Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 64 – Nr. 5 - Mei 2011
 
ISSN 1372-6501

De nieuwe aquaria van de Zoo
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent / Dierenverzorger Aquarium Zoo Antwerpen
146
Eindelijk, eindelijk is het zover: de verbouwingen aan de aquaria zijn achter de rug. Na het “tropisch zaaltje” en de “zeekant”, is nu ook de “zoetkant” af geraakt. Voor de bezoekers is het enige dat verschillend is, dat de aquaria wat dieper zijn geworden, maar achter de schermen is echt ALLES veranderd.
Eerst werd heel de oude infrastructuur afgebroken zodat er alleen nog een lege gang was. Er waren interessante foto’s van te maken want nu zag je een echte dwarsdoorsnede van het gebouw. Een unieke gelegenheid. Daarna werd er een grote plaat beton gestort. Zo moest heel de constructie zelfdragend worden. Je moet weten dat aquaria hele zware dingen zijn. Om het in olifantjes uit te drukken: alleen het water kun je al vergelijken met maar liefst 40 volwassen olifanten die daar zouden staan. Komt er nog natuurlijk het gewapende beton bij en nog wat “kleinigheden”. Grotere aquaria houdt ook in, grotere filters en véél zwaardere pompen om het geheel te kunnen zuiveren. Ook een andere verwarmingsinstallatie. Toen we vroeger toekwamen met een 20.000 l/u filtercapaciteit, gaan we nu 160.000 l/u rondpompen. Hier wordt dan ook, net zoals in de beide zeewatersystemen, het hypermoderne DYMICO filtersysteem van Ecodeco ingebouwd, zodat we véél zuiniger met het water gaan omspringen en, heel belangrijk, zonder onze vissen tekort te doen.
Wat ook nog heel nieuw is aan deze kant is de verlichting. Die gaat grotendeels met LED verlichting gebeuren. Die is veel zuiniger, zowel inzake verbruik alsook de levensduur. We kunnen hier tevens andere effecten mee maken, want dat vind ik persoonlijk nog altijd het mooie van aquaria, alles wat je ziet moet bedacht worden en onderhouden. Elk lichtstraaltje moet gemaakt worden, nergens komt de zon ons ter hulp. Het was wel afwachten hoe de planten het zouden gaan doen, want daar was nog weinig over geweten. Het is inderdaad wat raar, het lijkt of de planten zich wat moeten aanpassen aan de LED’s. Ondertussen, na dik één jaar hebben we toch nog altijd planten. De echinodorussen zijn wel wat roder, maar dat is zeker niet lelijk. Bij de piranha’s staan ook een paar planten en die gaan op en af. Dan kwijnen ze weer wat weg om kort nadien weer te herrijzen. We zullen wel zien hoe het verder gaat.

 
Corydoras metae
Jacques Roelandts - Siervis Geraardsbergen.
152
Corydoras metae is een pantsermeerval uit de orde der Siluriformes. Hij behoort tot de familie Callichthyidae en de onderfamilie Corydoradinae die de genera Aspidoras, Brochis en Corydoras omvat.
Deze mooie meerval met zijn elegante pakje wordt gewoonlijk de “zwartrug corydoras” genoemd.
Corydoras metae werd door Eigenmann beschreven in 1914 en wordt pas sinds 1963 ingevoerd. Deze late beschikbaarheid komt gedeeltelijk door zijn moeilijke vangst daar hij de gewoonte heeft bij het minste gevaar te vluchten in de modder.
Hij is uit afkomstig uit Noordoost-Colombia, van de Rio Meta, zoals zijn soortnaam aangeeft. De Metarivier ontspringt in het oostelijke Andesgebergte, ten zuidoosten van Bogotá. Vanaf Villavincencio gaat hij noordoost door het natuurgebied Llanos – een subtropicale boomvlakte – en verder langs de grens met Venezuela om zich in Puerto Careño in de Orinocorivier te storten.
Gedurende het regenseizoen worden de Llanos uitgestrekte moerassen waar vooral vetplanten en palmbomen groeien.
C. metae bewoont het bovengedeelte van de Rio Meta, in de ondiepe bijrivieren en kleine beken met een zanderige en modderige bodem, rijk aan organische afval.
Hij leeft in groepen in de traagstromende zones of zelfs stilstaande watervlakten. Hij kan in moeilijke omstandigheden leven en zelfs overleven, bv. in het droge seizoen, in bevuild stilstaand water. Hij is immers uitgerust met een bijkomend ademhalingssysteem dat toelaat zuurstof uit de atmosfeer te halen. Hij hapt een luchtbel aan de oppervlakte en de gaswisseling gebeurt ter hoogte van de maag- en darmwand.

 
Petrotilapia tridentiger
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland.

157
In het Malawimeer zwemmen vele cichlidensoorten rond die zich thuis voelen boven, in en tegen het rotslitoraal. Doorheen de evolutie geraakten vele van deze cichliden specifiek aangepast aan deze toch wel zeer speciale leefomgeving. Iets wat nooit mogelijk was geweest indien de diverse soorten zich niet gespecialiseerd zouden hebben in hun voortplanting, maar nog meer in hun voedselvoorziening. Doordat verschillende soorten in de loop der tijden vooral een verschillende voedselspecialisatie ontwikkelden, werd het mogelijk dat er zoveel verschillende genera “vreedzaam” kunnen samenleven in deze biotoop.
Eén van hen is Petrotilapia tridentiger, Trewavas 1935, waarvan ik zelf de “yellow chin” gehouden heb. Een zeer merkwaardige voedselspecialist en eigenlijk geen gemakkelijke jongen voor de medebewoners als je een aquarium hebt dat kleiner is dan 120 cm en minder diep is dan 50 cm met daarbij te weinig schuilplaatsen voor de andere. Het meest opvallende kenmerk aan deze vis is, dat hij door zijn voedselspecialisatie zijn muil niet meer volledig kan sluiten. P. tridentiger is, wat men ginds in het Chitonga dialect noemt, een mbuna. De ene spreekt dit uit als “emboena”, anderen hoorde ik ook al “meboena” zeggen. Welke uitspraak juist is, laat ik aan de Chitonga over, zelf heb ik nog niet het geluk gehad hen het te horen uitspreken. Petrotilapia tridentiger heet ginds dan mbuna kumwa, wat zoveel betekent als rotsenstoter. Het zegt meteen alles over deze cichlide zijn karakteristieke voedselgewoonte. Zijn beide extreem dikke vlezige lippen staan vol met rijen fijne tandjes die echt een tapijtje van tanden vormen en waarvan elke tand beweegbaar is. In het Duits noemt deze vis niet voor niets “Dicklippiger Felsencichlide” of "Dicklippenmaulbrüter". Vergroot zou je allemaal tamelijk lange, smalle, naar de keel toe gerichte scherpe “beiteltjes” zien, die op het uiteinde 3-delig uitlopen en licht omgebogen zijn. De vis kan de bovenste en onderste lippen onder nagenoeg een hoek van 180° plooien om, onder bijna een loodlijn van 90° t.o.v. de rots, de lippen op de rots te drukken (stoten) en zo de algen af te grazen door deze weer te sluiten. Op een horizontaal vlak lijkt het dan of de vis op zijn kop staat. Als hij die mond sluit (voor zover dat helemaal gaat bij volwassen dieren van toch wel ca. 18 cm groot), kamt hij zo de algen tot tegen de rotsmassa af. Hoofdzakelijk de losse algendeeltjes, samen met de kleine diertjes die zich in de algen ophouden, worden daarbij van de rotsen geplukt. Daarna wordt dit alles eerst nog eens gemalen door een extra stel keelkaken om dan naar de maag te verdwijnen. Heel de dag is deze vis bezig met op die manier de algentapijten af te grazen. Hij doet dit snel en accuraat met zijn constant openende en sluitende muil en je kunt zijn graassporen dan ook soms probleemloos volgen.
 
Synchiropus splendidus, de blauwe mandarijn pitvis
Bruno Lemer - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
160
Ook in de anderstalige literatuur, zelfs in de Turkse, vinden we de naam “mandarijn” terug. Hij heet daar Mandalina… De Nederlandse naam danken ze aan het feit dat de keizerlijke mandarijnen in China ook dergelijke kleurrijke gewaden droegen.
We treffen ze vooral aan op zanderige gebieden in lagunes en bij de kust gelegen koraalriffen en dit steeds op plaatsen met veel verstekmogelijkheden in de Stille Oceaan tussen Zuid-Australië en de Ryukyu Eilanden.
Het zijn zeer actieve dieren die leven in contact met het substraat en meestal niet vrij rondzwemmen. Met hun borstvinnen richten ze zich op en door deze te bewegen, verplaatsen ze zich langzaam. Deze pectoralen geven hen zelfs de mogelijkheid om kleine “sprongetjes” te maken. Deze grote borstvinnen zijn via een membraan verbonden met de buikvinnen die voor of op gelijke hoogte zijn ingeplant. Het vlies loopt van de inplant van de borstvinnen tot het einde van de buikvinnen. Rusteloos zijn ze overdag steeds op zoek naar voedsel bestaande uit Mysis, wormpjes, kleine kreeftachtigen, visjes en kleine prooien onder het plankton. In het aquarium kunnen ook Cyclops dienst doen. Houd er wel rekening mee dat zoetwaterdiertjes in dit milieu vlug het loodje leggen en dan voor vervuiling zorgen. Kleine porties voederen kan dit euvel voorkomen. Zelfs hun eigen eieren en jongen worden tijdens hun planktonperiode verorberd. Mogelijk staan minuscule algen ook op hun menu. Hun voorkomen en kleuren zijn opvallend. De huid is schubbenloos, er zijn twee rugvinnen, de borst- en buikvinnen zijn veeleer groot. Het mannetje is tijdens het imponeren en de balts gemakkelijk te herkennen aan de verlengde en opstekende eerste harde stekels van de voorste rugvin. De zeer grote en beweegbare ogen puilen uit en de kieuwdeksels zijn herleid tot een boven aan de kop uitmondende buis. Deze aanpassingen maken het de dieren mogelijk zich bij nacht en onraad in het zand te verstoppen. Aan de kleur en het kleurpatroon waag ik me niet. Laat hiervoor liever de foto’s voor zich spreken. Men kan hen rekenen tot de kleintjes daar de man maximaal 10 cm lang wordt, terwijl zijn eega amper 6 cm haalt.
Pyrrhosoma nymphula, vuurjuffer
Guido Lurquin - K.a.h.v. Siervis Leuven vzw.
165
Een van de eerste waterjuffers in het voorjaar is de vuurjuffer. Bij de vele waterjuffersoorten die bij ons voorkomen, zien we overwegend lichtblauwe tinten, maar de vuurjuffer is hierop een uitzondering en is rood. Toch valt ze niet echt op. De kleur is immers vrij mat en met samengevouwen vleugels vervaagt het diertje in de begroeiing.
De vuurjuffer is een grote juffer, met een lengte tot 36 mm en een spanwijdte van 40 à 50 mm. Bij vuurjuffers zit er maar weinig verschil tussen mannetjes en vrouwtjes. Beide seksen zijn rood en zwart getekend. Het abdomen van beide geslachten van de vuurjuffer is opvallende rood, maar bij de mannetjes hebben enkel de laatste segmenten donkere banden. Bij de vrouwtjes zijn alle segmenten bovenaan zwart getekend en vrouwtjes zijn daardoor minder felrood gekleurd. De vrouwtjes zijn ook herkenbaar aan de zogenaamde vulvaardoorn aan de punt van het achterlijf, een verlengde van de legboor. Het borststuk is donker met een rode of (bij de vrouwtjes) donkergele schouderstreep. De achterhoofdvlekken ontbreken.
De poten zijn volledig zwart. Het is trouwens de enige rode waterjuffer met zwarte poten.
Het pterostigma is langer dan breed, ongeveer 1,5 vleugelcel lang, en zwart gekleurd.
Vuurjuffers komen in heel Europa voor behalve in het uiterste noorden en zuiden. Ze zijn algemeen in Nederland en België. In het westen van deze landen zijn ze veeleer zeldzaam. Elders zijn ze er algemeen en komen ze vooral voor bij stilstaand en zwakstromend water, op zandgronden en in laagveengebieden. Vuurjuffers gedijen het beste in plantenrijke waters. Vele van onze tuinvijvers zijn daardoor een ideale biotoop.
De vuurjuffer is één van de vroegste libellen die uitsluipt in het voorjaar. Traditioneel luiden de eerste vuurjuffers ons nieuwe libellenseizoen in, namelijk in de maand april. Tot in september komen we vliegende exemplaren tegen. De vuurjuffer is weinig kieskeurig. De belangrijkste eis aan de biotoop is een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie, liefst met enige schaduw. De vuurjuffer heeft dus enige beschutting nodig in combinatie met een uitgebreide watervegetatie. Hierdoor worden open gebieden veelal vermeden. Een houtwal of bosje kan echter al voldoende zijn als beschutting. Ze zijn zeer talrijk bij plantenrijke vijvers, veenplassen en traag stromende sloten en beken. Er is een voorkeur voor veeleer zure vijvers. De soort kan overleven in veeleer droge gebieden en is snel in het koloniseren van biotopen, zodat we ze vaak tegenkomen in (nieuwe) tuinvijvers. De dieren zitten graag tussen de planten en vermijden het open water. Ze zijn vrij gemakkelijk te benaderen en te bestuderen. De mannetjes blijven in de buurt van de voortplantingsplaatsen. Ze hebben een klein territorium: een zitplaats en wat ruimte errond. De territoria worden verdedigd tegen andere mannetjes. Meerdere keren per dag wordt er van territorium gewisseld.
Sagittaria sagittifolia - het gewone pijlkruid
Ruda Rybnicfan - Aquatom vzw.
170
We hebben hier een overblijvende* moeras- en waterplant. Als waterplant fungeren de soepele onderwaterbladeren die de beweging van het water volgen. De 4 tot 5 cm lange rizomen zijn knolvormig verdikt. Deze zoet smakende knollen zijn wit of groen van kleur, hebben de vorm van een ei en zijn overdekt met schubben. Deze reservevoorraden bevatten tot 25% voor de mens bruikbaar voedsel, te weten: 20% meelstoffen en 5% eiwitten. Ze worden dan ook in Noord-Amerika en Oost-Azië in het wild verzameld of zelfs geteeld. Na 7 maanden worden ze dan geoogst. In Azië worden ze na het schillen, om de bittere smaak te verwijderen, in kleine stukjes gesneden en vervolgens gekookt. Sommige fans beweren dat ze dan naar aardappelen smaken.
We vinden ze in hun natuurlijke biotoop op zonnige plaatsen, buiten de wind en de dikwijls hierbij horende golfslag op ondiepe plaatsen in beken, kleinere rivieren, plassen, sloten en plaatsen waar het landgedeelte aangroeit door verlanding en (last but not least) in talrijke vijvers. Voorts wassen ze liefst in neutraal tot licht basisch water op een bodem gevormd uit zand of klei. Veel organisch materiaal of mest is niet aan hen besteed en veroorzaakt wegkwijnen. Lager dan 50 cm onder het wateroppervlak ingeplante exemplaren vertonen een kommervorm met slechts smalle submerse bladeren. Indien de groeiplaats droogvalt, gaat de groei gewoon verder.
Het submerse deel bestaat uit lange licht groene smalle bladeren die tevens als zuurstofproducent optreden. Aan de oppervlakte zijn de bladeren rond. Emers vinden we de typische pijlvormige bladeren die zowel de plant zijn wetenschappelijke als zijn Nederlandse naam opleverden. Het Latijnse Sagittaria heeft als basis “sagitta” wat pijl betekent. Hetzelfde woord vinden we terug in “sagittifolia” waarin het eveneens uit het Latijn afkomstig folia als basis (folis = blad) er op wijst dat de bladeren, in de lucht althans, pijlvormig zijn.
Zoals bij vele van onze inheemse planten, ontwikkelen ze zich veeleer laat op het seizoen. Let dus terdege op tijdens een schoonmaakbeurt en duidt hun plaats zorgvuldig aan. De eerste bladeren verschijnen immers pas in mei. De stengels en bladstelen zijn driekantig. Heel de zomer, van juli tot september, dragen ze witte bloemen met bruine tot paarsrode harten. Deze bestaan uit drie kroonbladeren, ondersteund door evenveel groene kelkbladeren en leveren slechts kleine vruchtjes op. In de éénslachtige bloemen vindt men in de bovenste kransen de mannelijke en in de onderste de vrouwelijke. De zaden verspreiden zich drijvend op het water. Ze verkeren in een staat van rusttoestand en zijn nog niet in staat om te ontkiemen. Pas na een periode van lage temperaturen kan dat. De afmetingen wijzen er meteen op dat de plant niet geschikt is voor de kleinere tuinvijvers.
Mantella aurantiaca - het goudkikkertje
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
174
In tegenstelling tot vele andere kikkers en padden, hebben we hier te maken met dagactieve dieren wat natuurlijk het kijkplezier in het terrarium ten goede komt.
Gouden mantellas worden beschouwd als "hoogland"-soorten, te wijten aan het feit dat ze zijn gevonden op een hoogte van ongeveer 900 m. Het klimaat is er typisch vochtig en gematigd.
In de vrije natuur hebben ze een uitgesproken voorkeur voor het regenwoud en andere vochtige plekken in het westelijk binnenland rond Andasibe op Madagaskar. Ze komen vooral voor tussen mos en gras aan de rand van het moeras. Velen denken dat deze amper 2,5 cm grote diertjes met hun gouden tot oranje kleur en hiertegen afstekende zwarte ogen, wel aan hun predators moeten opvallen. Opvallen is één, maar er naar happen is twee! De meeste kikkervijanden beschouwen geel, goud of oranje als een waarschuwing voor giftigheid en dat is bij deze Mantella nu net niet het geval. Zij behoren tot de zgn. “schuimnestboomkikkers” die geen deel uitmaken van de gifkikkers. Als afschrikmiddel kan deze kleuring wel goede diensten bewijzen. Gezonde exemplaren zijn vinnig en staan hoog op de voorpoten, hun huid is glanzend en zit strak om hun body. Bij controle tijdens de aankoop kan men ze best even aanraken. Daarbij moeten ze meteen wegspringen of een in elkaar gedoken schrikhouding aannemen. Kort daarna moeten ze zich wel weer snel oprichten***.
Goed doorvoede dieren van deze soort mogen geen ingevallen flanken vertonen en hun wervelkolom mag zich niet duidelijk aftekenen. Anders moet u hierbij meteen denken aan ondervoeding. Meestal handelt het hier om mee-eters, in casus wormen. Opgezwollen dieren lijden dan weer meestal aan een infectie door eencellige parasieten. Denk niet dat ongezonde kikkers een koopje vormen, want hun ziekten zijn moeilijk te bestrijden en het besmettingsgevaar voor de rest van de meute is bijzonder groot.
Hun natuurlijke biotoop nabootsen, is natuurlijk ideaal. Als we nu nog even rekening houden met hun normaal gedragspatroon, zullen zij zich opperbest voelen en wij er heel wat plezier aan beleven.
Wat de huisvesting betreft moeten we, zoals steeds, zorgen voor een bodemlaag bestaande uit een laag vochtige turf met daarop wat mos en beukenblad. Zorg voor wat klimgelegenheid met takken en een begroeiing met klimplanten. Enkele bromelia’s brengen voldoende afwisseling. Denk eraan om voldoende schuilmogelijkheden te voorzien. Vermijd zeker decoratiematerialen met scherpe kantjes, want wondjes geven vaak lelijke infecties die fataal kunnen zijn. Er bestaan hiervoor goede vloeibare middeltjes, maar voorkomen is nog altijd beter dan genezen.
Een klein, ondiep watergedeelte van 2 tot 3 cm diep zorgt, naast een dagelijkse sproeibeurt, voor het water dat de dieren beslist nodig hebben. Wat betreft de verlichting moeten we rekening houden met de plantensoorten die we gebruiken. Zo vragen bromelia’s en orchideeën heel wat meer licht dan mossen en varens. Meestal voldoen enkele TL-lampen. Voor deze tropische soort voorziet men best een daglengte van 12 tot 14 u. De temperatuur is nogal variabel met waarden in de natuur van 15 à 25 °C overdag en tot onder de 10 °C bij nacht. In het terrarium voorziet men voor de dag 25 tot 27 °C en voor de nacht 20 à 22 °C.
  BBAT-informatief 178
  VOEDSELGIDS Ephestia (2)  
Top