotl
Sander Bauwens - De Siervis Wetteren
142
De axolotl (Ambystoma mexicanum) is een salamander uit de familie der molsalamanders (Ambystomatidae). Hij komt oorspronkelijk voor in het Xochimilcomeer en het Chalcomeer in Midden-Mexico, maar leeft ook in zgn. "axalapascos", vulkanische kraters gevuld met water. Door vervuiling en overbevolking van mensen – door de uitbreiding van Mexico-stad is het Xochimilcomeer drooggelegd – is de wilde populatie met uitsterven bedreigd en daarom opgenomen in de CITES lijsten. Ook de invoer van karpers en de tijgersalamanders (Ambystoma tigrinum) zorgt voor de uitsterving van de axolotl. De karpers eten eieren en larven van de axolotl en de tijgersalamander paart met de axolotl, waardoor er onvruchtbare kruisingen ontstaan.
Salamanders, zoals wij die normaal bij ons kennen, hebben een leven dat verloopt in twee stadia. Vooreerst is er het larvale stadium dat zich in het water afspeelt en waarbij zij ademen langs kieuwen. Daarna is er, na de metamorfose, het volwassen stadium waarbij de salamanders het water verlaten en ademen door longen. Slechts om voor het nageslacht te zorgen, komen zij naar het water terug.
De Axolotl verschilt in die zin van “onze” salamanders omdat hij in het “larvale” stadium blijft en zodoende zijn leven in het water doorbrengt. Hij ademt via uitwendige, “varenvormige” kieuwen, door de huid en beschikt ook over een “longzak” zodat hij van tijd tot tijd naar de oppervlakte moet om lucht te ademen. Uitzonderlijk is dat zij zich ook als “larve” voortplanten, zonder eerst een “volwassen” stadium te bereiken. Dit verschijnsel, dat zeer zelden in de natuur bij andere salamanders voorkomt, heet “neotenie”. In de natuur is een volwassen landvorm niet bekend. Door het uitdrogen van hun poel of door het geven van het schildklierhormoon thyroxine kunnen ze toch een metamorfose ondergaan.
Het lichaam heeft de typische salamandervorm en is bruingroen gekleurd, met heldere vlekken. Er bestaan ook albinovormen, wit gekleurd, met rode kieuwen.
Een volgroeide axolotl (18 tot 24 maanden) heeft een lengte variërend van 150 tot 450 mm, hoewel een grootte rond 230 mm het meest voorkomt en ze zelden groter worden dan 300 mm. Heel bijzonder aan de axolotl is dat hij aan regeneratie kan doen: hij kan afgebeten lichaamsdelen terug laten aangroeien.



 

Slechte cichliden?
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
148
Kan een cichlide slecht zijn? In één woord: neen! Al zou je het aan de reactie van sommige van mijn clubleden soms wel anders vermoeden. Alle cichliden zijn inderdaad interessante vissen, maar ik zit nu eenmaal in een vereniging van liefhebbers voor beplante gezelschapsaquaria, een vereniging met een zekere reputatie op dat vlak durf ik zelfs te stellen, terecht ook hoorde ik dan weer van anderen. Zij zien cichliden in hun beplante gezelschapsaquarium dan ook niet zo meteen zitten.
Zijn ze ook allemaal geschikt voor zo’n aquarium? In één woord: neen! Het inbrengen van cichliden in het beplante gezelschapsaquarium is immers totaal onvoorspelbaar en soms zelfs totaal onverantwoord. Bezint dus eer ge begint!
De introductie van cichliden in een beplant gezelschapsaquarium kan enkel maar voor én kleine, vreedzame soorten, én soorten die niet al te erg graven in het zand en zo al je mooie planten loswoelen, én maar voor één of max. twee soorten per voldoende groot aquarium. We spreken hier dan al direct over minimum 100 cm baklengte. Mikrogeophagus ramirezi, het antennebaarsje en Mikrogeophagus altispinosa zijn zulke cichliden. Let op! Het zijn, omdat ze in het gezelschapsaquarium kunnen, zeker geen beginnersvisjes, laat dat even duidelijk wezen, want voor sommigen komt dat op hetzelfde neer. Je houdt Mikrogeophagus best per koppel. Je herkent het vrouwtje aan de roze buikpartij, want uitgezonderd dat het mannetje wat meer verlengde vinnen heeft, zijn beide geslachten nagenoeg even mooi gekleurd, wat ook een zeldzaamheid is in de cichlidenwereld. In de broedperiode zijn de kleuren van het mannetje iets feller. Ze komen uit de Rio Apure en de Rio Meta in Venezuela. Het mannetje wordt met ongeveer 6 cm ook wat groter dan het vrouwtje. De antennebaars onderscheidt zich zichtbaar van het genus Apistogramma door het aan de zijkanten sterk “samengedrukte” lichaam. De basiskleur van de antennebaars is paarsblauw en verandert volgens de lichtinval. De zijkanten en de vinnen zijn bedekt met glanzend groene tot blauwe stippen Het bovenste deel van de iris van het oog is glanzend lichtblauw en het voorste deel van de rugvin is zwart. De eerste drie rugvinstralen van het mannetje zijn verlengd en zwart van kleur. De paren paaien het liefst op stenen, maar ze doen “het” ook wel in kleine – voor de planten niet echt een probleem vormend – kuiltjes in het zand. De jongen worden aanvankelijk door beide ouders verzorgd. Mikrogeophagus altispinosa wordt wat groter, heeft bovendien mooie, rode verlengde vinstralen aan de bovenste vinstralen van de staartvin, maar heeft minder blauw op het lichaam en de vinnen.


 
Geslachtsomkeer bij vissen
Eddy Derijst - Siervis Geraardsbergen - Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen, Brussel
154
Bij het zetten van onze eerste stappen in de aquaristiek (nu meer dan veertig jaar geleden), was één van de grootste wonderen die wij in deze liefhebberij leerden, dat vissen van geslacht konden veranderen. De geslachtsomkeer was in die tijd voornamelijk waarneembaar bij de zwaarddragers. De vrouwtjes bezitten een ronde staartvin en een normaal tegen het onderlichaam aangegroeide aarsvin. Bij de mannetjes zien we een duidelijke, lange verlenging aan de onderzijde van de staartvin (het zogenoemde zwaard) en de aarsvin is vergroeid tot een beweegbaar opgerold buisje dat we "gonopodium" noemen. Het wonder bij deze vissoort merkten we op indien korte tijd na het afsterven van het mannetje, bij één der overblijvende vrouwtjes die al menige nakomelingen had gebaard, de staartvin ging verlengen. Bij nader toezicht bleek er ook aan de aarsvin iets te wijzigen omdat dit van de buik loskwam en … tot een mannelijk gonopodium ging vergroeien. Stom van verbazing merkten wij dan na enige tijd dat dit exemplaar de andere vrouwtjes ging belagen en, zoals wij gezien hadden van het ondertussen gestorven mannetje, de vrouwtjes trachtte te bevruchten. Dat dit dan nog lukte ook, sloeg ons in deze tijd met verbazing. Een wonder van de natuur.
Ondertussen hebben we na tal van andere wonderwaardige belevenissen met vissen en het lezen van ontelbare publicaties, geleerd dat zwaarddragers niet de enige vissen zijn die van geslacht kunnen veranderen. Bij zeevissen is dit zelfs vrij algemeen en vooral bij de lipvissen een gekend fenomeen.


 
Lacerta vivipara
Guido Lurquin - De Siervis Leuven
158
Deze levendbarende hagedis is een typische bewoner van zonnige plaatsen met een hoge vochtigheid, onze vijveroever bijvoorbeeld. Men ziet ze niet zo vaak, omdat ze een nogal verborgen leefwijze hebben. Enkel als ze behoefte hebben aan zonnewarmte, komen ze tevoorschijn en installeren zich voluit op een steen of een stuk hout. Zolang ze het idee hebben niet gezien te worden, houden ze zich doodstil. En inderdaad moet men er dan oog voor hebben om ze te ontdekken. Komt men te dichtbij, dan schieten ze snel weg. Als in de vegetatie veel droog materiaal aanwezig is, verraadt een ritselend geluid de wegvluchtende dieren.
De levendbarende hagedis of kleine hagedis is een langgerekte maar platte hagedis die slechts 18 cm groot wordt. De grotere vrouwtjes tenminste, want mannetjes blijven kleiner en halen deze lengte nooit. De ledematen zijn vrij kort. De kleine kop ligt in het directe verlengde van het lichaam. Hij wordt gedragen door een dikke nek met licht gekartelde kraag. De puntige neus is afgerond. Zonnebadend op een tak of tegen de stam van een boom valt het dier amper te bespeuren. De kleur van de rug is groenachtig bruin, grijs of beige. Meestal is er een donkere lijn over de ruggengraat en zijn er gele en zwarte puntjes. De flanken zijn donker. De buik is geel of oranje gevlekt. De rug is overwegend bruin en lichter bij oudere dan bij jonge dieren. Oudere dieren zijn overwegend lichtbruin, jonge exemplaren zijn donkerder van kleur. Het vrouwtje bezit een geelachtige buikzijde. Mannetjes hebben meestal een oranje tot rode buik met zwarte vlekjes. Op de flanken tekenen zich hier en daar enkele blauwe schubben af.
Oorspronkelijk is de staart langer dan het lichaam, soms wel twee keer zo lang. Hagedissen werpen de oude huid geregeld af door langs ruwe voorwerpen te wrijven, waaraan die blijft hangen. In onze streken is deze hagedis het meest voorkomende reptiel. Doordat het dier zo schuw is en bij het minste onraad bliksemsnel wegritselt, wordt het echter zelden waargenomen. Levendbarende hagedissen vertonen zoals alle hagedissen een schichtige manier van verplaatsen. Hij zoekt zonnige plaatsen op met een hoge vochtigheid. Daarom is hij te vinden in veengebieden, moerasgebieden, vochtige weiden, vochtige kloven, greppels, langs waterlopen en vijvers. Oude muren, ruïnes, open plaatsen in het bos, randen van velden, spoorwegbermen en hellingen zijn andere leefgebieden waar we hem tegenkomen. Hij is ook te vinden in de duinen en langs de zee. Hij voelt zich ook goed thuis in jonge aanplant van dennenbomen en gedijt eveneens op kalkhoudende bodem. Meestal leeft hij op de grond, hoewel hij ook in struiken kan kruipen. Hij komt ook nogal eens voor in tuinen en bij hagen. Toch houdt hij ook daar van de nabijheid van water. Hij kan ernaar vluchten, indien nodig.


 
  BBAT-informatief 164
  VOEDSELGIDS Muizen en ratten (2)  
Top