Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende

 

Jaargang 63 – Nr. 09 - September 2010
 
ISSN 1372-6501

De Indische boogteengekko (1)
Theo Cornelissen
214

De werrelt is maer een woestijn
Vol slangen, ongedierte en draeken
Een pelgrim kan met smerte en pijn
Hier naulix veiligh door geraeken.’
                                 J. v. d. Vondel

Zelden hebben bovenstaande versregels me méér aangesproken, dan toen ik mij aan het schrijven moest zetten van dit artikel. De kleurenplaat van twee dieren, die ik een tijdlang in een van mijn terraria mocht verzorgen, is minstens even uniek te noemen als die van de gevlekte vorm van de vissende slang. In geen van de door mij geraadpleegde boeken komt een afbeelding van dit dier voor. De schaarse literatuur erover is bovendien steeds beperkt tot enkele regels. Ik hoop met het hierna volgende verhaal en de toegevoegde literatuurlijst, gekkoliefhebbers een plezier te doen, dat des te groter zal zijn door de niet te verbeteren kleurenfoto’s van de in het verhaal genoemde en andere ter informatie toegevoegde kleurenfoto’s van Arend van den Nieuwenhuizen.

Als Nederlandse naam stel ik voor: “Indische boogteengekko”. Dit aansluitend en ter onderscheiding van de Duitse naam voor Gymnodactylus pulchellus “Malayischer Bogenfinger”, die dan in het Nederlands “Maleise boogteengekko” zou moeten heten, een veel groter dier dat er echter grof gezien wel wat van weg heeft. Een afbeelding van dit laatste dier kunt u vinden in het door Dr. Heinz Wermuth vertaalde werk van Schmidt en Inger (1957) op pagina 75. Bij de foto staat overigens nog de naam Cyrtodactylus pulchellus vermeld. De Latijnse naam voor de Indische boogteengekko is volgens de naamlijst van Wermuth (1965): Gymnodactylus (subgenus Cyrtodactylus) deccanensis Günther. Synoniem: Gymnodactylus dekkanensis M. A. Smith (1935) (nomen substitum).
Ik ben niet zo gelukkig met de vermelding van een subgenus door Wermuth (1965), vandaar de volgende toelichting. Het in 1825 in het leven geroepen genus Gymnodactylus Spix, heeft als typesoort Gymnodactylus geckoides Spix. Het later ontstane genus Cyrtodactylus (Gray 1827) met als typesoort de zojuist genoemde Cyrtodactylus (nu Gymnodactylus) pulchellus Gray, is door Garth Underwood juist weer in het leven geroepen voor de soorten die buiten het westelijke halfrond voorkomen. Taylor (1963) volgt hem daarin. Underwood reserveerde het genus Gymnodactylus voor de Zuid-Amerikaanse soorten, waarvan de structuur van de ‘oogleden’ afwijkt van de overige door hem genoemde oriëntaalse Cyrtodactylus-soorten; de Zuid-Amerikaanse soorten bezitten bovendien nooit preanaal- of femoraalporiën. Zelfs Kluge (1967), die de lijst van Wermuth grotendeels volgt en toch wel kritisch tegenover Underwood staat, volgt Underwood op dit punt en is het met Wermuth niet eens.

Hoe de strijd tussen de systematici ook zal aflopen – vermeldenswaard is in dit opzicht, dat mijn mannetje van de deccanensis geen spoor van poriën vertoonde (thans in de collectie van het Natuur Historisch Museum in Leiden) – de mogelijkheid mag niet uitgesloten worden, dat de Indische boogteengekko binnenkort weer Cyrtodactylus deccanensis zal heten. Dan zijn we in ieder geval van het ongelukkige ‘subgenus’ af.


 

Het genus Glossolepis (slot)
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
220

In een vorig deel bespraken we reeds de taxonomie van dit genus, samen met de eerste vier soorten van de acht in de aquaristiek ons bekende soorten. In dit tweede en laatste deel overlopen we weer bondig de vier volgende soorten in alfabetische volgorde.

Glossolepis multisquamatus (Weber & de Beaufort, 1922)
In 1979 bracht Gerry Allen, na een vangst in de Sepik rivier, deze prachtige vissen levend mee naar Australië, waar ze verder gekweekt werden en van daaruit in de Australische hobby verspreid geraakten. Inteelt, door het kleine aantal wildvangdieren toen, leidde er echter toe dat op zeer korte tijd de dieren in de handel zelfs niet meer leken op de oorspronkelijke. In 1992 ving Heiko Bleher in de Mamberamo rivier (West-Papoea) een aantal Glossolepis-soorten die erg op de door Allen gevangen vissen leken. Men dacht eerst aan een nieuwe soort, maar nu vermoed men dat dit wel eens de echte Glossolepis multisquamatus zou kunnen zijn en de eerdere een nieuwe soort zou zijn. Voor zekerheid hieromtrent dient echter nog wetenschappelijk onderzoek verricht. Deze soort wordt in Australië verkocht als de roodoog tijgerregenboogvis, in Europa als Glossolepis multisquamatus sp. Mamberamo. Ook de exemplaren van Weber (eerstbeschrijving) komen uit de Mamberamo regio, nl. de Taritatu rivier.
De kleur is algemeen groenachtig met roze schijn langs beide buikzijden met een aantal smalle, donkere vlekjes tussen de schubbenrijen. De vinnen variëren van transparant groen op de rug, tot soms bijna donkergroene naar zwarte, lange buikvinnen. Ze worden tot 15 cm groot. Ze leven in hun biotoop in moerassige lagunes en smalle zijrivieren die een overvloed aan waterplanten bevatten. Je vindt ze ook onder overhangende oevervegetatie en tussen in het water liggende boomstronken met hun takken, tussen rietvegetatie en andere oevergewassen.

Glossolepis pseudoincisus Allen & Cross, 1980
Van oktober 1954 tot mei 1955 was de Nederlandse ichtyoloog Marinus Boeseman de leider van een expeditie naar West-Papoea Nieuw-Guinea. Dit met het doel in een zo kort mogelijke tijd een zo groot mogelijk overzicht te verkrijgen van de visfauna door zoveel mogelijk rivieren en meren te onderzoeken. Dit resulteerde in een zeer rijke collectie van zeer vele regenboogvissen voor het museum in Leiden. De studie ervan gebeurde echter nooit door Boeseman zelf, maar door Gerald Allen als onderdeel voor een revisie van de regenboogvissenfamilie aan het eind van de jaren zeventig. Hij ontdekte toen niet minder dan 4 nieuwe soorten in de collectie uit 1554-55. Dit waren Melanotaenia boesemani, Melanotaenia ajamaruensis, Melanotaenia japenensis en ... Glossolepis pseudoincisus. Deze laatste werd genoemd, refererend naar zijn soortgelijke verschijning en geografische overeenkomst met Glossolepis incisus. Glossolepis pseudoincisus werd gevonden in een boog van de Tami rivier, ongeveer 30 km ten oosten van het Sentani meer. Allen en Bleher gingen er in 1982 op zoek naar deze soort, maar konden ze er alsnog niet terugvinden.
De vis gelijkt dus enorm op Glossolepis incisus, maar de schubben zijn anders. Ze zijn kleiner en anders gelijnd. Deze soort wordt dus niet zo groot als Glossolepis incisus, met een meer compactere lichaamsbouw, wel een typisch Glossolepis hoofd, een meer intens diep rode kleur en meer geprononceerde vinnen. Glossolepis pseudoincisus kleurt trouwens al rood na ca. 3 maanden ouderdom, terwijl Glossolepis incisus daar bijna een jaar voor nodig heeft. Ook de vrouwtjes hebben een afwijkende kleur met horizontaal nadrukkelijk geelachtige zigzag strepen over het gehele lichaam. De vissen worden ook niet groter dan ca. 8 cm.

Glossolepis ramuensis Allen, 1985
Mannetjes kleuren vanaf de rug donkerbruin tot groen naar het midden en mauve tot wit naar de buik toe. Op de zijkant zijn horizontaal enkele oranje strepen merkbaar, waarvan die in het midden en onder de middenlaterale lijn het meest nadrukkelijk zijn. De tweede rug-, de aars- en de staartvin hebben een geelachtige basis.
Ze zijn enkel bekend van de Ramu vallei en de zijrivieren van de Gogol rivier in de buurt van Madang, Papoea-Nieuw-Guinea. ze worden er gevonden in kleine, heldere waterstroompjes en plassen doorheen het regenwoud met een kiezelbodem en weinig waterplanten. De watertemperatuur bevindt zich er tussen 26 en 29 °C bij een pH van 7,4 tot 7,9. Ze worden max. 10 cm groot. In het paarseizoen, dat zich van oktober tot december uitstrekt, kleuren de mannetjes veel mooier dan gewoon. Velen vinden ook dat de bouw van deze vis meer lijkt op een Chilatherina-soort dan op een Glossolepis.
 
Glossolepis wanamensis Allen & Kailola, 1979
Glossolepis wanamensis wordt enkel gevonden in het Wanammeer, een cirkelvormig meer van ongeveer 3 km doormeter dat zich op een smal plateau bevindt boven de Markham rivier vallei, ongeveer 30 km ten westen van Lae in Papoea-Nieuw-Guinea.
C. Ellway vond deze soort al in 1975, maar het duurde tot in 1979 voor ze wetenschappelijk beschreven werd. De eerste levende vangsten als nakweek voor de hobby, door Gerald Allen in oktober 1978, mislukten. Barry Crockford bracht in 1979 nieuwe, levende exemplaren naar Australië. Vijf overleefden de tocht waaronder één vrouwtje. Een jaar later werden opnieuw levende exemplaren gevangen, weer overleefde slechts één vrouwtje. Deze kleine basispopulatie zorgde voor alle nakweek voor de aquariumhobby tot in 1992. In 1992 ving Heiko Bleher opnieuw levende exemplaren uit het meer en introduceerde de soort in Europese aquaristieke kringen. In 1994 stelde hij echter bij een nieuwe vangstexpeditie vast dat de er geïntroduceerde Tilapia (herinner het victoriameerfiasco in Afrika) de populaties dramatisch uitgedund had. Hij kon nog amper 7 Glossolepis wanamensis mannetjes en (weer) één vrouwtje bemachtigen. In 1995 keerde hij terug om te moeten vaststellen dat het Tilapia-drama tot een nog verdere uitdunning van deze soort had geleid. Hij kon amper 2 zeer oude mannetjes vangen en stelde vast dat Glossolepis wanamensis in het meer met uitsterven bedreigd was. Echter, een meer recent team van ANGFA en de Zoo van Melbourne, vond in 1999 dan toch weer een relatief grote populatie in het meer. De vissen hebben algemeen over het gehele lichaam een grijsgroene kleur met een roze gloed over het borstgedeelte. De onregelmatige schubbenrijen onder de laterale zijlijn zijn gemarkeerd met smalle oranje lijntjes die in groen overgaan naar de staart toe en boven die lijn. Het bovenste deel van hun lichaam vertoont soms een metaalgroene glans. Soms is een donkere laterale band zichtbaar over de gehele lichaamslengte. De aarsvin van de mannetjes is uitzonderlijk groot en sterk verlengd. De rugvinnen hebben een groene schijn die in de tweede rugvin overgaat naar donker blauwgroen. Vrouwtjes zijn minder kleurrijk, groenachtig met kortere vinnen wat het geslachtsonderscheid bij deze soort eenvoudig maakt. Volwassen worden mannetjes tot ca. 10 cm groot, met een lichaamshoogte tot 5 cm, wat hen ook tot een zeer hooggerugde soort maakt.


 
Ludisia discolor
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
225

Ludisia discolor is zoals zo veel andere orchideeën afkomstig uit Azië en komt vooral in het zuidoosten van dit continent voor, nl. Indonesië, Myanmar en China.
Dikwijls wordt de plant niet als orchidee aanzien, doch ze hoort samen met Marcodes en Anoectochilus tot de zogenaamde“juweelorchideeën”. In de periode van koningin Victoria waren de Engelsen gek op deze plant omwille van zijn gekleurde, grillig getekende bladeren.
In die tijden droeg ze de veel meer zeggende naam Haemaria discolor. Deze oude benaming – nu synoniem – gaf meteen de hoofdkleur weer van de bladeren. Haemaria komt van het Griekse woord haema à haematos = bloed. Echter, bloedrood zijn ze nu ook weer niet. Hun roodbruin heeft meer weg van geronnen bloed. De soortnaam discolor is afkomstig van het Latijnse woord “discolorius” en verwijst ook weer naar het blad en betekent veelkleurig.
Naargelang de herkomst zijn de fluweelachtige bladeren groen of groengeel dooraderd. Dus wel een exemplaar dat in een terrarium sterk contrasteert met het groen van de andere planten.
De dikke vlezige stengels breken wel vlug af. Vis een afgebroken stuk op en plaatst het in water. Een weekje later worden er op de stek reeds bobbeltjes gevormd waaruit worteltjes ontstaan. Op deze manier vermeerder ik dan ook deze planten en als ik er te veel heb, krijgen ze simpelweg een plaats op de vensterbank.
In de herfst tot kerstmis verschijnen dan de witte, iets of wat crèmekleurige bloeiwijzen. De bloem is amper enkele millimeters in doormeter maar fleurt wel tot twee maanden. Soms wordt ze wel eens aangewend in bloemstukjes.
De plant stelt weinig eisen aan zijn omgeving. Het enige waar we op moeten letten, is dat de bodem waarop ze groeien goed doorlaatbaar is want natte voeten doen hen na een tijdje de das om. Ook is het beter om bij het gieten de plant zelf niet, of zo weinig mogelijk, te raken. Via een ondergezet schoteltje bewateren is echter uit den boze. In de natuur komen ze voor op beschaduwde en bemoste rotsen langs kleine waterlopen.
Zelf plaats ik ze in ondiepe schalen in een mengsel bestaande uit 50 % orchideeën grondmengsel en 50 % kleine schors. Bij gebrek aan het speciale grondmengsel voor orchideeën gebruik ik een mengsel van 25 % potgrond, 25 % turf en 50 % schors. Daarbij let ik er wel op dat er geen resem slakkeneieren of een sliert pissebedden en ander te mijden klein onguur grut aan boord komt.
Voorts vinden ze een kamertemperatuur ideaal en zijn deze orchideeën echte bodembedekkers en ideale kamerplanten.
(nvdr – de temperatuur wordt overdag gehouden tussen 21 en 27 °C en ’s nachts tussen 15 en 18 °C; een luchtvochtigheid van 70 tot 80 % is aangewezen; voor de grond kan men best een mengsel gebruiken bestaande uit 2 delen grof mas, 2 delen zandige klei en 1 deel perlite; het gietwater is best zacht, bvb regenwater.)
Indien de plant op de vensterbank uit het directe zonlicht staat, komt dit de bladkleur ten goede, de kleuren blijven dan heel een stuk intenser.
Na het verwelken is het verstandig de bloeistengel slechts tot ongeveer 4 cm boven het onderste blad in te korten waardoor de plant zijn vorm behoudt.
Dat de plant ook binnen de Orchidaceae een buitenbeentje is, bewijst het feit dat het genus monotypisch is.
In het terrarium kan hij op twee wijzen gebruikt worden:
- in een potje in de zij- of achterwand verwerkt vormen de grillig gekleurde en getekende bladeren een fel contrast met het effen groen van de andere planten;
- bij kleinere soorten kikkers, zoals de pijlgifkikkers en hagedisjes, zoals de roodkeel anolis (Anolis caroliniensis) of bij spinnen kunnen ze samen met Cryptanthus-soorten een fraaie bodembedekking vormen. Indien hierbij de dikke vlezige wortelstok vrij kan uitgroeien, vormt hij verschillende scheuten. Daar deze tezelfdertijd bloeien, vormen ze wel een blikvanger op de bodem van uw terrarium.


 
Limburgse Huiskeuring 2009
Adam Deckers - Maroni Maaseik
228

NVDR
Het redactieteam bedankt de Limburgse Federatie voor het toesturen van dit zeer gedetailleerde verslag van de jaarlijkse Limburgse Huiskeuring wat wij graag in het Bondsblad opnemen. Een beschrijving van alle 19 deelnemende vivaria met het bijhorende beeldmateriaal is echter een onmogelijke opgave binnen het bestek van de beschikbare ruimte. Daarom beperken wij ons tot het vernoemen van de vivaria dewelke met een bondsdiploma werden vereerd en dus 95% of meer van de punten behaalden.
Niettemin wenst het redactieteam alle deelnemers aan de Limburgse Huiskeuring 2009 te feliciteren met hun deelname en het behaalde resultaat.

In 2009 organiseerde BBAT-Limburg voor de 24ste maal de huiskeuring en dit zonder onderbreking. Maroni Maaseik stond in voor de organisatie. De resultaten van deze keuring zijn belangrijk maar niet doorslaggevend. Natuurlijk heeft iedere deelnemer graag hoge score en een goede klassering voor zichzelf en zijn vereniging.
Belangrijker is dat uit deze keuring veel geleerd wordt met als uiteindelijk doel te komen tot een beter vivarium. Aquarium houden is geen exacte wetenschap. Wanneer mijn water voldoet aan die en die voorwaarden en met die bepaalde verlichting is succes niet altijd verzekerd. Natuurlijk zal dit helpen. doch praktijkervaring is veel belangrijker om tot een goed resultaat te komen. Daarom zijn deze keuringen zo waardevol.
Het uiteindelijke doel van deze keuringen is het niveau van de vivaria naar omhoog te tillen. De resultaten van Limburgse liefhebbers op de landelijke keuringen tonen aan dat we op de juiste weg bezig zijn. Een tweede belangrijk doel is de samenwerking tussen de verenigingen te bevorderen. Na de keuring komt de proclamatie en dan maken we er een gezellig feestje van.
Keuringen organiseren kost geld, vooral de verplaatsingskosten van de keurmeester wegen door, Limburg ligt immers in een uithoek. Voor de financiering organiseert de federatie ieder jaar met succes de Limbeurs. Dit jaar deden 19 vivaria mee, iets te weinig, maar volgend jaar beter. Het streefdoel is dat iedere vereniging meedoet. De keuring was gespreid over 2 dagen: zaterdag 19 september en zondag 27 september.


 
In Memoriam PIERRE LEPOMME
Ludo Segal - Bondsvoorzitter BBAT
240

Beste vrienden,

Vandaag heb ik de droevige taak om jullie het heengaan mee te delen van onze erevoorzitter Pierre Lepomme.
Vanaf de oprichting van de B.B.A.T. in 1949 was hij één van de bezielers van onze hobby  in België. Als voorzitter van de Antwerpse aquariumvereniging Barbus nam hij het voortouw bij talrijke initiatieven om de aquaristiek op een hoger en dier- en milieuvriendelijker niveau te tillen.
Door zijn persoonlijke uitstraling en charisma was het dan ook bijna vanzelfsprekend dat hij in 1968 onze nationale voorzitter werd. Een zware taak die hij gedurende 13 jaren met succes volbracht. In die periode maakte ik kennis met hem en werd terstond gegrepen door zijn wijsheid, zijn zachtheid, zijn humor maar ook door zijn werkkracht, zijn onverzettelijkheid en doortastendheid. In de vele jaren dat ik met hem heb samengewerkt heb ik hem nooit ook maar één kwaad woord over iemand horen zeggen. Steeds trachtte hij begrip op te brengen voor afwijkende of tegengestelde meningen. Wanneer op een vergadering of bijeenkomst een beslissing genomen moest worden werd zijn standpunt of mening altijd met grote aandacht aangehoord.
Zijn retraite als nationaal voorzitter in 1981 was dan ook voor velen een verassing en werd aangevoeld als het verlies van een goede vader. Gelukkig was hij als erevoorzitter nog dikwijls aanwezig op Bondsdagen en grote vergaderingen en als voorzitter van K.A.V. Barbus was hij ook nog altijd nog in voeling met het reilen en zeilen van onze clubs en de bond. Ter gelegenheid van de Bondsdag 2007 bij de Aquarianen-Gent werd Pierre Lepomme nog eens uitgebreid gevierd en kreeg hij een staande ovatie als dank voor zijn levenslange inzet voor de Bond en de aquaristiek.
Met grote droefheid heeft de B.B.A.T. op donderdag 8 juli 2010 in het crematorium van Antwerpen definitief afscheid genomen van Pierre Lepomme, een groot man, een prachtmens.

Wij zullen je missen Pierre.


  BBAT-informatief 236
  VOEDSELGIDS Muizen en ratten (4)  
Top