Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 64 – Nr. 2 - Februari 2011
 
ISSN 1372-6501

Chaetodon octofasciatus, de achtband koraalvlinder
Bruno Lemer - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
038
De soortnaam is vlug verklaard en geeft mooi het patroon weer: octo = acht, faciatus = met (dwars)banden. Voeg daarbij een gele basis en ons portret is klaar. Ze houden er bovendien ook nog een nachtkleed of schrikuitrusting op na. Hierbij verschijnt onder de zijlijn een donkere vlek tussen de vierde en vijfde dwarsband en verschilt min of meer in intensiteit naargelang de omstandigheden. Dode dieren vertonen steeds ook deze vlek. Burgess meldde in 1978 dat de dieren afkomstig uit Thailand en deze uit Palau kleine verschillen vertonen betreffende de breedte van de verticale dwarsbanden. De tussenruimte vertoonde hetzelfde patroon. De jongen die zich zeer talrijk ophouden in de koraalriffen rond Sri Lanka en de Seychellen vertonen meteen dezelfde kleur.
Deze 10 tot 12 cm lange vis houdt zich in schoolverband op in de ondiepe kustwaters (volgens Allen tussen 3 en 20 m diepte) in het oosten van de Indische en de Stille Oceaan. Hierdoor kan hij zowel leven in brak als zout water. Ze zijn vooral talrijk in de gebieden waar koralen van het genus Acropora* voorkomen, waarvan ze de poliepen afvreten. In wetenschappelijke studies worden hun aantallen dan ook rechtstreeks evenredig gesteld met de gezondheid van het betrokken rif.
Deze Chaetodon behoort tot de vrij redelijke goed houdbare soorten op voorwaarde dat ze in een schooltje kunnen leven in een ruim vivarium. De voeding levert weinig problemen op. Levend en dood klein dierlijk voedsel wordt grif aanvaard. Aanvankelijk wordt meestal snel Artemia aanvaard. Ook een geopende rauwe of gekookte mossel kan dienen. Schelpen en resten ervan, worden natuurlijk na enkele uren verwijderd om vervuiling te voorkomen. Muggenlarven worden meestal ook niet versmaad.
Overtuig u bij aanschaf dat de gekozen vissen vlot eten. Rond 50% van de importen vertikt het om te eten en verkommert (prof. B. Condé en D. Tever).
In het aquarium zijn het kalme bewoners die zich graag verschuilen onder de koralen of in de schaduw van een bosje Caulerpa. Let er wel op ze niet samen te houden met dieren die ongeveer dezelfde kleur en patroon vertonen. Zo zal Centropyge multifasciatus ongenadig jacht op hen maken en vooral hun vinnen beschadigen. Het gebeurt ook dat ze tragere medebewoners en lagere dieren een gratis poetsbeurt geven. De meeste exemplaren zijn geïmporteerd uit Singapore en Sri Lanka en zijn dan jonge exemplaren variërend tussen 5 en 7 cm. Vermijd het aanschaffen van vermagerde dieren daar deze zich veeleer slecht aanpassen.


 
Acanthopsis dialuzona
Jacques Roelandts - vertaling: Freddy Haerens
044
Acantopsis dialuzona is een stekelige Aziatische modderkruiper die zich onderscheidt door zijn ongewone verschijning, zijn gewoonte om zich in het zand in te graven, zijn veeleer nachtelijke activiteiten en zijn solitair karakter. Hij is ingedeeld in de orde der Cypriniformes (karperachtigen) en behoort tot de familie der Cobitidae of modderkruipers in de strikte zin van het woord en de onderfamilie der Cobitinae, de échte modderkruipers. In Thailand noemt de plaatselijke bevolking hem "pla-sai" of vis van het zand en ook "pla-kluey" wat banaanvis betekent. In het Nederlands wordt hij soms “slurfmodderkruiper” genoemd.
De familie der Cobitidae bevat ook beter bekende soorten zoals vissen uit de genera Botia en Pangio.
Het genus Acantopsis werd opgericht in Batavia (nu Jakarta) in 1823 door van Hasselt en het is in een andere tekst van van Hasselt uit 1824 dat hij opnieuw verwijst naar deze nieuwe genusnaam, maar dit keer schreef hij met een “h”, Acanthopsis, en vele andere schrijvers na hem. Volgens de regel van chronologische prioriteit is de originele spelling, dus Acantopsis, de enige juiste naam.
In de handel treft men deze vissen soms aan onder de naam Acantopsis choirorhynchos en ook in vele publicaties wordt A. dialuzona zeer dikwijls als synoniem van A. choirorhynchos aangegeven, doch dit blijken twee afzonderlijke soorten te zijn, al is het onderscheid moeilijk vast te stellen.
Een andere soort die soms vermeld wordt, is Acantopsis lachnostoma beschreven door Rutter in 1897, maar heden wordt aangenomen dat dit een synoniem is van Acantopsis choirorhynchos.
A. dialuzona komt oorspronkelijk uit Zuidoost-Azië, waar hij een zeer groot verspreidingsgebied heeft. We vinden hem in Myanmar (het bekken van de Salouen rivier), in het noorden van Thailand (Chiang Mai en de Nam Ping rivier) en in het zuiden (Nakhon Si Thammarat), in Vietnam en het Maleisische schiereiland. De geografische spreiding bedekt eveneens Indonesië en oostelijk Maleisië: zijn aanwezigheid is vastgesteld in het zuiden van Sumatra (bekken van de Musi rivier en ten zuiden van Palembang), het westen van Borneo (het stroomgebied van de Kapuas rivier) en het westen van Java (gebied tussen Bogor en Bandung). Hij is in India ook vermeld, maar zonder locatie. De slurfmodderkruiper leeft in waterlopen met een zanderige of grindbodem en met helder water, in matig tot snelstromende waters en in de stroomversnellingen, maar ook in de moerasgebieden met troebel water en een modderige bodem. In snelstromend water houdt deze vis zich graag op met de kop tegen de stroom in. Bij gevaar, begraaft hij zich bliksemsnel volledig in, met alleen zijn ogen nog boven het substraat.


 
Caridina serrata
Johan Keulemans - Pristella Schoten

049
Zoetwatergarnalen zijn de laatste jaren in opmars en ze beginnen zo stilaan bij iedereen bekend te worden. Eén van de bekendste is ongetwijfeld Caridina serrata, de zebragarnaal. Hij wordt al enkele jaren door liefhebbers gehouden en gekweekt. Ook op beurzen duiken ze zo af en toe eens op. Tijd dus om ze zich even te laten voorstellen.
Hallo daar, ja hier zit ik. Kijk even goed hier tussen de planten. Goed zo, je hebt me gevonden. Zoals je ziet ben ik niet de grootste, maar met mijn 3 cm ben ik dan ook geschikt om zelfs in kleine aquaria te worden verzorgd. Bij de onderverdeling in de garnalenfamilie behoor ik tot de familie van de Atyidae. Al is al dat Latijn belangrijk voor een juiste naamgeving, ik trek mij daar niet te veel van aan.
Zoals vele Caridina- en Neocaridina-soorten komen we uit Zuidoost-Azië en werden we vooral ingevoerd via Hongkong.
Dat we door onze gestalte vredelievende dieren zijn, moet ik jullie waarschijnlijk niet vertellen. We doen geen vlieg kwaad. Langs de andere kant moet je ons ook met kleine rustige vissen houden die ons niet lastig vallen. Of ... je zet ons in ons eigen aquarium, wat eigenlijk nog beter is. Zoals alle garnaalachtigen lopen we met vier paar looppoten en om te eten gebruiken we één paar gevorkte poten. Onder het achterlichaam hebben we dan nog onze zwempoten. Natuurlijk mogen we onze zwemstaart niet vergeten. Ons skelet zit aan de buitenkant en vormt zo ons pantser. Onze kleur beschrijven, is niet zo eenvoudig als het lijkt, maar ik zal mijn best doen. Ons pantser is transparant met een licht bruinrode waas en daarop banden van witte punten afgewisseld met banden van zwarte punten. Onze staart is lichtrood met op het einde een wit punt. Ook onze voelsprieten hebben een roodbruine kleur. Zoals je merkt, we mogen er zijn.
Het pantser werpen we op geregelde tijdstippen af voor een nieuw. Dit is ook het moment waarop we groeien. In dit stadium zijn wij zeer kwetsbaar en vinden vissen ons lekkere hapjes. Vandaar dat we ons dan goed moeten kunnen verstoppen. Het lege pantser ruimen we later zelf op door het op te eten.
Het aquarium kun je het beste inrichten met fijnbladige planten zoals Ceratophyllum, Myriophyllum sp. en Cabomba. Ook tussen Vallisneria, Anubias en javavaren (Microsorum pteropus) voelen we ons prima. Als je dan nog flink wat javamos (Vesicularia dubyana) voorziet, dan kunnen we ons goed verstoppen als we dat willen. De temperatuur houd je het best op een 22 à 25 °C. Het water heeft het beste een pH van 6,5 à 8 en een hardheid van 10 à 15 °dH.
Voor ons dagelijks menu zijn we helemaal niet moeilijk: we zoeken constant alles af naar iets eetbaars, vooral tussen het javamos en verder eten we ons buikje vol aan voedertabletten.
Voor het kweken hoef je ook al niets speciaals te doen, daar zorgen wij wel voor. Op een bepaald moment zie je onze vrouwtjes verschijnen met eieren tussen hun zwempoten. Door te waaieren met hun zwempoten voorzien ze de eieren constant van vers water en zuurstof.  Na ongeveer een maand komen de eitjes dan uit. De jongen hebben alle larvenstadia al doorgemaakt in het ei, zodat het echte miniatuurgarnalen zijn. De jongen zoeken ook direct voedsel op tussen algen e.d. Als er jongen zijn, moet je wel opletten dat  je tijdens het afhevelen van water geen jongbroed mee afhevelt. 
Wel is het zo dat we slecht tegen geneesmiddelen voor vissen kunnen. Dus als we in een aquarium met vissen zitten en er is een vis ziek, doe er dan geen geneesmiddel in of wij, garnalen, zijn dood. Haal de vis eruit en behandel hem in een apart aquarium. Sinds enkele jaren kom je af en toe ook een kweekvariant tegen van Caridina met een rode kleur nl. “Crystal Red”. Nu de interesse van de liefhebbers gewekt is, worden er nu ook al eens andere soorten aangeboden, maar daarover ga ik nu nog niets vertellen. Dat moeten ze zelf maar eens doen.

 
Visexpeditie op de Rio Negro
Dr. Gerald Bassleer
052
Met een groep van 20 enthousiastelingen beleefden wij een buitengewone expeditie naar tropische vissen, georganiseerd door Aquamazonia (en Dr. Labbish Chao, Scott Dowd & Gerald Bassleer).
Na een 2-daagse internationale conferentie (met 90 deelnemers) over de "Green Ornamental Fish Industry" in Manaus (Brazilië), zeg maar: de “groene” siervissen industrie, gingen we op een 10-daagse vissenexpeditie op en langs de Rio Negro. Het gezelschap bestond uit een internationale mengelmoes van aquariumliefhebbers uit Noorwegen, België, de VS, Canada, Taiwan, Tsjechië en Duitsland. Tijdens die dagen hebben we bijna allemaal aquariumvissen gezien of verzameld.
Wij hebben hier niet de bedoeling om een gedetailleerd reisverslag te schrijven, maar een samenvatting van onze reis met foto’s van de verzamelde vissen en de belangrijkste gebeurtenissen.
De eerste dagen verkenden we Manaus (hoofdstad van Amazonas) met bezoeken aan viskwekerijen (zie foto 1+2), musea en openbare markten. Op de vismarkt zagen we vele vissen die verboden zijn voor de export en de aquariumindustrie, maar waarvan de vangst enkel wordt toegestaan als voedselvissen (foto 2a).
Op de 27ste vertrokken we stroomopwaarts op de Rio Negro naar Barcelos, waar bijna 80% van de Amazonevissen worden verzameld.
De meest interessante rivieren, meren of locaties waren Pagodao, Rio Aturia, Rio Juaperi & Agua Boa, Zamula, Rio Branco een klein dorp Piloto en de steden Novo Airao en Barcelos.
Yucca aloifolia of palmlelie
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
059
Een Yucca aloifolia moet u nooit zelf kopen. Er is altijd wel iemand in uw omgeving die met een heuse yuccaboom geplaagd zit, die naar de zoldering en liefst nog iets hogerop wilt groeien. Ontferm u over zo’n verstoteling en maak er meteen meerdere exemplaren van.
Het enige dat u voor de vermeerdering nodig heeft bestaat uit een stel niet te kleine bloempotten, het gepaste grondmengsel en … een scherp mes of een zaag.
Haal er eerst, met een lengte van ongeveer veertig centimeter, de top uit en leg deze apart. Daarna verdelen we de rest, tot ca. veertig centimeter boven de wortels, in stukken van dertig tot veertig centimeter. Hier schuilt echter een addertje onder het gras. Op één of andere wijze moet u een teken aanbrengen dat de oorspronkelijke groeirichting aangeeft. Daar waar bladeren moeten verschijnen komen immers geen wortels te voorschijn. Wie de plant goed bekijkt, zal merken dat de resten van de afgestorven of afgesneden bladeren in de goede richting wijzen.
We bezitten nu drie soorten stukken.
De pot met de wortelkluit gaat meteen aan de kant. Deze heeft reeds wortels en het is slechts wachten op het ontspruiten van knoppen en bladeren. Uit dit deel van de oorspronkelijke plant ontstaan de mooiste vertakte exemplaren. Nadien kunt u er wellicht de milde schenker mee plezieren.
Nemen we nu de top onder handen. Een deel van de oudste bladeren wordt met een scherp mes verwijderd om de verdamping te beperken. Daarna leggen we hem bij de andere delen van de stam.
Intussen heeft onze helper – altijd nuttig – reeds de nodige bloempotten gevuld met een turfbevattend grondmengsel. Een hier goed bruikbaar mengsel bestaat uit gelijke delen turfstrooisel, boomschors en zand.
Zodra de wonden enigszins verdroogd zijn, plaatsen we de stekken volgens de groeirichting in de potten. Dikwijls lukt het niet al te best om de – soms forse – knoesten mooi rechtop te plaatsen. Een “steuntje” kan in de eerste periode dan ook absoluut geen kwaad. Professionele kwekers rekenen op ca. vijf maanden om een stuk stam te laten uitgroeien tot een verhandelbare plant.
In een warme omgeving moet de plant voldoende water krijgen waarbij ook hydrocultuur zeker kan. Daardoor is hij uitstekend geschikt om in een paludarium of een vochtig terrarium ondergebracht te worden.
Door zijn robuuste vorm kan hij gerust aangewend worden bij middelgrote slangen, dito hagedissen en schildpadden. Wanneer een bewoner, in een woeste bui, één van de uitsteeksels afrukt, is dit nog geen ramp. Dit stuk wordt eenvoudig herplant.
Indien deze soort te teer uitvalt voor uw kostganger(s) neem dan de zwaarder gebouwde Yucca elephatites. Deze soort wordt veel in kantoren en in inkomhallen ervan, op hydrocultuur verzorgd. Yucca’s via zaad vermeerderen lukt slechts – en dan nog zelden – bij de Yucca aloifolia. Al de andere soorten hebben hiervoor de hulp nodig van een wit motje (Pronuba yuccasella). Omdat deze “fladderaar” enkel in Centraal-Amerika en het zuiden van de Verenigde Staten – het woongebied van de yucca’s – voorkomt, is zaadvorming op de rest van onze planeet vrijwel uitgesloten. Het woongebied van onze plant is echter beperkt tot Oost-Mexico en het zuidoosten van de V.S..
De bestuiving van een palmlelie is een verhaal apart. Mevrouw mot bezoekt de bloem en verzamelt er stuifmeel. Dat ze met haar gewroet ook meteen het overige stuifmeel verspreidt komt de plant ten goede. Later verwerkt ze de pollen tot bolletjes die ze, samen met haar eitjes, tegen het vruchtbeginsel kleeft. De uitkomende larven kunnen dan meteen een “zaadje” meepikken. Zo heeft ieder zijn deel van de koek. De hier verstrekte gegevens gelden niet steeds voor de soorten die in tuinen opgroeien.
  De redactie bezocht...
BBAT-WEST, Aquarium- Terrarium en Vijverdag
062
  20 vragen aan... Willy Luts 064
  BBAT-informatief 067
  VOEDSELGIDS PLankton, slootinfusie (1)  
Top