Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende
  THEMANUMMER "HET NANO-AQUARIUM"

 

Jaargang 63 – Nr. 07-08 - Juli-Augustus 2010
 
ISSN 1372-6501

Het nano-aquarium: modegril of klassieker
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
170
Toen de kranten in december 2008 traditioneel de balans opmaakten van het voorbije jaar en daarbij de nieuwe woorden en producten van dat jaar publiceerden, ontbrak er iets. Het “nano-aquarium”! Zou het ondertussen al in Van Dale zijn opgenomen? Enkele jaren geleden was het nog een volstrekt onbekend begrip, maar als we nu een aquariumwinkel bezoeken, dan zien we dat haast alle merken nano-aquaria in hun gamma hebben. Het zijn kleine design-aquaria met alles erop en eraan. De inhoud varieert van een 10-tal liter tot een doorsnee 40 liter, met een enkele uitschieter tot 130 liter. Het zijn startklare sets, mooi verpakt in een kartonnen doos die je zo kunt meenemen en ... ze zijn voor een prikje te koop.
Nano-aquaria worden massaal verkocht, niet enkel bij ons, maar over heel de wereld. Van in de aquariumwinkel tot in de grote tuincentra gaan ze vlot over de toonbank. Op grote beurzen worden zelfs torens en muren gebouwd met de kartonnen “nano-dozen”, waarvan de meeste tegen het einde van de beurs een nieuwe eigenaar gevonden hebben. Wat maakt die nano-aquaria zo populair? We deden wat opzoek- en denkwerk en kwamen tot een aantal factoren die ervoor zorgen dat het nano-aquarium een commercieel succes geworden is.
Vooreerst hebben deze aquaria een klein volume, waardoor ze probleemloos passen in iedere ruimte. Iedereen heeft wel ergens een plekje vrij op één of andere kast of tafeltje. Mensen die in een appartement wonen en die geen ruimte hebben voor een meteraquarium, kunnen dankzij het nano-aquarium toch genieten van een prachtig stukje natuur. Het is een handige oplossing voor de schoolgaande jeugd om een klein en mooi aquarium te houden in hun eigen slaapkamer. Op het studentenkot van de universitairen of de hogeschoolstudenten is er altijd nog wel plaats tussen de cursussen op het bureau.
Verder zijn nano-aquaria typische designproducten. Ze presenteren goed en er wordt door de fabrikanten veel aandacht besteed aan marketing en verpakking. Ze vormen wat dat betreft een schril contrast met de vroegere “bioblokken”, die niets anders waren dan glazen bakken met zwarte afgeplakte randen om de biofilter te verbergen.
Nano-aquaria worden aangeboden als complete set met alles erop en eraan. De volledige techniek (filter, verwarming en lamp) is voorzien. Er zijn zelfs bijhorende designtafeltjes in allerlei modellen in de handel verkrijgbaar.
Je kunt dus de winkel uitwandelen met een doos onder de arm en thuis meteen starten.
Het wordt allemaal zeer eenvoudig voorgesteld. Je hoeft schijnbaar alleen maar de doos uit te pakken, het bakje wat in te richten en er water in te doen. Hierdoor zullen velen geneigd zijn om impulsief zo’n nano-aquarium te kopen en zo de eerste stap in de aquaristiek te zetten. Ze zijn overigens ook relatief betaalbaar: vanaf een minimumprijs van ongeveer 50 euro zijn ze beschikbaar. Tot slot wordt er veel reclame voor gemaakt, ook buiten de aquariumhandel. Er bestaan bijvoorbeeld op het internet wereldwijde wedstrijden voor om het mooist ingerichte nano-aquarium.


 

Vissen voor het nano-aquarium
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
178
Toen ik laatst met onze hoofdredacteur, Freddy Haerens, een grote aquariumzaak in de buurt van Moeskroen (Poisson d’ Or) bezocht, wees hij mij op de variëteit aan nano-aquaria die daar te koop werden aangeboden. Een nano-aquarium heeft een zeer beperkt volume (tot 50 l) en neemt eigenlijk niet meer plaats in de huiskamer in dan een mooie vaas. Welke vissen zijn echter geschikt voor een nano-aquarium? Dat dit vooral kleine vissen moeten zijn zal voor iedereen al wel meteen duidelijk zijn.
Voor de basiskneepjes bij de inrichting van een nano-aquarium en de bruikbare planten/mossen, laat ik graag de andere auteurs in dit nummer aan het woord.
Vooreerst echter even een oude grondregel uit de aquaristiek oprakelen die leert dat hoe kleiner het aquarium is, hoe gevoeliger de biotoop zijn buffercapaciteit. M.a.w.: hoe sneller het biologisch evenwicht ontregeld kan geraken. Des te belangrijker is het bij nano-aquaria, met vissen erin die afvalstoffen produceren, dat alle factoren perfect op elkaar afgestemd zijn. Als je dus vissen in een nano houdt, doe je dit best doordacht en met de goede soort(en).
Ook de eerdere stelling dat een nano eigenlijk niet voor vissen bedoeld was, maar enkel voor garnalen, is vandaag volledig achterhaald. Er zijn immers zeer kleine en bovendien zeer mooie visjes die best in zo’n nano kunnen gehouden worden. Zoet water weliswaar, want daartoe ga ik me in deze tekst beperken.
Je moet eigenlijk van bij de aanvang, bij de inrichting en planning, al weten welke vis(sen) je wenst in te brengen. Wie als verantwoorde aquariaan dieren aanschaft, hoe klein ook, moet die de meest optimale leefomgeving bezorgen. Ook in dat nano-aquarium ben je daartoe verplicht en laat dus alle niet geschikte vissen in de zaak zitten of houdt die in je grotere aquarium. Hieronder enkele basisregels…
Een vis die alleen al voor zichzelf 30 l water vraagt, hoort niet thuis in een nano van 30 l, ook niet in eentje van 50 l.
Geen grote school inbrengen, slechts enkele kleine visjes en beperk je tot één soort, max. 2 soorten.
Wekelijks een deel van het water verversen is hier nog veel belangrijker dan in een groot aquarium. Niet vergeten te doen dus.
Zeer matig voederen, enkel zoveel als meteen gegeten wordt. Ook dit luistert veel nauwkeuriger in zo’n nano.
Laat de temperatuur niet hoger oplopen dan 22 à 24 °C. Dit komt niet enkel je planten en mossen ten goede, maar houdt ook het zuurstofhuishouden voor de vissen op peil.


 
Garnalen in het nano-aquarium
Freddy Haerens - Aquatropica Kortrijk
184
Als je tegenwoordig een aquariumzaak binnenstapt, dan wordt daar behoorlijk wat aandacht besteed aan het “nano-aquarium”, onderwerp van dit themanummer van Aquariumwereld.
Bij het bekijken van de publiciteit rond dit type aquarium, valt het op dat daar steevast garnalen in gehouden worden. Je kunt er niet naast kijken. Garnalen in het aquarium zijn dus, net zoals het nano-aquarium zelf, een hype geworden in de aquaristiek. Meer en meer zien we ze ook opduiken in mooi beplante aquaria, waar ze meestal ingezet worden om het vuil en de algen op de planten onder controle te houden, maar daarover verder meer.
Het aanbod aan geschikte garnalensoorten is de laatste jaren dan ook spectaculair toegenomen, alsof ze nu pas ontdekt zijn! In de aquariumzaak in Estaimpuis, waar ik geregeld kom om voeder voor mijn vissen in te slaan, zijn er momenteel maar liefst 25 soorten beschikbaar. De prijs liegt er echter ook niet om en varieert van € 1,49 tot € 11,00 per stuk, niet goedkoop dus als je het mij vraagt.
De interesse voor garnaaltjes in het aquarium werd pas in de jaren ’90 aangewakkerd toen Takashi Amano, de ontwerper van het “natuurlijke” aquarium, ze gebruikte om de algen in zijn aquaria met allerlei mossen en fijnbladerige planten, in toom te houden. Caridina multidentata (syn. Caridina japonica) vond hiermee zijn weg in de aquaristiek. Als dank en eerbetoon aan de Japanse grootmeester werden de diertjes al vlug “Amano-garnalen” genoemd.
Ik herinner mij de allerlaatste Nationale Tentoonstelling “Aquariumwereld ‘99”, die door de BBAT werd ingericht in de Stadsfeestzalen op de Antwerpse Meir, waar Fons Ooms van de Aarschotse Aquarium Vrienden een aquarium met Caridina japonica (toen noemden ze nog zo, nu dus Caridina multidentata) had opgezet. Het was de eerste keer dat ik ze kon fotograferen.
Sindsdien zijn er enkel maar soorten bijgekomen en op de FAK-tentoonstelling in 2003 te Buggenhout konden we al een paar kleine bakjes bewonderen met een rode soort van Caridina serrata. Er was toen nog lang geen sprake van zgn. “nano”-aquaria. Vooraleer we echter een aantal soorten van dichterbij bekijken, moeten we weten hoe we garnalen het beste in een aquarium verzorgen. We zijn immers verantwoordelijk voor elk levend wezen dat we in gevangenschap willen houden en zijn moreel verplicht het een zo optimaal mogelijk onderkomen te geven.


 
Hyphessobrycon amandae
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
194
Hyphessobrycon amandae is een straalvinnige vis uit de familie van de karperzalmen (Characidae), in de orde der Characiformes. Als synoniem werd (wordt nog) wel eens Hemigrammus amandae vermeld. Het zijn visjes die het middengebied van het aquarium als zwemruimte verkiezen. H. amandae is een vreedzame scholenvis uit het Rio Araguaia bassin in Brazilië waar hij voorkomt in de rustige zijrivieren van deze rivier, de belangrijkste kanalen en aansluitende meertjes. Het is daar dan vaak verzamelen geblazen onder de dekking van overhangende vegetatie of tussen de oevervegetatie. Met een grootte van max. 2,5 cm is deze soort ook geschikt voor het kleinere aquarium, tegenwoordig heet dat het nanoaquarium. Eveneens door die “grootte” kan H. amandae enkel samen gehouden worden met andere kleine en vreedzame soorten. Je moet je hiervan dan toch een schooltje van minstens 10 exemplaren aanschaffen. Hoe meer hoe beter ... dus voor een scholenvisje zullen ze het met 20 soortgenoten nog beter naar hun zin hebben.. Toch voelen ze zich met zo’n groep het best in een wat groter, dicht beplant, aquarium met daarin ook voldoende open zwemruimte. Zorg je ook voor een wat donkerder bodem en wat gedempt licht met drijfplanten, dat tonen ze al snel hun prachtige, intens goudrode kleur. Heel anders dan de roodroze visjes die je meestal in de winkel aantreft. Je zult ze trouwens niet al te vaak in de handel aantreffen, maar als je ze vindt, twijfel dan niet want dit zijn echte juweeltjes. Hun gedrag is bijzonder vreedzaam.


 
Mossen in het nano-aquarium
Freddy Haerens - Aquatropica Kortrijk
197
In hun artikel “Het nano-aquarium: modegril of klassieker” elders in dit nummer, vermelden de auteurs het gebruik van javamos (Vesicularia dubyana) en diverse andere mossoorten, als uiterst geschikt voor gebruik in dit soort aquarium.
Toen ik het artikelregister van Aquariumwereld er op nakeek, bleek dat het al wat jaren geleden is dat over het gebruik van mossen in het aquarium iets werd gepubliceerd. Reden genoeg dus om er opnieuw aandacht aan te besteden.
Mossen behoren tot een groep planten, Bryophyta genaamd, die bloemen noch zaden produceren. In vergelijking tot bloemende planten, gaat hun evolutie terug tot 440 miljoen jaar in het ijzertijdperk. De meeste mossen zijn kleine, niet-vasculaire landplanten, hoewel sommige tot 35 cm groot kunnen worden en een semi-aquatisch leven leiden.
Mossen hebben een unieke levenscyclus die begint bij een eerste generatie dominante gametophyten. Deze vormen de groene bladstructuur die we normaal met mossen associëren. Mossen zijn voornamelijk landplanten, maar zij hebben nood aan een fijne waterfilm die de mannelijke zaadcellen (spermatozoïden) transporteert naar de vrouwelijke cellen, beide door de gametophyten geproduceerd. Indien de omstandigheden gunstig zijn, ontstaat hieruit de 2de generatie, nl.: de sporophyten of sporendragende structuur. Typisch voor een sporophyte is de capsule die groeit aan het uiteinde van een stengel die “seta” wordt genoemd. De sporophyte bevat geen chlorofyl en groeit als het ware parasitair op zijn gametophyte moeder. De sporophyte droogt uit en verspreidt zijn sporen die, wanneer zij kiemen, zorgen voor een nieuwe generatie gametophyten.
Mossen hebben ook geen aders die water en voedsel transporteren, maar alle delen van de plant worden gebruikt om water en voedingsstoffen te absorberen. Daarom worden mossen meestal gevonden in een vochtige omgeving.
Mossen hebben rizomen in plaats van wortels, ze lijken op vertakte draden. De rizomen kunnen water opnemen, maar worden meestal gebruikt om de plant te verankeren.
De meeste mossoorten kunnen worden gedetermineerd aan de hand van de karakteristieken van de sporophyten, maar ze kunnen ook worden onderscheiden door de structuur van hun “stam” en “bladeren”.
Het is echter niet evident en specialistenwerk.
De meeste mossen zijn groen omdat een groot deel van hun cellen chloroplasten bevatten.
Sommige soorten zijn semi-aquatisch en kunnen onder water groeien. Deze soorten zijn de belangrijkste voor de aquariumliefhebber die er zijn aquarium mooi mee kan aankleden of voor de vissen die hun eieren tussen de fijne structuren afzetten. De pas uitgekomen larven vinden er een veilig onderkomen en hun eerste voedsel in de micro-organismen die op het mos groeien. Aan de andere kant profiteert het mos van de afvalstoffen die de larven produceren. Mossen in een aquarium laten groeien is niet zeer moeilijk omdat de meeste soorten geen hoge eisen stellen aan hun omgeving. Zij kunnen het stellen met minder belichting dan de hogere planten en zonder het voor andere planten zo noodzakelijke CO2. Indien zij echter mee kunnen profiteren van een goede belichting en een CO2 toevoeging, zullen we ze pas in hun volle glorie en schoonheid kunnen bewonderen.
Riccia fluitans, het watervorkje
Gustaaf Suykerbuyk - Barbus Antwerpen
205
De meeste liefhebbers kennen Riccia fluitans of het watervorkje, als een van de klassieke en gemakkelijke planten voor het zoetwateraquarium. De laatste jaren is het plantje aan een sterke opleving begonnen en zien we het terug meer en meer verschijnen, onder meer ook door de hype van het nano-aquarium.
De klassieke manier om R. fluitans te houden, is als drijfplant. De mooie lichtgroene kleur en de wirwar van gevorkte bladachtige structuren die een geheel maken van onregelmatige, drijvende sponsvormige eilandjes, maken van het plantje een echte blikvanger.
Deze schoonheid op zich is een voldoende reden om het watervorkje te houden, maar aan deze losse structuren zijn nog voordelen verbonden. Vissen zitten graag onder een beschaduwing van Riccia en de fijne structuur biedt jongbroed een ideaal schuilgebied. Wie ooit met labyrintvissen heeft gekweekt, weet dat dit plantje een ideaal materiaal vormt om schuimnesten mee op te bouwen.
Het watervorkje lijkt niet op een gewone plant en is ook geen gewone plant. Het behoort namelijk tot de levermossen. Levermossen vormen een aparte afdeling in het plantenrijk. Ze werden vroeger bij de gewone mossen gerekend, maar er waren voldoende verschillen om ze in een aparte afdeling te plaatsen. Dit onder meer door het feit dat levermossen de enige landplanten zijn die geen huidmondjes (stomata) hebben op de diploïde sporenvormende generatie, de sporofyt. Zoals de meeste gewone mossen houden ook levermossen van een vochtig tot zeer vochtig leefmilieu. Wortels vormen ze niet, wel wortelachtige organen, rhizoïden, die uitsluitend een hechtfunctie hebben en uit een enkele cel bestaan.
Een groot onderscheid met de hogere planten vinden we in de geslachtelijke voortplanting. Bij hogere planten wordt de levenscyclus bepaald door de diploïde (2n) vorm met één paar van elk chromosoom. In de bloem vormen het stuifmeel en het vruchtbeginsel de gereduceerde haploïde fase. Bij levermossen is het net andersom: hier bepaalt de haploïde vorm met slechts één chromosomenset (n), het voorkomen van de plant. Deze vorm noemt men de gametofyt. De geslachtelijke of seksuele voortplanting is complex. Uit een spore ontstaat een voorkiem, protonema, die verder uitgroeit tot de gametofyt, de normale verschijningsvorm dus. Onder bepaalde omstandigheden vormen zich hierop archegonia, vrouwelijke organen met een onbeweeglijke eicel en antheridia die mannelijke gameten vormen die naar de eicel of ovule toe moeten zwemmen om ze te kunnen bevruchten. Hiervoor is altijd water nodig. De bevruchte eicel (zygote) blijft zitten op de gametofyt en ontwikkelt zich tot een sporofyt. Deze zal zich ontwikkelen en door een speciale celdeling, de meiose, terug haploïde sporen geven waardoor de cyclus rond is. Bij levermossen is de sporofyt altijd kortlevend en kwijnt snel weg na het loslaten van de sporen.
  BBAT-informatief 210
  VOEDSELGIDS Muizen en ratten (3)  
Top