Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
Volgende maand
   

 

Jaargang 64 – Nr. 1 - Januari 2011
 
ISSN 1372-6501
  EDITORIAAL 002
  Nieuwjaarsboodschap van Dhr. Ludo Segal, voorzitter van de Belgische Bond voor Aquarium- en Terrariumhouders vzw. en van Dhr. Freddy Haerens, Hoofdredacteur Aquariumwereld.  

Crossocheilus oblongus
Jacques Roelandts - vertaling: Freddy Haerens
004
Deze zuidoost Aziatische algeneter is wellicht beter bekend onder de naam Crossocheilus siamensis. Hij werd beschreven in 1931 door H.M. Smith als Epalzeorhynchos siamensis, maar in 1986 werd hij door Banarescu overgeplaatst naar het genus Crossocheilus. In 1989 wordt hij door Roberts beschouwd als synoniem van Crossocheilus oblongus, in 2000 treedt Kottelat hem bij.
Zijn natuurlijke habitat vinden we in Thailand en Maleisië. Stanislav Frank citeert één punt van de vangst: de bovenloop van de rivier Tadi in Thailand.
In zijn natuurlijke biotoop wordt hij vaak aangetroffen tussen scholen barbelen en wordt daardoor gereged met deze gevangen en ingevoerd. Hij zoekt snel- of langzaam stromende waters op en is daardoor geschikt voor aquaria waarin een lichte stroming voorkomt. Een goede zuurstofvoorziening is echter onmisbaar.
De Thai noemen hem "Pla lab mue nang” en hij wordt geconsumeerd door de lokale bevolking en dit zowel in Thailand als op het schiereiland van Malacca.
Epalzeorhynchos kalopterus is vaker beschikbaar in de aquariumhandel. Hij verschilt van C. oblongus door de aanwezigheid van twee paar baarddraden en de vinnen die roodbruin zijn en zwart getint naar de uiteinden toe, daar waar bij C. oblongus de vinnen vrijwel kleurloos zijn en deze laatste heeft ook slechts één paar baarddraden. Paracrossochilus vittatus, zeer donker van kleur, kan incidenteel worden ingevoerd samen met andere karperachtigen. Garra ceylonensis, G. lamta, G. ornata en G. cambodgiensis (syn. G. taeniata) behoren tot een genus dat nogal dicht bij dezelfde subfamilie aanleunt, maar worden zelden verhandeld. Al deze vissen worden beschouwd als efficiënte algeneters en dat is een niet te verwaarlozen aspect voor de hobbyist.
Net als andere Cyprinidae heeft C. oblongus weinig tanden op het onderste kaakbeen en heeft hij een hoornplaat aan de voet ervan. Deze plaat wordt gebruikt om voedsel te malen. Hij heeft geen vetvin, noch schubben op de kop. Het lichaam is bedekt met cycloidale schubben. De mond is onderstaand en de bovenlip is voorzien van een dikke boord die het mogelijk maakt algen van de stenen te schrapen. Ze draagt één paar baarddraden op de bovenste kaak. De achterkant van het hoofd is uitgerust met het apparaat van Weber, een keten van botten die het binnenoor met de zwemblaas verbinden. Deze laatste is redelijk groot en verdeeld in twee kamers.
Als de Siamese algeneter wordt gehouden onder de juiste omstandigheden, is zijn kleurpatroon meer blinkend en genuanceerd. De flanken zijn groenachtig met een vleugje blauw en paars. Een longitudinale zwarte band loopt van de kop tot aan de basis de staartwortel. (Bij E. kalopterus strekt deze band zich uit tot in de vork van de staartvin.) De buikpartij is wit en meer afgerond bij volwassen vrouwtjes, maar het geslachtsonderscheid is moeilijk vast te stellen. De vinnen zijn transparant met tinten van wit. De maximale grootte is 14 cm, in het aquarium veeleer 12 tot 13 cm.


 
De neon van het Tanganyikameer
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent
008
Enige tijd geleden kreeg ik, van iemand die door plaatsgebrek tijdelijk zijn vissen kwijt wou, een viertal Paracyprichromis nigripinis blue neon. Ik was de schoonheid van deze haringen uit die Afrikaanse binnenzee, het Tanganyikameer, een beetje uit het oog verloren maar herwon al héél snel mijn adoratie voor deze prachtige dieren!
Heel wat jaren terug was de eerste kennismaking met Paracyprichromis- en Cyprichromis-soorten voor mij niet zomaar evident. Ik zou deze vissen, nooit bij de familie Cichlidae zijn gaan zoeken.
Het zijn om te beginnen zeer slanke vissen van ongeveer 12 à 15 cm groot en vrij zachtaardig van karakter. Ik mankeerde er de robuuste vorm en ook een beetje de kracht van een cichlide in.
Voor de beschrijving van de kleuren, raad ik jullie aan naar de bijhorende foto’s te kijken … ik kan hun pracht immers niet verwoorden. Vooral bij de mannetjes zijn de blauw iriserende strepen overheersend aanwezig, vandaar de naam “blue neon”.
Ze zijn verspreid over het gehele meer. Ik vind echter deze in mijn bezit, exemplaren uit de regio van Chituta, de mooiste. Er bestaan ook varianten uit Kantalamba en Fulwe. In het meer treffen we ze aan in de diepere regionen tot 40 m, ze prefereren er de rotsachtige omgevingen met heel wat openwatergebieden. Daar worden de volwassen mannetjes in grote holen waargenomen, waar ze hun territorium beveiligen.


 
Puntslakjes in het aquarium
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent

012
Uit gewoonte trap ik wel eens tegen heilige huisjes. Je kent ze wel, van die zaken die onderhand als waar worden aangenomen, waarvan niemand weet waar ze eigenlijk vandaan komen en die niet veel meer onderzocht worden. Eéntje is zeker de aanwezigheid van slakken in het aquarium. Is dit nu goed of slecht? Volgens het heilig-huis-principe zijn ze hun gewicht in goud waard. Wel, die mening deel ik niet, of toch zeker niet altijd. Een paar appelslakjes of een groepje posthoorntjes is ook voor mij absoluut geen probleem. Je hebt er echter altijd die moeten overdrijven en dan weten al vele liefhebbers over welke “letterlijk heilige huisjes” ik het hier heb, namelijk die puntslakjes (Melanoides tuberculata). Die krengen kunnen best interessant zijn voor een paar mensen, maar voor de meeste is het een regelrechte ergernis. Voor het schrijven van deze tekst heb ik ze ook eens “gegoogeld” en dan zag ik dat er ook te koop worden aangeboden. Nou moe, dat is voor mij hetzelfde als een verkoudheid verkopen. Ze leven meestal in het zand en ze vermeerderen zich enorm. Na een tijdje kan het zelfs zijn dat er (letterlijk) meer slakken dan zand in je bak zitten. Ik had er al vele jaren mijn twijfels over, maar ik ben nu heel zeker dat ze een negatieve invloed hebben op de kweek van (in mijn geval) Tanganyika-cichliden. Wat ze juist doen, weet ik niet maar ik heb wel een paar vermoedens. Zo denk ik dat, doordat ze ‘s nachts actief zijn, ze een heleboel kabaal maken. Tenminste voor het gevoelige zijlijnorgaan van onze vissen. Dit stelselmatig gebrek aan rust zorgt voor vermoeide vissen die niet zo graag meer voortplanten. Eens ze eieren hebben, moeten ze ook heel de nacht slakken verwijderen van hun gegeerde eieren.
Door hun veelvuldig kweken, onttrekken ze volgens mij ook een hele hoop kalk, maar vooral veel zuurstof, uit het water. Je moet voor de lol maar eens ’s nachts met een zaklamp in je bak loeren, je zult er versteld van staan hoeveel heilige huisjes er een aanslag plegen op je ecologisch systeem. Ze bestrijden is ook niet echt een makkie. Volgens de boekjes is dat geen probleem. Gewoon een stukje aardappel of komkommer in de bak leggen. Daar komen dan de slakjes naartoe en zo kun je ze dan weghalen. Inderdaad zo kun je er ENKELE weghalen, maar de populatie zal deze kleine etnische zuivering niet echt voelen. Dit zijn toch enkel de dommeriken die met een volle maag op hun eten blijven rondhangen of nog erger, de traagste sukkels (in slakkenland dan nog wel) die veel later die aardappel bereiken. Neen, het torenslakje is slimmer dan dat.
Ik heb ook eens kogelvissen ingezet. Inderdaad, onmiddellijk begonnen ze aan hun klus waar ze zo goed in zijn. Na twee dagen bijna geen slak meer te zien. Dat was te veel van het goede, ik werd wantrouwig. Er zitten véél méér slakken in dan die twee kogelvisjes op twee dagen op kunnen krijgen. Wat is hier aan de hand? Blijkbaar kunnen ze met elkaar communiceren. Van zodra er een paar torenslakjes gekraakt waren, verdwenen de andere als sneeuw voor de zon. Tenminste, ze kropen alle in het zand en daar jagen de kogelvissen niet. Al snel moest ik mijn kogelvissen bijvoederen. Toen ik daar eens met onze curator (van Zoo Antwerpen: Dhr. Philippe Jouk) over sprak, zei hij dat dit fenomeen bekend was. Tijdens het kraken door de kogelvissen, scheiden de slakken in nood een stof af die de andere waarschuwt. Nu moet de kogelvis al goed zoeken om nog één enkel slakje te vinden. Door deze te kraken bestendigt hij enkel maar de hoogste alarmfase bij de andere slakken.
Nadien heb ik ook nog clownbotia’s (Chromobotia macracanthus) ingezet. Ze eten niet in die mate slakken als de kogelvissen, maar zijn evenals de slakken, nachtactief. Ik denk wel niet dat ze de puntslakjes daadwerkelijk opeten, maar als er ééntje beweegt, gaan ze die wel treiteren. Zo zullen de slakken veel minder actief zijn, minder aan eten toe komen maar vooral minder kweken. Zo zijn de botia’s toch wel een goede remedie tegen deze puntslakjes. Maar voor mij toch nog niet goed genoeg. Dé oplossing heb ik eens op de Limbeurs in handen gekregen. Ik stond er zelf met een tafel en mijn buurman stond daar met verschillende soorten slakjes en garnalen. Dat is niet echt mijn gebied, maar we hadden nog een hele dag om daarover te praten. Hij sprak daar over Anentome helena, een trouwens ook heel mooie slak, maar vooral haar gedrag is fenomenaal. Als lievelingsvoedsel eten ze het liefst andere slakken en zéér graag de (door mij toch) gehate puntslakjes. Ik stond er eerst wat kritisch tegenover, want er zijn al zovele “goede” slakkeneters mijn bakken gepasseerd.

 
Echinodorus revisited, soorten en cultivars
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
017
Lange tijd vormde de in 1975 door Karel Rataj gepubliceerde revisie, en ook vele latere beschrijvingen van nieuwe soorten, de enige echt wetenschappelijk publicatie die voor de aquarianen als leidraad diende. In 1994 echter publiceerde de New York Botanical Garden een herziening van het genus Echinodorus aan de hand van Robert R. Haynes (universiteit van Alabama) en Lauritz B. Holm-Nielsen (universiteit van Aarhus). Zij namen slechts 26 soorten in aanmerking, terwijl Rataj er aanvankelijk 47 beschouwde. Beide revisies kregen trouwens al kort na hun publicatie meteen zware kritiek. In 2004 publiceerde Heiko Bleher een nieuwe revisie waarvan Rataj’s eerdere revisie terug aan de basis lag. Hij herschikte de meeste soorten, die door Haynes & Holm-Nielsen als ongeldig waren bestempeld, terug en beschreef ook enkele nieuwe variëteiten.“nieuwe” soorten waartussen de verschillen zeer (of té) klein waren. Haynes en Holm-Nielsen werden dan weer bekritiseerd omdat al snel bleek dat ze enkel gedroogde planten hadden onderzocht en daarbij (daardoor) soms aan de toch niet onbelangrijke morfologische verschillen voorbijgingen bij hun conclusies. De laatste revisie kun je trouwens om dezelfde redenen en dezelfde fouten bekritiseren als de eerste. Het blijft dus gewoon een kwestie van tijd wanneer de volgende revisie zal gepubliceerd worden. Momenteel werkt een jonge Finse wetenschapper van de Universiteit van Turku om hierin uitsluitsel te brengen op basis van DNA-onderzoek. Het zal echter nog wel enkele jaren duren voor deze resultaten bekend zullen gemaakt worden. In onderstaande lijst daarom een overzicht met enkel de wetenschappelijke namen, op basis van die laatste gepubliceerde lijst. Hierin refereert het eerste deel (beginnend met een hoofdletter) naar het genus, het tweede deel (beginnend met een kleine letter) naar de soort. Erachter volgt dan de naam van de persoon die de eerstbeschrijving maakte en het jaar waarin dit gebeurde. Een naam tussen haakjes refereert naar de naam van een eerdere beschrijver die de soort wel juist catalogeerde, maar het genus fout instelde. Bijvoorbeeld Echinodorus tenellus (Martius) Buchenau (1868) werd door Martius  in 1830 beschreven als Alisma tenellum en Buchenau plaatste de plant in 1868 in het genus Echinodorus.
Elaphe climatophora, de Japanse rattenslang
Nico Rosseel - Aquatom vzw.
022
De Japanse rattenslang, Elaphe climacophora, behoort tot de familie van de Aziatische rattenslangen.
Zoals de naam al zegt, komt ze voor in vrijwel geheel Japan, met uitzondering van het uiterste zuidwesten. De japanners geven ze de prachtige naam “Aiodaisho”. Ik heb me laten vertellen door een collega dat dit zoveel betekent als “de blauwe generaal”…
Volwassen, of beter volgroeide, exemplaren bereiken een gemiddelde lengte van 150 tot 180 cm, al zijn er uiteraard ook dieren die net een ietsje groter worden. Gewoon uit interesse heb ik mijn grootste vrouwelijk exemplaar gemeten en deze “big mamma” meet 197 cm. Dus laten we stellen dat uitzonderingen ook deze regel bevestigen. Zoals bij vrijwel alle slangen worden de dames ook opvallend groter en struiser dan de heren. Ook bij mijn dieren is dit vrij gemakkelijk waar te nemen, vooral aan de afmetingen van de kop.
Als je op het internet of in de literatuur naar foto’s van deze soort gaat zoeken, kom je op foto’s – die gemaakt werden in de natuur – vaak dieren tegen die opvallend donker van kleur zijn, ik bedoel hier: bijna chocoladebruin. Mijn wildkleurdieren (volwassen exemplaren) zijn variabel lichtgroen tot donkergroen gekleurd, met een zeer mooi vlekkenpatroon op de rugzijde. Deze vlekken zijn donkerder tot bruin van kleur. Op de flanken bezitten ze een gereduceerd strepenpatroon over de volledige lengte van het lichaam.
Bij jonge dieren, laat ons zeggen tot een leeftijd van ongeveer 9-10 maanden, ontbreekt alle groene kleur. Ze zijn volledig beige tot grijs met een bruine vlekkentekening.
Sommige bronnen verklaren dit als het nabootsen van de giftige addersoort Gloydius blomhoffii, die een vergelijkbare tekening en kleur bezit. Is dit zo? Of is het louter camouflage? Geen idee, maar het werkt blijkbaar wel!
Mijn dieren worden gehuisvest in glazen terraria. Deze zijn NIET voorzien van een achterwand, maar de achterzijde en beide zijkanten zijn zwart geschilderd. Ik gebruik bewust geen achterwanden in de terraria met als heel duidelijke reden: hygiëne. Mijn dieren slagen er steeds in om als er ontlasting geproduceerd wordt, er eens lekker door te kruipen en het hele terrarium van een nieuw likje “verf” te voorzien. Het glas was je zonder problemen af en desinfecteer ik even, met een achterwand wordt dit net een ietsje moeilijker.
De dieren worden gehouden in terraria van 80 x 50 x 50 cm. Dit gebruik ik voor de huisvesting van één trio dieren. (1.2.0)
Het terrarium is voorzien van een dikke bodemlaag bark (fijn en grof) met hierop wat gedroogde bladeren en een doos van ijsroom (2,5 l). Deze doos, waarbij in het deksel een gat gemaakt wordt met een diameter van om en bij de 6 cm, is deels gevuld met vochtig spagnummos. Ze dient als rustplek en eventueel voor het leggen van de eieren. Er is ook altijd een stuk hout aanwezig, dat enerzijds gebruikt wordt door de dieren als schuilplek, maar tevens zeker zo vaak als plek om te zonnen of bij het vervellen.
De verlichting bestaat uit een spot die wordt gestuurd door een tijdklok, om de dieren een zo regelmatig mogelijk leven te geven.
Buiten de paarperiode houd ik doorgaans de geslachten gescheiden en delen de mannen van de verschillende variëteiten gezellig een terrarium, terwijl de vrouwen lekker bij hun zelfde collega’s blijven wonen.
Jonge dieren worden gehouden in goed verluchte, plastic containers, waarvan de verluchtingsgaatjes van binnen naar buiten gemaakt dienen te worden. Dit om beschadigingen te vermijden aan het lichaam en in het bijzonder aan de kop.
Zelf heb ik ook die fout gemaakt en hier bijna een jong dier aan verloren. De kop was volledig opengereten (je kent ze wel, krekelbakjes!). Op de foto zie je een detailopname van dit dier zijn kop ongeveer 4 jaar later.
Voorzie altijd proper drinkwater, want deze soort verzet er behoorlijk wat van! Sproeien doen we één tot twee maal per week, afhankelijk van het jaargetijde.
  De redactie bezocht...
"Wondere wereld", een tentoonstelling van Orka's Kwaadmechelen
De FAK-tentoonstelling te Leuven
030
  BBAT-informatief 034
  VOEDSELGIDS Vliegen (4)  
Top