Visit BBAT

Maandblad voor aquarium- en terrariumkunde
Visit BBAT
terug
Jaargang 63 - 2010
vorige maand Volgende

 

Jaargang 63 – Nr. 11 - November 2010
 
ISSN 1372-6501

Ottelia ulvifolia
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst
270
Het eiland Madagascar is het vierde grootste eiland ter wereld en ligt ten oosten van het Afrikaanse continent. Het eiland is gekend voor zijn opmerkelijke natuurpracht. Ook voor de aquaristiek komen er enkele pareltjes voor. Wat de waterplanten betreft zijn vooral Aponogeton-soorten zoals A. boivinianus, A. madagascariensis (= de gaasplant) en A. ulvaceus al lang bekend bij de liefhebbers, maar er groeien ook minder gekende en zelden gehouden soorten, zoals bijvoorbeeld de onderwaterplant Ottelia ulvifolia. Deze plant wordt overigens ook buiten Madagascar in verschillende biotopen in Afrika aangetroffen. Ondanks het mooie en sierlijke uiterlijk van deze plant, is het in de liefhebbersaquaria veeleer een zeldzaamheid. Het is dan ook geen gemakkelijke plant. Toch slaagt een aantal Belgische aquarianen erin om deze plant met succes te houden en bovendien te laten vermeerderen in het aquarium.
Een scheutje van de imposante moederplant van Rik Verhulst van Exotica Roeselare, kwam via clublid Tony Dooremont van Wagtail Aalst, in april 2008 in mijn huiskameraquarium terecht. Ik ben beide heren daar nog altijd zeer dankbaar voor! Het is immers een prachtige plant die via de handel niet of zeer moeilijk te verkrijgen is. En al staat mijn plantenaquarium meer dan vol, voor een dergelijke soort heb ik altijd plaats! Ottelia ulvifolia heeft lange, gedraaide en gegolfde groene bladeren met daarin bruine accenten. Op de foto kun je dit duidelijk zien. Wat het uitzicht betreft, doet dit op het eerste zicht denken aan één of andere Aponogeton-soort, maar dat is hij niet. Onze ottelia heeft bijvoorbeeld geen knol. De plant werd oorspronkelijk beschreven door Walpers in 1852 (Ann. 3, p. 510). Het genus Ottelia behoort tot de familie Hydrocharitaceae. Opmerkelijk is dat volgens het boek van prof. De Wit de schrijfwijze ulvifolia verkeerd is en ulvaefolia zou moeten zijn. Zonder een oordeel te vellen, volg ik hier echter de meest voorkomende en ook de door mevrouw Kasselmann gebruikte schrijfwijze “ulvifolia”.

 

Corydoras schultzei, de goudstreep Peru-corydoras
Walter Van der jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland
276
Gezien deze pantsermeervallen uit de familie van de Callichthyidae, een maximale grootte van ca. 6,5 cm bereiken, kan in een klein aquarium (tot 60 x 30 x 30 cm) max. een groepje van vijf á zes exemplaren. Net voldoende om een schooltje van deze soort te houden, want dit zijn zeer sociale diertjes die het gezelschap van soortgenoten ten zeerste op prijs stellen en je daarom verplicht in een groepje moet houden. In grotere aquaria neem je minstens tien stuks, zelf heb ik van deze uit Zuid-Amerika, in de zijrivieren van de Amazone in Peru afkomstige soort, een groep van vijftien rondzwemmen in mijn 150 cm aquarium. Het genus Corydoras is voor het eerst vastgelegd door Lacepede. Momenteel bevat dit ca. 150 beschreven soorten, verspreid over heel Zuid-Amerika. Corydorassen zijn sterke, goed houdbare vissen die van een beetje stroming in het water houden, te veel is echter weer niet goed voor de planten en een efficiënte filtering. In een aquarium waarin voldoende planten staan, zijn schuilplaatsen niet echt nodig en kunnen ze zich daarin wat terugtrekken voor de grotere vissen of een beetje tegen het te felle licht. De verlichting is bij mij wat ze moet zijn voor de planten, als je ’s nachts echter voor een beetje schemerverlichting zorgt, zul je zien dat ze vooral dan actiever worden en ook 's nachts op zoek gaan naar voedsel. Het zijn bodembewoners en deze dient te bestaan uit zand of echte, fijne rivierkiezel. Aan een bodembedekking van gebroken of gemalen grind kunnen ze hun gevoelige baarddraden kwetsen en zo schimmelinfecties oplopen en, omdat deze niet meer aangroeien, dan kan dit een langzame hongerdood tot gevolg hebben.
Corydorassen, en zo ook onze C. schultzei, zijn dan weer volledig ongevaarlijk voor de andere aquariumbewoners en 100% vreedzaam. Ik vond deze Corydoras-soort echter niet terug in het boek “Die faszinierende Welt der Corydoras” van Werner Seuβ uit mijn bibliotheek, een standaardwerk voor mij op dit vlak, en moest al mijn informatie voor deze tekst dus op het internet gaan zoeken. Betekent dit dat deze soort tot op heden nog niet echt beschreven is? Ik weet het niet. C. schultzei deelt wel een aantal kenmerken met Corydoras aeneus en ik trof in het zonet genoemde werk een erop lijkende foto van aan onder de naam: Corydoras aeneus 'Peru’ en Corydoras aeneus 'Kolumbien’ en ze werden er vermeld als locatievarianten van C. aeneus. Wikipedia, die door iedereen online kan worden aangevuld naar believen (zonder zich dikwijls te storen aan kennis van zaken), vermeldt C. schultzei zelfs als een synoniem van C. aeneus. De kleur van Corydoras schultzei beschrijven is daardoor echter eenvoudig. Denk aan een C. aeneus met van in de schouder vertrekkende, een goudkleurig fluorescerende streep die tot aan de vetvin achteraan over de linker en rechter rugzijde doorloopt. De handelsnamen zijn daar blijkbaar van afgeleid want daar spreekt men van de goudstreep corydoras, de gouden laser corydoras en de bronzen corydoras.
 
Fundulopanchax sjostedti, de gouden vaandeldrager
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw
280
Na studie van het holotype werd de vis door Wildekamp, Romand en Scheel in 1986 beschreven als Aphyosemion sjoestdedti. Ook in andere publicaties van o.a. Seegers (1988) en Romand (1992) werd dit visje als een Aphyosemion beschreven.
In zijn publicatie “A World of killies, Atlas of the oviparous cyprinodontiform fishes of the World” gepubliceerd in 1996 plaatst Ruud Wildekamp deze onder Fundulopanchax en werd de vis definitief als Fundulopanchax sjostedti aangenomen.
Sjostedti is een eerbetoon aan professor Sjöstedt die deze vis als eerste ontdekte.
In de Verenigde staten is deze soort zo populair dat een mannetje ervan het logo van de American Killifish Association of plaatselijke Killy bond siert.
De “heimat” van deze 10 tot maximaal 12 cm grote, kleurrijke vissen, bevindt zich zeer plaatselijk in het zuiden van Nigeria en het westen van Kameroen waar ze tijdelijke plassen, moerassen en kleine meertjes bevolken met een dichte vegetatie.
Ze bezitten een gestrekt, slank en zijdelings slechts gering samengedrukt lichaam. Fundulopanchax sjostedti omvat een aantal lokale kleurvariëteiten die hoofdzakelijk onderscheiden worden door een andere basiskleur. De meestal in de handel verkrijgbare types zijn de zgn. groene en gouden variant. De zgn. gouden variant onderscheidt zich door een glanzende olijfgroene rug terwijl de flanken groen tot Turks blauw (een mengeling van groen en blauw) kleuren. Het voorste gedeelte van hun lichaam is dieprood gespikkeld, terwijl het achterste gedeelte voorzien is van verschillende dieprode transversale strepen. De fraaie verlengde vinnen dragen rode vlekken. De maar 6 cm grote vrouwtjes dragen een simpel bruin pakje. De grondkleur van het groene type is groenig met daarop rode vlekken en groene randen.
Daar ik geen schilder ben, verwijs ik voor hun kleurenpracht maar naar de illustratie.
Het zijn bepaald geen lieverdjes ten opzichte van soortgenoten en andere vissen. Als we ze in een flink schooltje houden, valt de intra specifieke agressie meestal wel mee al zijn vechtpartijen ook dan niet uitgesloten.
Het aquarium moet voorzien worden van een flinke oppervlakte drijfgroen dat het licht tempert, want zoals de meeste andere soorten zijn ze nogal lichtschuw. Neem hiervoor liefst planten met lange wortels want ook hierin worden eieren afgezet. De vissen kruipen er niet tussen, want ze verkiezen als terrein de middelste waterlaag. Voorzie ook een dichte beplanting en tal van schuilmogelijkheden. Als bodem nemen we turf waardoor het water iets gelig wordt. Bij filtratie over turf blijft deze kleur behouden en zullen we moeiteloos een zuurtegraad of pH van 6 à 6.5 kunnen aanhouden. Dat zal ook een hardheid van 5 – 7 °dH gunstig beïnvloeden. Qua temperatuur beperken we ons tot 22 – 24 °C al is die in de natuur dikwijls hoger maar bij seizoenvissen is een hogere temperatuur niet bevorderlijk voor hun levensverwachting. Als voedsel verstrekken we volwassen Artemia, grindalwormpjes, witte en rode muggenlarven, watervlooien, Tubifex en proteïnerijke vlokken.

 
De Indische boogteengekko (slot)
Theo Cornelissen
284

Relatie tussen Gymnodactylus deccanensis en G. albofasciatus Boulenger.
Aanvankelijk was ik van mening dat de in mijn bezit zijnde gekko’s, die uit Bombay verzonden waren – en die op de kleurenfoto’s zijn afgebeeld – G. albofasciatus waren.
Goede afbeeldingen (tekeningen) van G. albofasciatus vond ik in de publicaties van Boulenger (1883) en Smith (1935). Van G. deccanensis heb ik geen afbeelding kunnen vinden.
Volgens de auteurs Boulenger (1885) en Wermuth (1965) is G. albofasciatus een nauw verwante soort die G. deccanensis vervangt in het zuidelijk deel van de West-Ghats: de districten Noord- en Zuid-Kamara. Het determinatieverschil is volgens Annandale: deccanensis: rugschilden homogeen; albofasciatus: grotere rugschilden gescheiden door veel kleinere en minder regelmatig. Boulenger noemt hetzelfde determinatieverschil, maar vermeldt erbij dat albofasciatus donkerder van kleur is. Smith vermeldt naast het verschil in beschilding, dat de lamellen onder de vingers en de tenen bij albofasciatus breder zijn. Tevens citeert hij Beddome (1870), die aantekent, dat de witte dwarsbanden op het lichaam van albofasciatus in leven geel zijn. Het wonderlijke is dat, volgens Smith, albofasciatus door Beddome deccanensis werd genoemd!
Annandale (1913) vermeldt een andere slordigheid van Beddome: hij zou G. oldhamii verward hebben met G. albofasciatus (zie ook Boulenger 1885, pagina 38).
De door mij uit Bombay ontvangen dieren werden door de afzender ( S. R. Sane) G. deccanensis genoemd. Hoewel mij momenteel over de juiste vindplaats nog niets bekend is, mag ik veronderstellen, dat ze uit de omgeving van Bombay afkomstig zijn. Toch vertonen de dieren tussen de grotere rugschubben ook vele kleine schubben: een determinatiekenmerk van G. albofasciatus! Na elke vervelling waren de dieren de eerste dagen veel lichter van kleur, zoals dat bij vele andere gekkosoorten het geval is. Dit determinatieverschil tussen beide soorten is dus niet haalbaar. Ook in het Zoölogisch Museum te Amsterdam is één jong exemplaar van G. deccanensis aanwezig, afkomstig uit Bombay dat eveneens een heterogene beschubbing op de rug heeft.
Op een van de foto’s is de heterogene beschubbing bij mijn dieren te zien. De in leven gele dwarsbanden van albofasciatus komen, zoals op de kleurenfoto getoond wordt, eveneens overeen met die van deccanensis.

Conclusie: ik ben geneigd te veronderstellen, dat deccanensis en albofiasciatus tot dezelfde soort behoren, dit mede gezien de grote variabiliteit van vele gekkosoorten. Bij gekko’s is trouwens nog wel wat meer uit te zoeken. Zo komt het mij zeer aannemelijk voor dat de door Dr. Nelly de Rooij (1915) beschreven nieuwe soort Gymnodactylus malayanus, gebaseerd op slechts twee exemplaren die aanwezig zijn in het Zoölogisch Museum te Amsterdam en waarvan zij als vindplaats vermeldt: “Indo-Australian Archipelago”, identiek is met Cyrtodactylus peguensis peguenssis (Boulenger). Zie in dit verband de afbeeldingen in het werk van de Rooij (blz. 20) en die in het werk van Taylor (1963) en de daarbij gegeven determinatiekenmerken.


 
 

20 vragen aan... Bart Devos

292
  BBAT-informatief 294
  VOEDSELGIDS Vliegen (2)  
Top