Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende

 

Jaargang 63 – Nr. 10 - Oktober 2010
 
ISSN 1372-6501

Gastromyzonidae, zuigmeervallen uit woelige stromen
Jacques Roelandts
242
Deze merkwaardige, afgeplatte vissen met hun ronde vinnen zijn aangepast aan een milieu met gladde, platte stenen in snelstromende woelige rivieren...
Het verzorgen ervan in een aquarium is een ervaring die de moeite waard is!
Bij een bezoek aan uw aquariumwinkel zijn deze vreemde verschijningen, met hun zilverachtige witte buik en hun schokkende bewegingen langs de ruiten, je wellicht al opgevallen. Het zijn Aziatische zuigmeervallen uit de familie der Gastromyzonidae. Ze worden meer en meer ingevoerd en daarom is het belangrijk om hun basisbehoeften, hun natuurlijke omgeving en hun voeding te kennen. We vinden in de handel hoofdzakelijk soorten uit de genera Gastromyzon uit Borneo en Pseudogastromyzon van het vasteland uit China en Hongkong. Deze kleine vissen die bij de import niet groter zijn dan 3 tot 5 cm, trekken de aandacht door hun constitutie, hun levenswijze en hun merkwaardige bewegingen van gespecialiseerde vissen met schrapende lippen. Ze leven in woelige waters verzadigd van zuurstof en hechten zich aan de stenen met hun borst- en buikvinnen die zuignappen vormen. Als ze een bedreiging merken, plaatsen ze zich zo dat de steen zich tussen hen en de agressor bevindt, waardoor ze erg moeilijk te ontdekken zijn. Deze beschermende reactie kan ook in aquaria worden waargenomen. Ze hangen zo sterk vast dat, als de steen langzaam en zonder stoten uit het water wordt gehaald, hij in een net kan worden geplaatst met de meervallen erop om ze zo te vangen.
 

Metae, metae, metae
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
250
Drie maal metae, ik heb het hier over drie identieke soortnamen voor drie verschillende genera: Aequidens metae; Corydoras metae en Hyphessobrycon metae. De eerste is een cichlide, de tweede een pantsermeerval en de derde een karperzalmpje. Het zou mooi zijn mochten deze drie metae’s ook bij elkaar passen om ze samen in een soort biotoopaquarium onder te brengen. Kan dit?
Aequidens metae Eigenmann, 1922 komt uit Colombia en behoort tot de familie der Cichlidae. Het is een vreedzame, ovale, langwerpige vis die tussen 15 en 18 cm groot wordt en bovendien in een meer gespecialiseerd aquarium thuishoort met zacht tot middelhard water dat neutraal tot lichtzuur mag zijn. Dat water moet zich dan wel in een niet té klein aquarium bevinden; 120 cm is echt toch wel het minimum en zij bewonen er de midden- en bodemzone. De inrichting kan bestaan uit hoofdzakelijk kienhout met enkele gladde, afgeplatte, tot platte keien die tezamen met wat stevig verankerde planten voor enkele schuilplaatsen zorgen. Ze kunnen daarin gerust samengehouden worden met andere, niet te grote Midden- en/of Zuid-Amerikaanse cichliden. Het zijn substraatbroeders die hun eieren liefst op die gladde stenen afzetten.
Corydoras metae Eigenmann, 1914 is dus een pantsermeerval uit de familie der Callichthyidae en komt eveneens uit Colombia, uit de rio Meta. Hij valt meteen op door de zwarte band die vanaf de hele rugvinbasis over de rug schuin tot onder aan de staartaanzet loopt. Over de kop, door de ogen, loopt een identieke zwarte band. Het lichaam zelf is beigebruin gekleurd. Zoals alle corydorassen, houdt men deze best in een kleine school van een 6 à 10-tal exemplaren en zijn ze uitermate geschikt als bodembewoner in een gezelschapsaquarium, ja inderdaad ook bij de hierboven beschreven vissen. Het onderscheid tussen de geslachten is moeilijk vast te stellen en kan enkel a.h.v. het aandachtig observe­ren van de dieren.  Het verschil in grootte en de doorgaans dikkere buikpartij van het vrouwtje t.o.v. het slankere mannetje, laat je toe een gokje te wagen om de geslachten te onderscheiden.  Voor hun voedsel “snuffelen” de corydorassen de bodem af naar wat eetbaars.  Ze doen dit met hun korte gevoelige baarddraden.  Het spreekt voor zich dat je in het aquarium dan ook geen scherpe bodembedekking mag toepassen zoals kwartszand of gemalen kiezel.  Dit kan hun tere sensororgaan beschadigen met mogelijk dodelijke schimmelinfecties tot gevolg.Corydoras metae wordt wel eens verward met C. adolfoi, C. melini, C. davidsandsi of C. panda.
Hyphessobrycon metae Eigenmann & Henn, 1914 is een karperzalmpje uit de familie der Characidae. Volgens sommige bronnen (o.a. Mergus’ Aquarien Atlas) zou H. metae een synoniem zijn voor Hyphessobrycon loretoensis, doch dit kan niet vermits H. loretoensis pas in 1938 beschreven werd. Het is een langwerpig visje met in het midden een brede zwarte lengteband over het gehele lichaam. Bovenaan is deze afgelijnd door een lichtblauwe tot zilverachtig, fluorescerende lengteband, onderaan door een geheel blauw iriserende buikpartij die zich tot op de kaak doorzet. De punten van de rug- en aarsvin zijn eveneens blauw, terwijl de staartvin een rode schijn vertoont. De rug is kleurloos. Jonge visjes zijn trouwens in hun rug en achterlijf bijna geheel kleurloos tot bijna doorzichtig. Het visje komt uit Zuid-Amerika, meer in het bijzonder uit het Orinoco-bassin, Colombia. Met  een grootte van ca. 4 cm is het de kleinste van de drie metae’s en het voelt zich best in licht zuur, zacht water. Zij bewonen er de midden- en bovenzone.


 
Apistogramma sp. borellii opal
Willy Versavel - Exotica Roeselare
254
Woord vooraf
Met als titel “Apistogramma opal” is dit artikel van Willy Versavele reeds lang geleden bij de redactie beland met daarbij een aantal foto’s van de vissen die de auteur verzorgt.
Deze titel zorgde in de redactie onmiddellijk voor een geanimeerde discussie, want bij onze specialisten in dwergcichliden was deze vis niet bekend als soort op zich, maar als kleurvariant van Apistogramma borellii, dus beter aangeduid als Apistogramma borellii “opal”.
Ze vertonen heel weinig of geen geel, maar zijn meestal blauw met diepgroene schakeringen en rode markeringen op de kop. Volgens bepaalde bronnen zou het een kweekvorm zijn die in de voormalige DDR ontwikkeld werd, maar Staeck rapporteert dat ook dergelijke superieur gekleurde mannetjes gevonden worden in wilde populaties van Apistogramma borellii. Vrouwtjes van de “opal” zijn niet te onderscheiden van borellii-vrouwtjes en de mannetjes paaien dan ook willekeurig met deze vrouwtjes. Wegens hun aantrekkelijke kleur worden “opal” mannetjes zeer gezocht voor de export.
Deze dwergcichlide staat dus bekend als de “blauwe cichlide” en de vissen op de foto’s van de auteur vertoonden geenszins gelijkenis met ander beeldmateriaal dat we van de “opal” vonden, maar welke was het dan wél? Opnieuw onderwerp voor een discussie. De beelden werden naar enkele specialisten op het gebied van Zuid-Amerikaanse dwergcichliden gestuurd, doch ook hier verschilden de meningen.
Uit al deze besprekingen kunnen we met enige zekerheid stellen dat de door de auteur als “opal”-mannetje aangeduide vis een mannetje is van Apistogramma hongsloi. Voor het door de auteur als “opal”-vrouwtje aangeduide vis verschilden de meningen en werd deze aangeduid als mogelijks een vrouwtje van Apistogramma macmasteri, hoewel het geslacht van de vis op de foto niet zeker is. Het zou evengoed een onderdrukt mannetje kunnen zijn, want het dier vertoont zowel kenmerken van vrouw als man, 80% gekleurd als vrouwtje en zwart aan de buikvinnen. Echter ook een puntige rugvin, aarsvin en oranjerood in de staart, wat mannelijke kenmerken zijn. Het is bij apistogramma’s niet ongewoon dat onderdrukte mannetjes zich als “vrouwtjes” tonen en ook kleiner blijven om zo te ontlopen aan de agressie van de dominante man. Als men deze dan uit het aquarium haalt en afzonderlijk zet, dan kan een dergelijk onderdrukt mannetje op een maand tijd uitgroeien tot een grote, mooi gekleurde dominante man.
Aangezien de auteur in zijn artikel een kweek met deze vissen in zijn aquaria beschrijft, houden wij het erop dat het inderdaad om een vrouwtje van A. macmasteri gaat en ook de auteur geeft bij de aanhef van zijn artikel al aan dat hij gelijkenissen dacht te zien.
In de redactie van Aquariumwereld houden wij eraan om, indien een auteur beeldmateriaal bij zijn artikel meestuurt, dit ook bij het artikel te gebruiken, maar toen de twijfels over de juiste naamgeving ontstonden, was het voor ons als redactie dus niet evident om een artikel te publiceren onder de titel “Apistogramma opal” en daarbij beeldmateriaal te brengen dat helemaal niet strookt met deze naamgeving.
Vandaar deze voorafgaande verduidelijking en de aanpassingen van de naamgeving in het artikel waarbij wij het liever houden op “Apistogramma species” omdat er twijfel bestaat over de juiste soort.
We vonden het artikel wél interessant om te publiceren omdat het een authentiek artikel is gebaseerd op eigen waarnemingen en daar geven we de voorkeur aan, meer dan aan artikels, weliswaar goed bedoeld doch die een synthese zijn van gegevens die men van overal bijeenschraapt.
We hopen dat het andere liefhebbers zal aanzetten om ook hun eigen ervaringen neer te pennen en aldus hun passie te delen met anderen.
Freddy Haerens, hoofdredacteur.


Apistogramma borellii “opal” is een kleurvariant van Apistogramma borellii. Bij mij thuis zitten er enkele met blauwe stippen op hun wangen. Nu zag ik er onlangs met rode stippen, zoals bij de kweekvormen van A. macmasteri. Ondanks het grote kleurverschil werden ze toch als “Apistogramma opal” te koop aangeboden. (Nvdr: beter aan te duiden als Apistogramma sp. borellii “opal” zoals in het voorwoord aangegeven)
De vissen leven normaal in de grensstreek tussen Peru en Brazilië, in beekjes met zacht zuur, zwak stromend water. Er is er een waterstand van 20 cm tot 1 m, het ligt er vol met takken en twijgen, bladeren en stukken hout met holen en spleten. De temperatuur verloopt tussen de 25 à 27 °C, de pH tussen de 6 à 7 bij een KH van 2 °dH. De medebewoners van de biotoop zijn A. nijsseni en enkele Aequidens-soorten. Uitsluitend als het water van de Rio Ucayali door grote regenval hoger komt te staan, stijgt het water in de oerwoudbeekjes en komen er grotere cichliden bij.
De Apistogramma borellii “opal” is een dwergcichlide om “U” tegen te zeggen. Niet te klein, 7 à 8 cm voor de mannetjes, de vrouwtjes iets kleiner. De hoge rugvin van de man loopt uit op een punt tot over de staart, die van roze tot rood wordt gekleurd naar gelang de gemoedstoestand. De borstvinnen zijn lang, blauw gekleurd en naar het spitse uiteinde toe felgeel. De aarsvin is blauw en geel maar tegen het lichaam verschijnen er witte en zwarte vlekken. De ogen zijn zwart en geel omrand. Een zwarte schuine streep loopt van de ogen naar beneden tot aan de kieuwen, zoals dit bij vele apistogramma’s het geval is. Vóór die schuine streep merken we enkele fel fluorescerende puntjes. Een donkerblauwe lijn loopt van de kieuwen tot aan de staartwortel en eindigt in een mooie rode vlek. Boven de zijlijn is het lichaam blauw, de rest van het lichaam vaalgeel, maar op de buik, vanaf de borstvinnen tot aan de staartvin is er een mooi rode kleur. Het vrouwtje is bruingeel gekleurd met af en toe wat vaal blauw. Alleen tijdens het paren en de broedzorg tonen de goudgele vrouwtjes een opvallend zwarte tekening, vooral aan de onderkant van het lichaam. Omdat de kleintjes meestal onder moeder zwemmen, worden de zwarte markeringen van kin, keel, buik en aarsvin gebruikt om te seinen naar hun kroost. Men houdt die vissen het best in een niet te klein aquarium, met veel planten en schuilgelegenheden, kienhout, bloempotjes, halve kokosnoot en dgl. De ingang mag niet te groot zijn, ze moeten zich immers veilig voelen. Men moet helemaal niets vrezen voor de planten, enkel tijdens het paren worden er putjes gegraven. De beste verhouding is één man en twee à drie vrouwtjes naargelang de grootte van het aquarium. Ik deed er nog een koppel Apistogramma nijsseni bij en acht Nannostomus beckfordi.


 
Actina equina
Bruno Lemer - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
260

Indien we een dier een kosmopoliet mogen noemen, dan betreft het wel deze stekelhuidige uit de getijdenzone. Door hun extreem aanpassingsvermogen voelen ze zich overal thuis. Ze weerstaan aan temperatuurschommelingen tussen 5 en 28 °C. Bij hogere temperaturen worden ze, ook in het aquarium, zelfs iets groter.
Bij eb blijven ze doodleuk aan de rotsen hangen in afwachting van vloed, want ze overleven zelfs enkele dagen buiten het water alvorens ze uitdrogen. Geen nood dus bij een eventueel transport of renovatie van uw vivarium. Als bewoners van rotsen en spleten, soms verdoken onder zeewier, zijn ze allergisch voor zand en dat is voor ons zeewateraquarianen, mooi meegenomen. Indien ze steeds in uw aquarium ronddolen, à rato van één centimeter per uur, en andere bewoners lastig vallen of zich verstoppen, ligt de oplossing voor de hand. Plaats hun stukje rots midden in het zandgedeelte en het ronddwalen is verleden tijd zolang hun nakomelingen zich niet laten gelden.
Deze zgn. bloemdieren zijn “vivipair”. De jongen ontwikkelen zich in de lichaamsholte en worden later uitgedreven. De opfok ervan is mogelijk indien men ze met een pincet kleine deeltjes mossel toestopt. Probleem is wel dat ze zich verstoppen en zo van de voedselbedeling gespeend blijven. Tevens geeft het ons de mogelijkheid om ze gericht te voederen.
Zout? Ze kunnen gedijen in water dat zowel 4 als 66 % NaCl bevat. De laagste zoutgehalten komen voor in kleine plassen die tijdens een fikse regenbui veel zoet water ontvangen. De hoogste concentraties vindt men in zeeën die slechts nauwe verbindingen met de oceaan bezitten. De Middellandse Zee kan hier als typisch voorbeeld gelden. Zowel de tot 6 cm brede en 7 cm hoge gladde zuil, als de dikke tentakels van de rode paardenanemoon zijn voornamelijk rood getint. Aan de buitenrand van de tentakelkrans bevinden zich 24 kenmerkende fel licht- tot donkerblauwe knobbels of acrorhagi, die als de circa 190 tentakels (verdeeld over 5 tot 6 kransen) uitstaan, niet gemakkelijk te zien zijn. Deze blauwe orgaantjes zijn uitgerust met sterk geconcentreerde netelbatterijen die wellicht dienen om naderende soortgenoten de wacht aan te zeggen. Bij hen vervangen ze de vechttentakels. De bruinrode zuil is glad. De tentakels meten 2 à 3 cm. Dat beduidt dat de anemoon een rond plekje van 12 cm diameter kan bestrijken waarin niets veilig is voor de talrijke netelbatterijen.


 
  BBAT-informatief 264
  VOEDSELGIDS Vlokreeftjes  
Top   Vliegen (1)