Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 64 – Nr. 4 - April 2011
 
ISSN 1372-6501

De lange weg naar Australië (deel 1)
Gilbert Maebe - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
110
Vóór het regenboogtijdperk, zeg maar de jaren ’80, ging mijn belangstelling vooral uit naar de familie van de barbeeltjes. Toch hield ik steeds ook soorten als Telmatherina ladigesi, Bedotia gaeyi en de toen al voorradige Melanotaenia maccullochi. Na een tropenreis in 1982 naar Sri Lanka in het gezelschap van zeven andere aquarianen, met onder hen de fameuze Nederlandse vis- en vogelfotograaf Arend Van den Nieuwenhuizen en de toenmalige voorzitter van de BBAT (Belgische bond voor Aquarium en Terrariumliefhebbers) Aimé Bijnens, ging het wel een andere richting uit. Via Arend Van den Nieuwenhuizen kwam ik een jaar later in het bezit van de toen nog onbekende blauwoogjes Popondetta connieae en P. furcatus. Vandaag behoren ze niet meer tot de familie der regenboogvissen, maar tot de Pseudomugillidae. Omdat in het dierenrijk al een kevertje luisterde naar de naam Popondetta moest het later beschreven visje van naam veranderen en werd het Popondichthys. Nog later bracht Dr. Gerald Allen ze onder in de familie der Pseudomugillidae en werd het uiteindelijk Pseudomugil connieae en P. furcatus. In 1984 stelde ik met beide soorten tentoon in onze vereniging MAK (Mechelse Aquarium Club). Een toevallige bezoeker was meer dan gewoon geïnteresseerd in deze visjes en zocht contact met mij. Christiaan Groosman was zijn naam, afkomstig uit Belgisch Limburg. Deze man wist mij te vertellen dat er in Australië een vereniging was opgericht die zich bezighield met de promotie, het verzorgen en verspreiden van regenboogvissen. Tevens was één van hun leden, nl. Ron Bowman, bereid om eitjes te versturen. De vereniging luisterde naar de naam ANGFA wat staat voor: Australia New Guinea Fishes Association. Het was nog een relatief jonge vereniging die haar eerste “Fishes of Sahul” (tijdschrift dat 4x per jaar verschijnt) publiceerde in juli 1983. De naam Sahul slaat op de voor 10.000 jaar geleden landmassa Nieuw Guinea, Australië en Tasmanië. Later kwamen, ten gevolge van de stijging van het zeeniveau, zeestraten de scheiding veroorzaken wat leidde tot de huidige geografische situatie. Ik nam contact met het hoofdbestuur om meer informatie te verkrijgen. Enige tijd later ontving ik het nodige met effectief een lijst van regenboogvissoorten waarvan eitjes konden worden besteld. Dit natuurlijk tegen betaling. Ik herinner mij dat de prijs schommelde tussen 2 en 3 AUD per ei. De Australische dollar was toen € 0,8 waard. Na lid te zijn geworden, plaatste ik begin augustus een bestelling. Pas op 9 november kreeg ik een pakket thuis besteld. Bij nazicht van de data bleek dit 9 dagen onderweg te zijn geweest met als gevolg dat alle eitjes beschimmeld waren. Ik wendde mij tot Data Post, de dienst die verantwoordelijk was voor mijn bestelling. Ik had geluk toen ik een zielsverwant aan de lijn kreeg, die ook aquariumliefhebber was. Hij raadde mij aan om contact te nemen met Australië en hen voor te stellen om in de toekomst dergelijke zending op een maandagmorgen te verzenden. Om tijdverlies te vermijden, gaf hij zijn telefoonnummer zodat ik hem kon verwittigen als een nieuwe zending op komst was. Ron Bowman was zo vriendelijk om gratis een nieuwe zending te verzorgen. Bij het verzenden zond hij tevens een telegram met het bericht “Egg shipment” en de datum.
Maart 1986: ik ontving het telegram “Egg shipment – 17 March”, Ron Bowman. Ik verwittigde de man bij Data Post en hij beloofde mij op te bellen zodra het pakket toekwam. Ik had hem zelfs het telefoonnummer van mijn werk (de school) gegeven om mij desgevallend daar te verwittigen. Diezelfde week: vrijdagvoormiddag 4de lesuur, iemand van het secretariaat komt melden dat er een telefonisch bericht is toegekomen vanuit “Data Post” Brussel waar een pakket op mij ligt te wachten. Ik heb de man in kwestie voor mijn klas gezet, ben in mijn auto gesprongen en ijlings naar Brussel gereden. Bij nazicht thuis bleek een groot deel van de eitjes in orde. Achteraf is ongeveer 65% van deze zending uitgekomen. Het ging om de soorten Melanotaenia parkinsoni, M. affinis pagwi, M. monticola en M. gracilis. Op deze wijze heb ik heel wat soorten voor het eerst naar Europa gebracht.


 
De muil zegt veel...
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
118
Gedurende vele miljoenen jaren (men schat sinds 400 miljoen jaar geleden) evolueerden de vissen door zich aan te passen aan hun biotoop, waarbij de best aangepaste ook de meeste kansen had om zich voort te planten en als soort te overleven. Eén evolutionair facet daarvan is de vismuil. Je moet enkel maar even in je eigen aquarium gaan kijken, om de verschillen meteen op te merken. Bovendien is het een nogal belangrijk onderdeel van een vissenlichaam, want het voedsel moet langs daar passeren, of verworven worden en bij sommige moet de mond ook het broed dragen, zoals bij de muilbroeders. Om zich met succes in een biotoop te handhaven moet de vis, naast natuurlijk nog enkele andere overlevingsstrategieën, er voldoende voedsel kunnen verwerven. Dat kan aan het wateroppervlak, op (of in) de bodem, in het open water, boven het water (denk aan de schuttersvis), dat kan dus op velerlei manieren en voor elke wijze is door evolutie een andere mond ontstaan.

 
Copadichromis borleyi "red kadango"
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent.

122
In lang vervlogen jaren was deze utaka uit het Oost-Afrikaanse Malawimeer een van mijn topfavorieten! Deze prachtige cichlide is heel eenvoudig te houden in onze aquaria. Hij is ook een van de minder agressieve meerbewoners en is warm aan te bevelen voor liefhebbers die willen van start gaan met baarsachtigen.
Kleuren
Er zijn, voor zover ik weet, een tweetal geografische kleurvarianten waarvan de volwassen mannetjes ongeveer 18 cm en de vrouwtjes 14 cm worden:
- De rode vorm = C. borleyi red kadango.
Ze komen voor in Tawain Reef, Mbenji Island, Nkhungu Reef, Maison Reef…
De vrouwelijke exemplaren hebben oranje vinnen op een zilvergrijsachtig lichaam (kan soms een zeer donkere kleur vertonen bij stress). De mannetjes hebben een blauwe koppartij en een oranjebruin lichaam, met vrij lange buikvinnen.
- De gele vorm = C. borleyi goldfine.
Te vinden rond het Namalenje Island, Mara Point.
De vrouwtjes zijn hier voorzien van gele vinnen op een zilvergrijs lichaam. De mannetjes hebben terug die blauwe kop maar hier is het lichaam goudgeel, eveneens lange buikvinnen.
De “red kadango”-soort is wel de meest populaire. Laat je echter niet misleiden naar kleuren toe: in stresstoestand zijn die ver te zoeken!
Biotoop
Ze leven in scholen in rotsachtige gebieden met open ruimtes op een diepte van 5 tot 20 m. De mannetjes foerageren er boven de zandbodem waar ze hun territorium verdedigen dat wel 2 bij 2 m kan zijn.
Ze leven er van het plankton.
Aquariumervaring
Graag voor hen een aquarium van min. 500 l, gevuld met hard alkalisch water met een temperatuur van 24 tot 26 °C en een pH van 8.
Het aquarium mag ingericht worden met liefst een aantal rotsformaties, maar zeker ook met een openwaterpartij. Op de bodem daartoe goed gespoeld rijnzand aanbrengen (± € 1,75 voor 25 kg).
Een goede filtering, waarbij een flinke waterbeweging plaats grijpt, mag hier zeker niet ontbreken. Deze zorgt op haar beurt ook voor voldoende zuurstof in het water. Een wekelijkse waterverversing is een must, ze zijn nogal gevoelig voor nitriet.
Deze vrij rustige vis houd je het best met meerdere vrouwtjes, daar hij nogal gaat jagen eens hij wil paren.
Medebewoners kunnen gezocht worden bij de Aulonocara-, Placidochromis-, en Protomelas-soorten. Ik heb ze nooit samen gehouden met de al te drukke mbuna’s. Bij gedempt licht van een Grolux TL-lamp kreeg ik de mooiste kleurenpracht van de dieren te aanschouwen.
 
Lobelia cardinalis
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
126
Lobelia is een genus van kruidachtige planten uit de klokjesfamilie (Campanulaceae). Het genus telt ca. 200 soorten en is genoemd naar de Vlaamse botanist Matthias de Lobel (ook wel gespeld als Matthias de L'Obel) Rijsel, 1538 - Highgate, 1616, die zelf ook graag de verlatijnste naam Lobelius gebruikte. Synoniemen voor dit genus zijn Enchysia, Haynaldia, Isolobus, Laurentia, Mezleria, Neowimmeria, Parastranthus, Rapuntium en Tupa.
Lobelia cardinalis behoort tot de onderfamilie der Lobeliaceae. Synoniemen voor deze plant zijn Lobelia splendens, Lobelia fulgens en Lobelia speciosa. Cardinalis komt dan weer van de scharlakenrode soutanes van de rooms katholieke kardinalen zoals deze in die tijd gemeengoed waren. Lobelia cardinalis werd voor het eerst naar Frankrijk meegebracht door ontdekkingsreizigers midden 1620.
Lobelia cardinalis wordt in onze vereniging – De Minor Rupel-Vaartland vzw – nog altijd vaak als aquariumplant gebruikt. Hij heeft dan meestal een heel andere kleur dan diezelfde Lobelia aan de vijverrand. Van oorsprong komt deze plant niet voor in België. Het verspreidings­gebied van deze plant is Noord‑Amerika, vanaf zuidelijk Canada tot aan de Golf van Mexico. De oorspronkelijke indianen van Noord-Amerika gebruikten Lobelia voor het behandelen van ademhalingsproblemen en spierstoornissen. Ook werd het als braakmiddel gebruikt. Lobelia siphilitica werd als geneesmiddel tegen syfilis beschouwd. In de Benelux komen in het wild voor: waterlobelia (Lobelia dortmanna) en blaaslobelia (Lobelia inflata). Toch niet zelf proberen zou ik stellen, want ondanks het medicinale gebruik is Lobelia cardinalis dodelijk giftig! Hij bevat veertien alkaloïden die vergelijkbaar zijn met nicotine. Extracten van de bladeren en vruchten leiden tot braken, hevige transpiratie, pijn en ten slotte tot de dood.
Onder water, in het aquarium, is het een trage groeier. Het is dan ook aan te raden Lobelia cardinalis in lage groe­pen te houden. Wel heeft deze plant heel veel licht nodig en een temperatuur die onder de 25 °C blijft. De pH-tolerantie is nogal groot en ligt tussen 6 en 8. Lobelia cardinalis heeft wél graag een kleihouden­de grond, wat gemakkelijk gerealiseerd kan worden door tussen de wortels een oplossing van klei of van een plantenpil (-bol) te spuiten. Dit spuiten lukt heel eenvoudig met een injectiespuit zonder naald. Verder is het eigenlijk een probleemloze aquariumplant.
Eupargurus bernhardus, de gewone heremietkreeft
Bruno Lemer - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
130
Heremietkreeft staat voor kreeft die leeft zoals een heremiet of kluizenaar. De kluis is dan een verlaten schelp of huis van bijvoorbeeld een slak of die ze op een rivaal veroveren of nadat ze de rechtmatige bewoner, een schelpdier, een enkele reis naar de eeuwigheid hebben bezorgd. Eens een heremietkreeft zijn zinnen heeft gezet op het huisje van een ander, zal hij eerst een dreigende houding aannemen. De scharen houden ze hierbij omhoog, om de rechtmatige bewoner te laten zien hoe groot deze wel zijn. Heeft dit geen resultaat, dan wordt het een strijd. Ze pakken met hun scharen de andere heremietkreeft vast en beginnen ritmisch met hun huisje tegen dit van de andere kreeft aan te bonken. Stel je voor dat een buurman uit jaloezie non stop aan jouw huis rammelt! Om zeeziek van te worden!
Dus zorg ervoor dat er steeds talrijke schelpen van verschillende grootte in het aquarium voorradig zijn. Behuizingen die ze meestal verkiezen zijn respectievelijk afkomstig van de gewone alikruik (Littorina littorea), de purperslak (Thais lapillu) of een wulk (Buccinum undatum). Toen het bestand van de wulkpopulatie in Nederland drastisch terugliep, volgden de heremietkreeften dezelfde trend.
Vermits hun gekromd achterlijf niet met kalk versterkt is, hebben ze waakhonden aangeworven. Op hun woning bezitten ze een aantal erop vastgehechte zeeanemoontjes die met hun netelcellen voorkomen dat er boosdoeners op hun dak postvatten. Meestal betreft het soorten zoals de mantelanemoon Adamsia palliata, Calliactus parasitica en de ruwe zeeraps Hydrctinia chinata. Bij het ontbreken van anemonen mag soms de oranje vijgspons Suberites domuncula deze taak over nemen. Samen vormen ze een vennootschap waar beide van profiteren. De kreeft wordt beveiligd door de netelcellen en de stekelhuidigen worden gratis meegevoerd naar overal waar lekkers te vinden is. Hun gastheer heeft bij de maaltijd immers bepaald geen fijne tafelmanieren en de ontsnappende brokjes worden door de lifters in dank aanvaard.
Een exemplaar dat na verschaling geen nieuwe schelp vindt, is ten dode gedoemd. Predatoren versmaden immers zo’n lekker zacht hapje niet. De angst om buiten de schelp aangetroffen te worden, manifesteert zich zelfs tijdens hun voortplanting. Na een lang voorspel, waarbij ze elkaars bedoelingen testen, glippen ze snel uit hun verblijf en klaren de klus binnen één luttele minuut. De duizenden eitjes verdwijnen in de woning van de moeder die nu en dan even plaats maakt om de jongeren fris water toe te waaieren. De jongen leven als zooplankton en kiezen na enkele vervellingen hun eigen schelpje. Ook tijdens het verschalen zijn ze uiterst kwetsbaar. Dan verlaten ze immers zelfs hun uitwendig pantser.
Aquariumhouden - Zoet Water
Marc Thelissen - BBAT-keurmeesters.
134
In 2008 heeft de BBAT een voordrachtenreeks omtrent “Aquariumhouden”, meer specifiek zoet water, georganiseerd.
Het idee werd door onze voorzitter Ludo Segal aangebracht. Hij stelde voor om dit te herhalen, naar analogie met de reeks in de jaren ’80, maar nu in een ruimer perspectief, enerzijds voor de BBAT-leden en anderzijds om het korps keurmeesters uit te breiden.
In de Raad van Bestuur werd het voorstel meteen aanvaard. Na overleg binnen de commissie Bondskeurmeesters en met de Raad van Bestuur, werd in samenwerking met alle Federaties een programma van zeven voordrachten uitgewerkt. De belangrijkste onderwerpen i.v.m. aquariumhouden – zoet water zijn zo aan bod gekomen en gerenommeerde sprekers uit binnen- en buitenland hadden hun medewerking toegezegd.
Het was een voordrachtenreeks die open stond voor alle leden van de BBAT en tot doel had het aquariumhouden te promoten, meer specifiek: de kennis van het zoetwateraquarium te verhogen. De geïnteresseerde liefhebber kon alle voordrachten volgen of er enkele uitpikken. Er waren voordrachten bij voor de ”diehards”, maar ook voor de ”gewone liefhebber”. Er was dus keuze met een programma dat iedereen kon aanspreken: van de prille tot de ervaren liefhebber, van jong tot oud. Voor zij die in het oosten of het westen van Vlaanderen wonen, kon er wel een aardige verplaatsing bij zijn, maar het zou de moeite waard zijn.
Hierna een kleine terugblik op elke voordracht.
  20 vragen aan... Johan De Coninck 140
  BBAT-informatief 142
  VOEDSELGIDS Schelfordella lateralis
Ephestia (1)
 
Top