Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand
  THEMANUMMER "HET VICTORIAMEER"

 

Jaargang 64 – Nr. 7 - Juli-Augustus 2011
 
ISSN 1372-6501

Lake Victoria in volle evolutie
Dieter Anseeuw - Docent KATHO
218

Het Victoriameer is het grootste tropische zoetwatermeer ter wereld en wordt begrensd door de landen Kenya, Tanzania en Uganda. Reeds eeuwenlang kan de plaatselijke bevolking voor zijn dagelijkse levensbehoefte aan dierlijke proteïnen terugvallen op de rijke visfauna van het meer. Sinds jaar en dag voorzag het meer de lokale vissers van een rijkelijke buit in de vorm van meer dan 500 verschillende cichlidensoorten. De laatste 30 jaar wordt het meer echter geteisterd door een opeenhoping van negatieve menselijke invloeden, zoals onder meer de introductie van de nijlbaars (Lates niloticus), de accidentele introductie van de waterhyacint (Eichhornia crassipes), ontbossing, erosie, verhoogde inspoeling van nutriënten als gevolg van toegenomen landbouwactiviteiten, vernietiging van de moerasgebieden, enz...
Vanuit wetenschappelijk oogpunt gaat een sterke interesse uit naar de verbazingwekkend hoge diversiteit aan vissoorten in het meer. Van de (ooit) meer dan 500 verschillende vissoorten, zijn er minstens ongeveer 250 soorten endemisch voor het Victoriameer en komen dus nergens elders ter wereld van nature voor. In vergelijking met het naburige Tanganyika- en Malawimeer (respectievelijk 6 à 7 en 2 à 4 miljoen jaar oud) is het Victoriameer met zijn 400.000 jaar een relatieve nieuwkomer. Recent geologisch onderzoek heeft aangetoond dat het meer slechts 13.400 à 12.500 jaar geleden nog compleet droog heeft gestaan. Dit houdt dus in dat het grote soortenaantal in het Victoriameer zich op zeer korte tijd ontwikkeld heeft, wat dit systeem zo uniek maakt. Dé vraag die de onderzoekers dan ook bezig houdt, is wát er precies aan de basis kan liggen van het snelle ontstaan van dit uiterst gedifferentieerd soortencomplex.

Diverse cichlidensoorten uit het Victoriameer, door de lokale bevolking “furu” genoemd, hebben zich geprofileerd om zeer specifieke niches in te nemen. Zo zijn er de pedofagen die zich (bijna) uitsluitend voeden met jongen die ze stelen uit de bek van muilbroedende vrouwtjes. Daarnaast bestaan er ook gespecialiseerde slakkenkrakers, garnaleneters, krabbeneters, schubbeneters, enz... Omwille van de unieke aanpassingen aan die diverse levensstijlen, genieten de Victoriacichliden een bijzondere aandacht bij de evolutionaire biologen.

Foto: Wilfried Van der Elst
Victoria-cichliden voor beginners
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
224

Laten we beginnen met te vermelden dat vele Victoria-cichliden "voedselspecialisten" zijn. Een uiterst belangrijk element dat de beginnende houder van deze juwelen niet uit het oog mag verliezen bij de aanschaf ervan. Het zijn (waren) bijna allemaal Haplochromis-soorten (al zijn vandaag vele van genusnaam veranderd) waarvan de fameuze agressiviteit – die in aquariumkringen rondgang doet – sterk afhankelijk is van het samen zetten van soorten met een identieke/verschillende voedselspecialisatie. Men weet intussen ook dat vele soorten onderling zo weinig verschillen dat er microscopisch onderzoek aan te pas moet komen om ze te onderscheiden. Dat onderscheid is vaak gebaseerd op die net iets andere voedselspecialisatie, wat zich meestal ook in een iets andere skeletbouw van de monddelen uit.
Het Victoriameer is echter vooral populair onder aquarianen om zijn breed scala aan prachtig gekleurde vissoorten en over het Victoriameer zelf lees je de details elders in dit nummer. Onthoud dat dit het grootste, maar jongste van de drie “hoofdmeren” is, het de bron van de Nijl is en het een enorme vissenrijkdom kent (of beter: eigenlijk kende). Het meer herbergt immers 15 visfamilies waarvan meer dan 550 bekende cichlidensoorten in 28 genera, die verbazend weinig verschillen in lichaamsvorm zoals we dat uit de andere meren kennen. Op gebied van kleurenvariatie overtreffen ze echter de cichliden van beide andere meren. Voor de aquaristiek zijn ca. meer dan 110 cichlidensoorten gekend uit het Victoriameer waarvan vandaag, door het inzetten van de nijlbaars (Lates niloticus), ca. 90% zou verdwenen zijn. Ter vergelijking: in heel Europa zijn er iets meer dan 200 zoetwatervissoorten.
Het meer is vooral aan de kusten rotsachtig en ondiep met een gemiddelde diepte tussen 40 en 60 m elders. In het aquarium moet je er echter van uitgaan dat er, zelfs in een “groot” volume, slechts plaats is voor één dominant mannetje. Beter is misschien te stellen dat in een broedkolonie slechts één mannetje dominant zal zijn en dus zijn prachtigste kleuren zal tonen. De andere mannetjes zijn dan totaal ondergeschikt en vertonen heel wat minder of geen kleur. Ze hebben echter wel een functie en leiden dikwijls de aandacht van de dominante man af zodat de vrouwtjes niet constant bejaagd worden. Conclusie hieruit is dat je Victoria-cichliden nooit paarsgewijs, maar in een kleine roedel van eenzelfde soort moet houden. Dit maakt het niet eenvoudig om in een Victoria-aquarium meerdere soorten samen te zetten. Dit heeft ook nog een andere reden: ze kweken onderling dikwijls probleemloos, wat kruisingen veroorzaakt en als er iets is wat je als verantwoord aquariaan moet vermijden, is het dat wel. Houd ook geen op elkaar gelijkende soorten samen. Ze zouden ten onrechte kunnen herkend worden als rivaal voor zowel de ruimte, het voedsel als de vrouwtjes, wat voor één van beide waarschijnlijk fataal zal aflopen. Vooral de soms fel rode kleuren zouden een belangrijke rol spelen in het dominantiepatroon. Kleuren als rood of oranje kunnen door hun intimiderende uitstraling de kans vergroten dat de drager een conflict wint.
Hoe groot dient nu zo’n aquarium voor Victoria-cichliden te zijn? Mannetjes van Victoria-cichliden concurreren, hoe dan ook, constant driftig om territoria. Onder de 200 l zou ik dan ook niet adviseren om eraan te beginnen. Dit is echt het absolute minimum. Een kleiner aquarium is volgens mij daarenboven te klein om in voldoende schuilplaatsen te voorzien, die moeten bestaan uit steenpartijen waartussen veel openingen en een dichte vegetatie. Vooral ook de planten zijn niet onbelangrijk om soortgenoten het zicht op de andere te belemmeren. De meeste planten zijn echter niet geschikt voor deze alkalische waterwaarden en ik verwijs in dit verband graag naar een eerdere tekst van mij over planten in het Tanganyika-aquarium (JG 61-2008 / blz. 192-199). De planten daarin beschreven, kunnen gerust ook in een Victoriameer aquarium aangewend worden. Vallisneria na wat aanpassing, maar ook javavaren (Microsorum) en Anubias-soorten doen het er goed.
Sommige Victoria-cichliden durven ook te graven. Plaats daarom je basis van de rotsen eerst op wat piepschuim, voeg dan pas het zand toe en bouw daarop je rotspartij verder uit en niet omgekeerd. Als je eerst het zand inbrengt en daar boven op de rotsen aanbrengt, kunnen ze deze ondergraven met een verzakking van heel je rotswand en mogelijke glasbreuk tot gevolg.


Foto: Wilfried Van der Elst
Astatotilapia nubila, de zwarte parel
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent.
232

Een van de allereerste cichliden waar ik kennis mee maakte uit het meer van de Furu* en de regio daarrond, was de kleine insecteneter Astatotilapia nubila.
A. nubila is een Victoria-cichlide, maar in tegenstelling tot de meeste cichliden uit het Victoriameer is deze soort eigenlijk niet endemisch aan het meer. Je vindt Astatotilapia nubila in de rivieren en beken van het Victoria bekken, ja zelfs in het Edward- en Georgemeer. Hij past zich heel gemakkelijk aan in totaal verschillende habitats en staat bekend als een uitzonderlijk sterke, krachtige vis.
Als je erin slaagt om hem te houden, zul je worden beloond door de aanblik van een zeer attractieve vis in jouw aquarium. Vooral tijdens de broedperiode zijn de mannelijke dieren voorzien van een fluweelachtig, gitzwart lichaam met een levendige rode anaal- en staartvin. Geen enkele andere vis uit deze regio heeft dit wondermooie kleurenpatroon. Het kleurenonderscheid tussen de seksen is groot. Het vrouwtje moet het stellen met saaie tinten groen en grijs. Een goed doorvoede man kan meer dan 12 cm in lengte worden, terwijl het vrouwtje meestal rond de 9 cm groot wordt.
Opzettelijk begin ik, maar halfweg mijn artikel, het agressieve karakter van dit prachtig Afrikaans juweel te bespreken, anders leest niemand verder.
Ik durf te stellen dat het zo goed als onmogelijk is om een paartje (ik bedoel één man met één vrouw) te houden in een aquarium, hoe groot deze ook is … het vrouwtje gaat eraan!
Je kunt hem ook niet plaatsen bij te rustige, niet dominant zijnde vissen. De beste resultaten zijn er bij mij gekomen, in de eerste plaats door héél wat schuilplaatsen te gaan creëren en de zijkanten te beplanten met Vallisneria, ten tweede door in het aquarium één man met vijf vrouwtjes te plaatsen en ... dan nog moet je voortdurend alert zijn. Indien aan deze eisen zijn voldaan, dan verandert deze killer in een onuitputtelijke casanova.
Zijn “rot” karakter ten spijt, zorgt hij vrij gemakkelijk voor nakweek. Hierbij zijn zelfs de kuitrijpe vrouwtjes even actief om onze loverboy nog méér te activeren om over te gaan tot het paringsritueel. Dat bestaat door op een zandplaat met elkaar te gaan stoeien waarbij veelal dezelfde T-positie wordt aangenomen zoals bij Tropheus-paringen. Iedere keer worden 2 tot 3 eitjes door het vrouwtje afgelegd en bevrucht door het overzwemmend mannetje. Op dat moment weet hij met zijn eigen geen weg en is hij wondermooi in zijn zwart fluwelen kostuumke, waaruit hij bijna springt door zijn seksuele driften.
Het zijn muilbroeders waarbij de vrouwtjes de broedzorg volledig voor hun rekening nemen. Zij dragen tussen de 18 en 20 dagen bij een temperatuur van 26 °C
Parameters bij het kweken: pH = 8; GH = 17 °dH; temp = 24-26 °C (Gents leidingwater). Zéér voorzichtig zijn voor nitraat, dus een wekelijkse waterverversing is sterk aan te raden.
Laat me stellen dat het absoluut géén beginnersvis is! Hij ligt waarschijnlijk aan de basis dat heel weinig tot geen aquariumliefhebbers Victoria-cichliden zijn gaan houden. Eenmaal Astatotilapia nubila in het aquarium en geconfronteerd met zijn onhebbelijk gedrag, en dat veralgemeend, denkt men nog al te dikwijls dat de gehele populatie victorianen zo in elkaar zitten en ... dit is absoluut niet het geval. Ik zou zelfs durven beweren dat ze nog mooier zijn dan mbuna’s!


Foto: Wilfried Van der Elst
Pedofagie onder cichliden
Dieter Anseeuw - Docent KATHO.
236

Cichliden, je weet wel…
De familie van de cichliden is één van de grootste families binnen de gewervelde dieren met naar schatting zo’n 2400 verschillende soorten (Snoeks 2001). Cichliden leven voornamelijk in zoetwater (maar soms ook in brakwater) en kunnen gevonden worden in Noord- en Centraal Amerika (95 beschreven soorten), Zuid-Amerika (290 beschreven soorten), Afrika (900 beschreven soorten, maar naar schatting meer dan 1800 soorten), Madagaskar (17 beschreven soorten), India en Sri Lanka (3 beschreven soorten) en het Midden-Oosten en Iran (5 beschreven soorten)(1, 2).
Veruit de grootste diversiteit aan cichlidensoorten is te vinden onder de muilbroedende haplochrominen in de Oost-Afrikaanse slenkmeren, met als voornaamste het Victoriameer (circa 800 soorten(3)), het Tanganyikameer (circa 250 soorten(4)) en het Malawimeer (circa 800 soorten(3)). In elk van deze meren ontstond uit één of slechts enkele voorouders een enorme verscheidenheid aan soorten in een tijdspanne van enkele duizenden of een paar miljoenen jaar(5). Voor soortvorming bij gewervelde dieren is dat ongekend snel. De vraag hoe deze soortvorming in zo’n hoog tempo heeft kunnen verlopen, houdt wetenschappers vandaag nog steeds bezig. Eén van de factoren die hier zeker een rol bij speelt, is de sterke aanpassing die cichliden kunnen ondergaan om een heel specifieke voedselbron optimaal te exploiteren.

Voedselspecialisatie bij haplochromine cichliden
In de Oost-Afrikaanse Grote Meren schommelt de beschikbare hoeveelheid voedsel voor de talrijke cichliden en er zijn aanwijzingen dat er (periodiek) concurrentie om voedsel bestaat. Als er tussen twee soorten nauwelijks verschillen in eetgedrag zijn, zal een van de soorten de overhand krijgen en zal de andere nauwelijks nog aan zijn trekken komen en verdwijnen (dit fenomeen omschreef Charles Darwin als ‘survival of the fittest’). Er zal daarom een sterke selectie zijn naar het vergroten van de verschillen in eetgedrag tussen de soorten (door Darwin omschreven als het principe van ‘natuurlijke selectie’). Soorten kunnen zich alleen handhaven als ze snel genoeg uit elkaar groeien wat betreft het gebruik van voedsel en andere hulpbronnen.
Vissen beschikken over twee paar kaken: een paar kaken voor in de mond (orale kaken) en een paar kaken achter in de keel (faryngale kaken). In tegenstelling tot bij de meeste vissoorten zijn bij cichliden de keelkaken afzonderlijk beweegbaar van de mondkaken(6). Hierdoor kunnen orale kaken en keelkaken afzonderlijk van elkaar gaan evolueren en specialisaties vertonen voor respectievelijk het verzamelen van voedsel (bijten, plukken, schrapen, zuigen, …) en het verwerken (kauwen, malen, pletten, …) van het voedsel(7). De cichliden vertonen inderdaad diverse verfijnde morfologische aanpassingen waardoor zij een brede waaier een voedselspecialisaties hebben kunnen ontwikkelen, gaande van algeneters met een onderstandige mond, over insecteneters met fijne lippen of met net hele dikke lippen, slakkeneters met forse keelkaken, zoöplankton filtervoederaars, parasietenpikkers, schubbeneters met een scheefstaande mond, tot … pedofagen.

Pedofagie, what’s in a name?
Peter Humphrey Greenwood was de eerste die het fenomeen van pedofagie (afkomstig uit het Grieks; pedo = ‘kind, jong’, fagos = ‘eten’) bij cichliden heeft beschreven en hij is wellicht verantwoordelijk voor het introduceren van deze term in de wetenschappelijke literatuur over vissen(8, 9).
Pedofagie, in de brede betekenis van het woord, komt eigenlijk vrij algemeen voor in het dierenrijk vermits eieren, larven en jongen van de meeste dieren frequent ten prooi vallen aan predators. Echter, de betekenis in de zin van Greenwood is veel strikter en duidt op het ontstaan van specialismen om de wijze waarop cichliden aan broedzorg doen te exploiteren als voedselbron.

Greenwood ontdekte in het Victoriameer, het Edwardmeer en het Georgemeer een achttal cichlidensoorten, getypeerd door een vrij grote, uitgeholde, uitstulpbare bek, wiens maaginhoud hoofdzakelijk bestond uit eieren, embryo’s en jongbroed. Hij veronderstelde dat deze soorten pedofagen waren die erin gespecialiseerd zijn om eieren of broed uit de bek van muilbroedende vrouwtjes te ontfutselen. Op basis van hun anatomie speculeerde Greenwood dat deze pedofagen de bek van muilbroedende vrouwtjes omzwelgen om zo het broed te kunnen stelen(9,10,11). Fryer & Iles(12) daarentegen betwistten deze hypothese en stelden dat muilbroedende wijfjes onder stresserende omstandigheden vrijwillig hun broed uitspuwen, waarna het opgegeten wordt door een pedofaag.

Foto: Freddy Haerens
Eichhornia crassipes, de waterhyacint
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
242

De wetenschappelijke naam Eichhornia gaf Kunth als eerbetoon aan de Russische staatsman Johann A. F. Eichhorn, 1779-1856. Crassipes is een aanvulling van “crassa” grof of dik en staat voor dik-grootkoppig in dierennamen en voor “met dikke voet” in het plantenrijk. Dus we hebben te maken met een aan de heer Johann A. F. Eichhorn gewijde plant die over een dikke voet, de drijfrozet met haar dikke stelen, beschikt.
De Nederlandse naam hoeft geen verklaring. Let er wel op dat diezelfde naam ten onrechte ook voor de vertegenwoordigers van het verwante genus Pontederia wordt gebruikt.
Oorspronkelijk groeide de plant in het stroomgebied van de Amazone en de Orinoco maar is nu te vinden in elk tropisch of subtropisch gebied.
De plant bestaat uit drijvende rozetten met rode verdikte bladstelen die als drijvers fungeren. Bij een sterke belichting neemt hun volume toe. De verticaal staande, lepelvormige bladeren vangen de wind en zorgen hierbij voor een wijde verspreiding. Via lange uitlopers of stolonen worden nieuwe exemplaren gevormd die na een tijdje de moederplant loslaten waardoor de hele cyclus herbegint.
Het lepelvormig blad vertoont een patroon van fijne evenwijdig lopende nerven.
In het middelpunt van de rozet ontstaat een rechtopstaande stengel – tot 50 cm hoog – die boven zijn twee schutsbladeren een aar (vorm van tros) draagt met 8 tot 15 grote paarse bloemen. Vijf van de kroonblaadjes zijn effen maar het zesde, het labellum, draagt een donker omzoomde gele vlek. Samen met zijn trosvormige purperen bloeiwijze komt de plant een 20-tal centimeters boven het wateroppervlak uit.

De gele vlek in het labellum lokt de insecten aan en is niet zoals bij de dieren meestal een waarschuwing voor giftigheid, maar een stellige belofte van nectar. Nochtans is er geen afname daar alleen bijen met een lange tong, uit de natuurlijke biotoop afkomstig, bij het lekkers kunnen. Geen bezoekers van deze soorten betekent geen bestuiving en dus geen zaadvorming. Natuurlijk wilden ook de wetenschappers hier het fijne van weten. De pas ontwikkelde kroonbladeren zijn wit met in het centrum een witte vlek. Dit centrum bevat naast het groene chlorofyl een stel gele, rode en soms zelfs bruine carenoïden evenals sporen van blauwkleurige anthocyanen. De sporen aan deze kleurstoffen stijgen vlug met als factor bijna achttienduizend. De cyaniden geven hierbij roos, het malvidien zorgt voor blauwviolet terwijl delphinidien voor het diep purper zorgt. Daarbij spelen deze anthocyanen nog even voor kameleon. In een alkalisch milieu kleuren ze blauw terwijl ze in het zure gebied rood verkleuren. Deze verkleuringen dragen bij in de aantrekkingskracht ten opzichte van snoepers en bestuivers. Bij de verkleuring wordt er bladgroen gerecupereerd en de uit afvalstoffen opgebouwde kleurstoffen verdwijnen samen met de bloembladeren. Opgeruimd staat netjes geldt dus ook bij de planten. We volgden hier de ingewikkelde metamorfose van een lilakleurig kroonblad met een donker paars omheinde gele vlek. De bloei heeft plaats in juli tot in september.

Foto: Wilfried Van der Elst
Felgekleurde zebra's in het meer der Furu's
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent.
248

Ik ben echt gefascineerd door cichliden en ook door hun diversiteit, het aantal soorten en de variaties binnen die groep. Ik heb me al dikwijls afgevraagd waar ze vandaan kwamen, hoe ze er zijn gekomen, waar en hoe zich zoveel verschillende soorten hebben kunnen ontwikkelen.
Neem nu het hoofdthema van deze Aquariumwereld: “Het Victoriameer”. Het herbergde meer dan 500 cichlidensoorten, verschillend in vorm, kleur en ecologie vóór de komst van de nijlbaars Lates nilotica. Deze soorten zijn in een periode van waarschijnlijk “slechts” 12.400 jaar geëvolueerd vanuit één of enkele nauw verwante voorouders. Wetenschappelijk heeft men bewezen dat Neochromis, Mbipia en Pundamilia bijvoorbeeld afstammen van één en dezelfde voorouder.
Laten we het echter houden in dit artikel op het grote genus der Pundamilia.
De leden van dit genus behoren tot de meest felgekleurde van alle vissen. Het zijn voornamelijk insectivoren en endemisch in het Victoriameer.
Alle om ter mooist, maar sta me toe één van de “bekendste” te beschrijven en er je het water van in de mond te doen laten komen: Pundamilia nyererei ‘Makobe Island’.
Pundamilia is afgeleid uit het swahili en betekent “zebra”, wat verwijst naar het streeppatroon.
Nyererei = als eerbetoon aan Julius Kambarage Nyerere een Tanzaniaans staatsman en president (1962-1985). In april 1962 verenigde hij de Republiek Tanganyika en de Volksrepublieken Zanzibar en Pemba tot de Federale Republiek Tanzania. Nyerere werd president van deze federale republiek.
Deze soort komt voor in veel regio's van het meer in verschillende vormen. In voornamelijk rotsachtige gebieden waar ze zich vestigen in ondiep water. Deze variant is te vinden aan het Makobe Island, een van de eilanden in het Victoriameer. Eilanden die soms niet meer zijn dan enkele grote rotsen.

  BBAT-informatief 251
  VOEDSELGIDS Zijdevlinder, zijderups (2)  
Top