Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 64 – Nr. 3 - Maart 2011
 
ISSN 1372-6501

Leuciscus idus, windes, slanke vijverbewoners
Guido Lurquin - K.a.h.v. De Siervis Leuven.
074
Windes zijn slanke verschijningen, met een zilverwitte buik. De wetenschappelijke genusnaam Leuciscus betekent niet voor niets: wit stralend. Het zijn prima vissen om tuinvijvers op te vrolijken. Snel zwemmend, haakse bochten nemend en omhoog springend achter muggen zorgen zij voor een levendige noot in de waterpartij. Zeker in de ietwat grotere vijver, waar ze ongestoord kunnen rondflitsen, zijn zij echt op hun plaats.
Zilverwinde
De wildvorm wordt vooral geweekt om uit te zetten in parkvijvers. Als handelsnaam gebruikt men vaak de benaming zilverwinde. Door zijn donkere rug is zilverwinde vrij moeilijk waar te nemen van boven af. Bij zonneschijn zien we de zilveren buiken opflitsen en wie onderwaterlampen installeert zal 's avonds zilverwitte strepen zien reflecteren. Winde werd met succes uitgezet in een aantal landen ten westen van de Rijn. Deze vis leeft vooral in rivieren en in sommige zuurstofrijke meren. Soms komt hij voor in brak water (Oostzee). In Rusland zijn windes van aanzienlijk commercieel belang. Ze worden er gevangen met fuiken en netten. In Europa wordt er op gehengeld. Winde kwam vorige eeuw veelvuldig voor in de bekkens van Schelde, Maas en Rijn maar werd in 1980 door Lelek geklasseerd bij de “kwetsbare en in gevaar verkerende” vissen in zijn boek “Les poissons d'eau douce menacés en Europe”. De sterke achteruitgang van deze vissoort is te wijten aan: de bouw van stuwdammen en sluizen die de trek stroomopwaarts verhinderen, het rechttrekken en indijken van waterlopen zodat er geen overstromingzones meer zijn en last but not least de watervervuiling. Winde is erg gevoelig voor vervuiling en werd in Duitsland gekozen als testvis om de kwaliteit van water te beoordelen.
Winde leeft vooral in de midden- en benedenlopen van rivieren (barbeelzone en brasemzone) en verkiest helder, niet te warm water. Van 15 tot 20 °C is ideaal. Eigenlijk zijn windes trekkende vissen. Zij migreren binnen hun rivierstelsel. Na de voorjaarstrek stroomopwaarts (om te paren) zoeken zij in de zomer overstroomde gebieden op waar ze zich intensief voeden. In de herfst zakken ze af naar een meer of een diep deel van een grote rivier om er te overwinteren.
Het voedsel van de jonge visjes bestaat uit ongewervelden (vooral mollusca), kreeftachtigen, insecten en hun larven en nu en dan wat zacht plantaardig materiaal. Volwassen windes eten ongewervelden en ook wat visjes. Het geslachtsonderscheid is niet gemakkelijk. Doorgaans is het mannetje slanker, groter en beter gekleurd. In de paaitijd vertoont het mannetje bruiduitslag (voortplantingspuntjes).
De voortplanting gebeurt schoolsgewijze in ondiep water tussen stenen en waterplanten in april-mei. Een vrouwtje legt 39.000-114.000 eieren. Na 15 tot 20 dagen komen de eieren uit. Na 2-5-7 jaar zijn windes volwassen. Winde groeit vrij snel (30 cm in 6 jaar), kan tot 15 jaar oud worden en een gewicht van zo'n 1,5 kg halen, bij een lengte van 50 à 60 cm. In zeer kleine vijvertjes zijn ze dus niet op hun plaats.
Goudwinde
De oranje variëteit is een goedkope, zéér populaire en erg geliefde vijvervis en dat is terecht. Men geeft aan deze variëteit soms de “wetenschappelijke” namen Leuciscus idus orfus of Leuciscus idus var. auratus. Vanuit Zuid-Duitsland werden ze sinds 1868 uitgezet in zowat alle gematigde streken, zeker in vijvers van tuinen en parken. Ze zijn oranjekleurig en aan de buikzijde zilverkleurig. Goudwinde is de Nederlandse naam voor deze xantische kleurvariëteit. In natuurlijke oppervlaktewaters van rivieren en meren komt deze vorm zelden voor.
Goudwindes zijn erg gemakkelijk te houden. Ze zijn sterk en stelle weinig eisen. Een flinke zwemruimte met een rijkelijke randbeplanting is ideaal. Zuurstofrijk, koel water is het beste. Geef ze een vijver met een behoorlijk diep gedeelte om de vissen te laten overwinteren.
Als beweeglijke, wat schuwe oppervlaktevissen zijn het uitstekende zwemmers. Vermits windes scholenvissen zijn, moeten ze met enkele samen gehouden worden. Een zestal stuks is echt een minimum. Het voedsel wordt vooral aan het wateroppervlak genomen. Allerlei levend voedsel wordt aanvaard, maar ook plantaardig voer en droogvoer. Windes leven harmonisch samen met andere vijvervissen zoals goudvissen (Carassius auratus), maar woelen veel minder dan deze laatste. Windes zijn erg goed winterhard en lokken andere vissen mee boven in de vijver. Soms springen ze, bij het zien van een prooi, tot 30 cm boven het wateroppervlak uit en plonzen er nadien terug in. Dit spektakel is vooral te bewonderen 's avonds bij windstil weer.


 
Brachydanio albolineatus, de gouddanio
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
079
Noot vooraf
Het is mogelijk dat deze soort en de vernoemde verwanten in sommige literatuur, onder de genusnaam Danio terug te vinden is. Er bestaat tegenwoordig onder ichtyologen wat verwarring of Brachydanio synoniem van Danio, subgenus van Danio of een zelfstandig genus moet zijn.

Brachydanio albolineatus, onder liefhebbers de gouddanio, heeft een verspreidingsgebied dat zich uitstrekt van Myanmar (het vroegere Birma) tot Thailand en via Malakka naar Sumatra. Ze komen in zowel het laagland als diep in het hoogland voor. Je vindt ze er in langzaam tot matig snel stromende watertjes en poelen. Ze zouden vooral daar leven waar de waterplantengroei erg dicht is. Zo kan het voorkomen dat de gouddanio in de droge periode te vinden is in plassen en poelen die vol liggen met ten dele afgestorven planten. Dat staat dus in feite lijnrecht tegenover de omstandigheden die wij aquarianen zo graag zien in ons aquarium.
Evenals zijn aanverwante soorten, met name B. rerio, het zebravisje; B. kerri (thans Danio kerri), de gestreepte danio en B. nigrofasciatus, de gepunte danio, is de gouddanio een echt scholenvisje. Dit betekent dat al deze soorten in een niet te klein aquarium moeten gehouden worden. De gouddanio (in de Engelstalige landen “pareldanio”), bereikt een lengte van ongeveer 5,5 cm. In de aquariumzaak, waar het dikwijls jong en kleurloos zit, loop je er gemakkelijk voorbij. De vis is over zijn gehele lichaam zilverblauw tot violet gekleurd met een goudglanzende buik. Zowel de vrouwtjes als de mannetjes hebben een reflecterende rozerode tot rode streep over het midden van het lichaam die van juist onder het begin van de rugvin tot aan de wortel van de staart loopt. Daaronder merk je soms een “ondersteunende” korte donkerblauwe streep op, onderaan afgelijnd met een andere, dunne, rozerode streep. De mannetjes zijn veel slanker dan de vrouwtjes en ook meestal dieper van kleur. Hun bek is enigszins opwaarts gevormd en je treft er ook twee, voor danio’s typische, baarddraden aan.
De naam Brachydanio albolineatus (Blyth, 1860) betekent letterlijk vertaald witte (albo), lijn (lineatus). De beschrijver van dit genus kwam op deze naam nadat hij een visje op sterk water nader beschreef. Daar het een dood exemplaar betrof, was de mooie roestbruine lengtestreep geheel wit geworden. Vandaar die naam witte streep - albolineatus. De minimummaat van het aquarium waarin je een schooltje van minstens toch zo'n 10 stuks moet houden, is 80 x 40 x 40 cm. Iemand die ze in een aquarium van bv. 50 x 30 x 30 cm onderbrengt zal in wezen niet het volle plezier aan deze vissen beleven. Hij zal bovendien snel tot de ontdekking komen dat ze weg beginnen te kwijnen, vermageren en ten slotte doodgaan. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn van een echte aquariaan. Daarom prefereer ik een aquarium van bv. 100 x 40 x 45 cm of mooier nog 120 x 40 x 45 cm. In laatstgenoemd aquarium zullen deze visjes zich uitermate kunnen uitleven. Als je zo'n aquarium een beetje doordacht beplant, dus niet één lange zwemruimte, maar met een paar flinke hoge tussenbeplantingen, zullen de visjes dan om deze plantengroepen heen moeten zwemmen en dat is een prachtig zicht.


 
Aplocheilus lineatus, het dwarsbandsnoekje
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.

082
Even kijken wat de wetenschappelijke naam betekent en of hij iets essentieels vertelt over deze killi.  Aplocheilus is een combinatie van aploos = eenvoudig, enkelvoudig en cheilos = lip. Dit laatste zal wel te maken hebben met de vooruitstulpbare bovenkaak. Lineatus geeft aan dat hij voorzien is van een streep.
Het dwarsbandsnoekje bezit, zoals alle andere Aplocheilus-soorten, een zilver glanzende vlek op zijn schedel. Bekijkt men van op de oever het wateroppervlak, dan zal men veel eerder deze vlek opmerken dan de vis zelf. De inheemse bevolking noemt deze vis daarom “zinkkopje”.
Aan een beschrijving wagen we ons niet en verwijzen hiervoor naar de illustratie. Dit geldt ook voor het “gold” kweekproduct. Vermeldenswaard is wel dat de 8 smalle zwarte dwarsbanden bij het vrouwtje beter tot hun recht komen dan bij het mannetje waarbij ze, bij het bereiken van de geslachtsrijpheid, volledig verdwijnen. Het beschrijven van de talrijke plaatselijke rassen is in dit bestek onmogelijk. Ouder wordend vermindert de kleurenpracht om na 2 jaar volkomen te vervagen.
Meestal vermeldt men een grootte voor het mannetje van 90 tot 110 mm. Goed gevoederde reuzen in grote aquaria worden uitzonderlijk 100 mm. De meeste volwassen dieren in onze aquaria halen maar 60 à 70 mm. Zodra ze een grootte van 4 cm bereiken, kan men het geslacht vaststellen. Bij de knapen vervagen de dwarsstrepen en de goudglans op de flanken wordt sterker. Hun staart wordt rechter, terwijl deze van de meisjes zijn ronde vorm behoudt.
Dit tandkarpertje is afkomstig van India, vooral uit de districten Bombay, Malabar, Corg, Wynaad, Cochin en Travancore, evenals Sri Lanka en Thailand waar het de rijstvelden, plassen en grachten bevolkt. Omwille zijn zucht naar insecten wordt hij in India gebruikt als controleur op de muggen en hun larven. In 1909 werd het visje al door de Vereinigten Zierfishzüchtereien Conradshöhe (bij Berlijn) naar Duitsland gebracht, wat er op wijst dat het al lang gekend is. Na de gebruikelijke rage is het prachtige visje in de vergetelheid geraakt.

 
Geophagus sp. "Tapajos orange head"
Marc Ysebaert - Aquarianen Gent
085
Ik (Yzebaert Marc, alias Meeki) heb deze vissen leren kennen in 2001 tijdens een buitenlandse trip naar het aquariumland bij uitstek: Duitsland. Na enige aquaria te hebben bekeken, zag ik deze vissen zitten en was het liefde op het eerste zicht. Om het kort te houden, ik heb ginds een veertigtal vissen gekocht en mijn aquaria bij thuiskomst aangepast. Na verloop van tijd ben ik deze vissen dan ook beter gaan leren kennen en heb ik besloten bepaalde soorten van de grote Geophagus-familie te gaan houden. In dit artikel wil ik mij echter beperken tot mijn grote voorliefde, zoals de titel al doet vermoeden: Geophagus sp.”Tapajos orange head”.
Waarom ik voor deze vissen kies, is eigenlijk vrij eenvoudig.
Het is algemeen bekend dat je in de literatuur weinig en soms helemaal niets terug vindt over deze soort en dit vind ik raar en spijtig. Dus hoop ik met mijn bescheiden kennis over deze Zuid-Amerikaanse cichlide daar een kleine verandering in te brengen en ze langs deze weg eens in het spotlight te brengen.
Voor mij begon het allemaal in oktober 2001 op een tentoonstelling in Duisburg/Duitsland waar ik mij de eerste exemplaren heb aangeschaft. Na wat zoeken en rondvragen, kwam ik te weten dat deze vissen in hun onderhoud en verzorging echt wat meer tijd vragen van de aquariaan. Vooraleer ik toelicht wat dit allemaal inhoudt, wil ik jullie toch wel meegeven dat deze vissen echt tegen een “stootje” kunnen. Wees dus niet bevreesd deze vissen eens te houden. De grootste aanpassing voor mezelf, die vroeger verschillende soorten uit Midden-Amerika op hard water hield, was deze nieuwe vissen te houden op zachter water. Ik was nu verplicht mijn verschillende aquaria een grondige metamorfose te laten ondergaan, maar dit viel echter best mee door een mengsel van regenwater en demiwater te gaan gebruiken. Geophagus “Tapajos” heeft bovendien een groot aanpassingsvermogen qua watervereisten. Hiermee bedoel ik dat zij vrij harde waterwaarden (GH) best kunnen verdragen en tevens ook kunnen gehouden worden in water met een vrij hoge pH. Zelf heb ik ze in het begin gehouden in water met een GH van 16 °dH en een pH van 7,5 en heb nimmer een probleem ondervonden.
Mijn dokter is een vis!
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
090
Doktersvis (vrij vertaald uit het Turks: “vis van de arts”) is de populaire naam van Cyprinion macrostomum macrostomum Heckel, 1843 (je leest veelal macrostomus, maar het genus Cyprinion is onzijdig dus is de uitgang van de soortnaam –um), of Garra rufa obtusa (Heckel, 1843), origineel ooit door Heckel beschreven als Discognathus obtusus. Dan wordt niet het soort doktersvis bedoeld zoals we die kennen uit de zeeaquaristiek, maar kleinere visjes die enkel dode en zieke huidcellen eten en vooral in Turkije (Kangal) gebruikt worden als ultieme behandeling tegen psoriasis, een wereldwijd veel voorkomende huidziekte. Knabbelvisjes als dokter dus...
Deze vissen blijken inderdaad zeer effectief te zijn en knabbelen bij baders in de gespecialiseerde spa-resorts in Turkije, in speciaal aangelegde baden, de dode en aangetaste huid weg, nooit gezonde huid.
De vissen leven er dus gewoon in de baden van de patiënten, in naar onze normen zeer warm water van 35 tot 38 °C met een pH van ±7,2. Nu verdragen ook onze gewone gupjes temperaturen tot 35 °C, maar prettig vinden ze dit niet. Deze visjes wel, wat nog een ander voordeel biedt. Door die hoge temperatuur en de samenstelling van het water dat uit natuurlijke warmwaterbronnen komt, ontstaan in de baden ook kleine algenkolonies samen met phyto- en zoöplankton die deze huidetende visjes eveneens lusten. Hun werkruimte in deze oorden is daarmee meteen ook hun habitat, maar ... plaats een psoriasispatiënt in zo’n poel en ze schakelen meteen over op hun lievelingskost: dode huidpartikels. Hun natuurlijke habitat bevindt zich echter in de riviertjes van het Tigris-Eufraat stroomgebied in West-Azië. Daar zou hun populatie evenwel al enorm geslonken zijn nu ook Aziatische “wellness-klinieken” deze visjes ontdekt hebben en dergelijke kuren aanbieden in hun programma. Vooral vanuit Turkije wordt de export van deze visjes daardoor sinds kort zeer streng gecontroleerd.
Een hardnekkig, zelfs absurd misverstand, luidt echter dat deze visjes psoriasis zouden genezen omdat ze dithranol aan hun muil zouden afscheiden dat een positief effect zou hebben op het ziektebeeld. Deze visjes genezen natuurlijk geen psoriasis, ze verwijderen uitsluitend, weliswaar zeer effectief, de dode en aangetaste huid van iemand met deze ziekte, waardoor de echte therapie nadien veel efficiënter kan gebeuren op de gezonde, levende huid. Ook de zon (de UV-straling op de hoogte van het kuuroord), het seleniumgehalte (1 g/l) en de hoge watertemperatuur zouden in dezen een grote therapeutisch rol spelen. Dit alles samen met het psychosomatisch effect van de omgeving en de behandelingsmethode, garanderen een lange periode met een serieuze vermindering van de jeuk en de ziekteverschijnselen op de huid, waardoor psoriasispatiënten daarnaast ook de kans krijgen om hun sociale leven weer (even) op de rails te zetten.
Meteen toch ook even nadrukkelijk vermelden dat psoriasis helemaal niet besmettelijk is, dus als deze mensen je de hand reiken ... aannemen!
Anolis equestris, de ridderanolis
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
094
Wie aan de kleine Anolis-soorten gewend is, schrikt wel even op van deze reuzen. De meestal uit Florida ingevoerde dieren blijven om een onduidelijke reden iets kleiner dan hun Cubaanse broertjes, maar vijfenveertig centimeter voor de mannetjes is toch behoorlijk. De vrouwtjes zijn bij eenzelfde ouderdom ongeveer tien tot vijftien procent kleiner. De landgenoten van Fidel halen echter vlot een halve meter en vijfenvijftig centimeter is zelfs niet uitzonderlijk.
Zoals hun neven en nichten beschikken deze bewoners van de boomkruinen over sterke poten en lange, scherpe nagels. Bij een glad gedeelte op takken of de stam komen de lamellen goed van pas.
Terwijl voor adulte dieren geen boomkruin te hoog is, verkiezen de juveniele het struikgewas. Een mogelijke reden is dat bij volwassen dieren kleine hagedissen bovenaan op de spijskaart staan en in de schemering konden pa en ma zich wel eens vergissen.
Omwille van hun hoge herkomst behoren ze in een hoog terrarium te worden onder gebracht. Sluit het goed af, want het zijn potige hagedissen die zich zelfs probleemloos langs de ruiten omhoog werken. De afsluiting dient uit stevig metaalgaas te bestaan, want een goede verluchting is van levensbelang.
In bepaalde publicaties spreekt men van een ruim terrarium en men geeft dan als afmetingen 60 cm (L) X 50 cm (B) X 120 cm (H). Dat een dier van zulke afmeting, laat staan een duo of een trio, op een dergelijk bodemvlak moet leven is dierenkwelling. Indien je geen groter vivarium bezit of de plaats er voor hebt, neem dan een soort die onder de twintig centimeter blijft.
Naar mijn bescheiden mening moet een dier op de bodem in elke richting minimaal over driemaal zijn lichaamslengte kunnen beschikken. Ditzelfde geldt sowieso voor de hoogte. Denk eraan dat de dieren vlot tien jaar kunnen worden.
Dat bij dergelijke, forse dieren geen tere planten thuis horen is logisch. Het worden dus stevige soorten Monstera deliciosa, Philodendron of Ficus en Yucca. Een beetje kleur kan men verkrijgen met een stevig in de achter- of zijwand verankerde forse Bromelia-soort zoals Aechmea of Vriesea, waarbij de met water gevulde kokers voor extra vochtigheid en als drinkplaats in aanmerking komen. Orchidaceae zoals die bij de kleinere soorten een mooi effect geven, zijn af te raden.
Natuurlijk mag ook een dikke, schuin oplopende tak niet ontbreken die plaats biedt om te zonnen of te slapen. Maak hem niet te hoog! Tweederde van de terrariumhoogte is aan te raden om te vermijden dat de dieren verbranden. Scherm de warmte en UV-stralers ook goed af, of ze gaan niet lang mee, of de dieren branden zich er deerlijk aan.
Ook de planten hebben hun behoeften en in deze warmere omgeving is die eerste behoefte water. Planten gedijen immers best in een mini klimaat met een hoge vochtigheidsgraad. Hoe bereiken we dit nu?
De tien centimeter dikke bodemlaag uit onbewerkte bladaarde rust op een twee centimeter dikke laag bestaande uit vochthoudend materiaal zoals de in de meeste tuincentra nu verkrijgbare cacaodoppen. Dagelijks moeten we bovendien flink sproeien. Dit gebeurt best even voor het doven van het licht. De verneveling zorgt er dan voor dat de luchtvochtigheid toeneemt en dat ’s nachts vereiste 90 % bereikt wordt. Overdag is een 60 % voldoende.
In hun heimat valt de winter of het regenseizoen van november tot februari. Regenseizoen! Wel dan sproeien we tweemaal daags. Sproei best met warm water wat de luchtvochtigheid sterker verhoogt en zeker voor wildvangdieren die niet aan koude douches gewoon zijn, voelt dit veel prettiger. De druppels aan de bladeren dienen als drankbron.
Comarum palustre, de wateraardbei
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw.
100
Verschillenden onder u zullen meteen de wenkbrauwen fronsen bij deze nieuwe naam. Zo er in de botanica ooit een “soap” is opgevoerd, dan is het wel rond deze wateraardbei.
Linnaeus was, zoals dikwijls, de eerstbeschrijver van het moois en plaatste de plant in het genus Comarum. Scopoli* zag het anders en plaatste de plant in Potentilla en veranderde, aan de hand van de naam, het genus Potentilla palustre in palustris.
Er waren echter nog meer kapers op de kust. Rafinesque had aan de naam door Linnaeus gebruikt al een staartje gebreid, namelijk var. parvifoli* of “met kleine bladeren”. Femald & B.H.Long klutste alles bijeen en men sprak voortaan van Potentilla palustris (L.) Scop. var. parvifplia (Raf.) Femald & Long. Wel een hele mond vol voor een klein aardbeitje.
Ook anderen lieten zich niet pramen en brachten het tot Potentilla palustris (L.) Scop. var. villosa Pers Lehm. Ik bespaar u de details van de tweede acte in deze “soap”.
Nu is vooral die “villosa” belangrijk, want het betekent “behaard”. Het oorspronkelijke Comarum heeft waarschijnlijk het Latijnse coma als voorvader en “coma” geeft aan dat die mens of dat dier weelderig met haren bezet is.
Veel botanici waren met deze gang van zaken niet opgezet, daar om tal van redenen onze wateraardbei absoluut niet in Potentilla thuis hoort en daarom heeft men de originele naam in ere hersteld.
In de natuur treft men in onze omgeving deze mooie overblijvende plant zelden aan omdat hij nogal kieskeurig is wat zijn omgeving betreft. Zo is de aanwezigheid van kalk volstrekt taboe. De bodem of het omringende water behoort licht zuur te zijn.
Als vijverplant is hij omwille van zijn geringe afmeting van maximaal 1,5 m, uiterst geschikt als randbeplanting voor kleine vijvers waarbij hij het zicht hierop amper belemmert.
  BBAT-informatief 104
  VOEDSELGIDS PLankton, slootinfusie (2)  
Top