Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand

 

Jaargang 64 – Nr. 9 - September 2011
 
ISSN 1372-6501

Foto: Wilfried Van der Elst
Een bijzonder experiment met maanvissen
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent / Dierenverzorger Aquarium Zoo Antwerpen
254

Iedereen kent wel maanvissen en weet hoe mooi en statig deze dieren zich door het aquarium kunnen bewegen, tenminste degene zonder sluiers. We weten ook dat ze niet verlegen zijn om een gupje of neontetra naar binnen te werken. We weten zelfs hoe we ze moeten kweken. Als de eieren gelegd zijn, knippen we het blad met de afgelegde eieren af en brengen dit onder in een ruime bokaal of klein aquarium. Daar voegen we wat methyleenblauw bij tegen het beschimmelen van de eitjes en even goed doorluchten, de jongen komen uit en het voederen kan beginnen, juist toch? Verdomme, helemaal niet! Of dachten jullie dat er in Zuid-Amerika indianen zich bezighielden met blaadjes afknippen en wat liggen klooien met methyleenblauw. Ze hebben daar sowieso al te weinig indianen. Neen, onze maanvissen zijn broedverzorgende vissen, erger nog: het zijn cichliden. Ja, dat is even schrikken hé. Heb je toch wel zo een afschuwelijke bonte baars in je gezelschapsaquarium.
Nu nog één puntje waar je even door moet: dit artikel wordt geschreven door een rascichlidioot. Je ziet, een tegenslag komt nooit alleen. Als echte cichlidenLIEFhebber houd ik veel van het gedrag van mijn vissen en liefst is dit zo natuurlijk mogelijk. Dit vond ik niet meer bij de maanvissen die in de winkel te vinden zijn, het zijn echte sukkels waar men precies een lobotomie bij heeft uitgevoerd. Voor diegenen die denken dat een lobotemie iets met treinen te maken heeft, die moeten eerst eens naar de film “One Flew over the Cuckoo’s Nest) kijken. Deze maanvissen hangen dwaas in de bak, leggen zelfs eens eitjes maar weten absoluut niet wat ze daarmee aan moeten. Zo verdwijnen ze na korte tijd in diverse vissenmagen, die van de ouders incluis.
Zo, en nu kan ik met mijn verhaal beginnen. In de Zoo van Antwerpen, waar ik werk, hebben we vele jaren geleden F1 maanvissen aangekocht van het type “Peru Altum”. Ze hebben echter niets met Pterophyllum altum te maken, maar behoren bij P. dumerilli. Ik had een paar dieren apart gezet om er eens een kweekje mee te wagen. Ze groeiden zeer voorspoedig en na een tijdje begonnen er zich stellen te vormen. Elke keer als zich een stel vormde, schepte ik dat uit en die gingen naar een eigen aquarium. Zo behield ik in de kweekruimte drie stellen en de rest ging in de publieke aquaria. Er werden volop eieren afgelegd en er kwamen zelfs jongen, maar zodra ze gingen vrijzwemmen werden ze alsnog opgegeten door de ouders. Dit ging zo bij alle drie de stellen. Soms werd er zelfs niet gewacht op het vrij zwemmen.

Toen begon bij mij het idee te dagen voor een experiment. Zou het niet lukken deze gedragsgestoorde vissen, die vermoedelijk door liefHEBBERS op bovengenoemde wijze waren gekweekt, een beetje te helpen om hun jongen toch groot te krijgen? En, als het even kon, deze jongen zo groot te laten worden dat ze zelf wél goede ouders zouden worden. Ik wist wel dat ik nu aan een experiment begon dat wat jaartjes kon aanslepen, maar dat had ik er voor over. Hoe ging ik het nu aanpakken?

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Microdevario kubotai
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst.
260

Dankzij het succes van de nano-aquaria, zijn de kleinere vissoorten volop in de belangstelling gekomen, waaronder Microdevario kubotai. Deze soort heeft de reputatie van “moeilijk”, “niet te kweken” en “vatbaar voor ziektes” te zijn, maar zelf heb ik andere, positieve ervaringen met deze vissoort. Het is inderdaad geen doorsnee “gemakkelijke” soort, maar in de juiste omstandigheden zijn de vissen wel degelijk goed te houden en zelfs na te kweken. Vandaar kwam het idee om de eigen ervaringen met dit prachtige visje eens neer te tokkelen.
De allereerste keer dat ik deze vissoort in levenden lijve zag, was op de Limbeurs van 2005. Een Nederlander verkocht er een massa vissen die allemaal in plastic zakken verpakt zaten. In één van die zakjes zaten vier kleine glinsterende visjes. Met een alcoholstift had men op het zakje “groene rasbora” geschreven. Daar had ik nog nooit van gehoord. Ook de vissen zelf kwamen mij niet bekend voor. Mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld en het zakje werd gekocht.


Foto: Robert Van Mossevelde
Een overzicht van de biodiversiteit van rifvissen in de Perzische Golf
Hamed Mousavi Sabet, PhD, Department of Fisheries, Islamic Azad University, Tehran, Iran.
264

De Perzische Golf, in Zuidwest-Azië, is een uitbreiding van de Indische Oceaan ingesloten tussen Iran (voorheen Perzië) en het Arabisch schiereiland. De Golf strekt zich uit tussen 24-30 ºN en 48-56 ºO. Deze binnenzee van zowat 251.000 km² sluit aan op de Golf van Oman, in het oosten door de Straat van Hormuz en haar westelijke einde wordt gemarkeerd door de grote rivierdelta van de Arvand rivier, die de wateren van de Eufraat, de Tigris en de Karun meevoert. De Perzische Golf is op zijn smalste ongeveer 56 km breed in de Straat van Hormuz en bereikt daar een lengte van 989 km. De Perzische Golf is over het algemeen zeer ondiep, met een maximale diepte van 90 m en een gemiddelde diepte van 38 m. Landen met een kustlijn aan de Perzische Golf zijn (met de klok mee, vanuit het noorden): Iran, Oman, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië, Qatar op een schiereiland uit de Saoedische kust, Bahrein op een eiland, Koeweit en Irak in het noordwesten. De Perzische Golf is een van de warmste gebieden in Azië. De hoogste en de laagste geregistreerde watertemperaturen zijn 40 °C en 13,8 °C. Hoewel het zoutgehalte van de Perzische Golf wordt verminderd door haar verbinding met de open zee, is ze zouter en varieert haar zoutgehalte tussen 37 tot 50 delen per duizend. Verschillende kleine eilanden liggen in de Perzische Golf. De belangrijkste eilanden van groot tot klein zijn respectievelijk: Qeshm, Bahrein, Kish, Khark, Abu Musa, Greater Tonb, Small Tonb en Lavan  die alle, met uitzondering van Bahrein, tot Iran behoren. Andere belangrijke eilanden in de Perzische Golf zijn Bubiyan dat beheerd wordt door Koeweit, Tarout beheerd door Saoedi-Arabië en Dalma beheerd door de VAE. Deze eilanden zijn belangrijk omdat de meeste ecosystemen van het koraalrif er omheen zijn ontwikkeld.
Het “wildlife” van de Perzische Golf is divers en geheel uniek vanwege de geografische spreiding van de Golf en zijn isolatie van de internationale wateren, enkel doorbroken door de smalle Straat van Hormuz. De Perzische Golf herbergt enkele van de prachtigste mariene fauna en flora, waarvan sommige bijna uitgestorven zijn of bedreigd door ernstige milieurisico's. Van koralen tot zeekoeien, de Perzische Golf is een wieg voor vele soorten, waarvan vele van elkaar afhankelijk zijn om te overleven. Een goed voorbeeld van deze symbiose zijn de mangroves in de Golf. Deze hebben een getijdenstroming en vooral een combinatie van zoet en zout water nodig voor de groei en fungeren als kraamkamers voor vele krabben, kleine vissen en insecten. Na de Australische wateren, die zo’n 80.000 zeekoeien herbergen, vinden we in de wateren van de Golf zo’n 7.500 overblijvende doejongs of zeekoeien, waardoor de Perzische Golf de tweede meest belangrijke habitat voor de soort is. De Perzische Golf is ook de thuisbasis van vele trekvogels en lokale vogels.
Het koraalrif is een andere belangrijke habitat in de Perzische Golf. Koraalriffen zijn ecosystemen die van vitaal belang zijn voor een veelheid aan mariene soorten en waarvan de gezondheid direct de gezondheid van de Golf weerspiegelt. Hoewel blijkt dat koraalriffen normaal gesproken niet beneden een breedtegraad van 23,5° te vinden zijn, stellen we vast dat gezien de afstand tot de evenaar en de subtropische breedten en door het warme klimaat, hier in de Golf voorbeelden van een doorgedreven aanpassing aanwezig zijn. In de Perzische Golf zijn koraalriffen vooral gelegen rond de eilanden, maar we zien ook marginale riffen verspreid in de kuststroken liggen. Specifieke weersomstandigheden hebben koraalvissen en andere zeedieren resistenter gemaakt dan in andere tropische gebieden, mede als gevolg van de regionale klimaatveranderingen en een grote tolerantie. Hierdoor zijn de meeste siervissen van de Perzische Golf zeer resistent tegen fysisch-chemische veranderingen van het water, zodat ze beter geschikt zijn voor aquaria. In figuur 2 zijn de eilanden en de koraalriffen goed zichtbaar in de blauwe wateren van de Perzische Golf.
Aangezien Iran de diepste en minst zoute wateren van de Golf heeft, lijkt het meer dan waarschijnlijk dat verder onderzoek nieuwe rifgebieden en een aanzienlijke biodiversiteit kan aantonen.


Foto: Robert Van Mossevelde
Anubias barteri
Diane Buyle - Siervis Wetteren.
274

Anubias barteri vinden we voornamelijk in Equatoriaal Guinea, Liberia, Ivoorkust en Kameroen.
In onze aquaria treffen we meestal de soort Anubias barteri var. nana aan, die vooral voorkomt in Kameroen, in een snel stromende rivier in de stad Viktoria.
Het is een moerasplant met een kruipende wortelstok (rizoom) van 5-8 mm dik. De bladschijf is smal ovaal tot eivormig en ca. 4-8 cm lang, 3-4 cm breed, leerachtig en midden- tot donkergroen van kleur. De bladrand is licht gegolfd. De plant bloeit met een bloemkolf van 1,5-7 cm lang, staande op het uiteinde van een stengel die 5-40 cm lang kan zijn.
Zoals alle andere variëteiten van deze soort is het een langzaam groeiende, zeer aan te bevelen moerasplant, die zich goed aan een submers leven heeft aangepast.
Een te sterke verlichting moet worden vermeden.
Het rizoom kan zowel in zand als grofkorrelig substraat geplant worden. De plant kan ook op decoratiemateriaal zoals kienhout, stenen en dgl. bevestigd worden.
Bij het planten van Anubias barteri var. nana moet men er op letten dat het rizoom boven het substraat blijft. Te diep geplaatste exemplaren groeien slecht. We zien dat de wortels zich, na verloop van tijd, vanzelf in de bodem verankeren. Men kan de plant gemakkelijk vermeerderen door het rizoom in stukken op te delen.
Deze plant is aan te bevelen voor een cichlidenaquarium omdat de leerachtige bladeren met rust worden gelaten door de vissen. Optimale temperatuur 22-26 °C.
Wegens de hoge vochtigheidsgraad past ze ook uitstekend in een paludarium.
Anubias-soorten stellen weinig eisen aan de waterkwaliteit en doen het goed in zowel zacht als hard water, van zwak zuur tot alkalisch.


Foto: Romain Van Lysebettens
Tot op... de bodem
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
280

Ofwel wil je dat je zoetwateraquarium er bij benadering als een echte natuurlijke biotoop uitziet en dan dien je, je te houden aan de bodemmaterialen die deze biotoop het best benaderen. Ofwel houd je cichliden en dan dien je voor een aantal soorten – wegens hun specifieke gedrag – extra aandacht aan de bodem te besteden. Ofwel houd je een beplant gezelschapsaquarium en dan dient je bodem weer aan andere eisen te voldoen. Genoeg stof dus om eens tot op de bodem te gaan over deze materie...
Waar we meteen duidelijk in moeten zijn over wat niet (nooit) kan, is het gebruik van kitscherige bodems in bv. een fel rode kleur (al dan niet heel fijn of heel grof), of in een soort “dambordstructuur” van witte en zwarte grove gebroken kiezel, of bestaande uit al dan niet kleurrijke knikkers, schelpenzand, koraalgruis, kwartszand of andere aldus gecatalogeerde bodembedekkingen die enkel geschikt zijn voor nitwits.
Als hoofdregel mag een bodem in een aquarium eigenlijk nooit de aandacht trekken, maar moet veeleer functioneel zijn. Als je cichliden houdt die graag graven, zoals bv. schelpenbewonende cichliden, mag je geen gemalen of gebroken zand aanwenden waarvan de scherpe kanten de muil kunnen beschadigen, maar – en dit is zeer belangrijk – enkel glad rivierzand. De aanwending van een volledig zanderige bodem kan dus voor cichliden noodzakelijk zijn. Vele vissen, bv. uit het Tanganyikameer in Afrika, leven boven een zandbodem. Hier een grofkorrelige bodem gebruiken, zou afbreuk doen aan de “natuurlijkheid” van de nagebootste biotoop. We spreken in de aquaristiek van zand als de korrel kleiner is dan 2 mm. Gebruik echter nooit zeezand dat daar verleidelijk ligt te liggen tijdens een uitstap. Ook bouwzand bevat dikwijls te veel onreinheden (zelfs glas) en slib waardoor het niet geschikt is voor het aquarium, tenzij na heel (heel) grondig reinigen.
In plantenaquaria gebruik je best fijn gewassen grind of (beter nog) een mengeling van grind en zand waarin zich ook bacteriën kunnen ontwikkelen. Deze helpen mee om de in de bodem terechtkomende afvalstoffen af te breken. Een te grove structuur bemoeilijkt de verankering van de planten en hindert hun groei doordat er dan weer te veel bodemstroming kan zijn. Het gebruik van één en dezelfde korrelgrootte geeft bovendien een zeer onnatuurlijke indruk. Ik blijf bovendien voorstander om het aangeschafte grind/zand voor het inbrengen goed te wassen. Dit vooral i.v.m. beperking van de nitrietvorming bij nieuw gestarte aquaria. Ik kom hier later op terug.
Gebruik ook hier weer geen gemalen of gebroken grind/zand omdat dit de plantenstengels extra kan beschadigen bij het inplanten. In plaats van wortelvorming ontstaat dan rotting en gisting rond de door het stekken al beschadigde stengels. Scherp grind kan ook het tere sensororgaan van sommige bodem bewonende vissen zoals corydorassen, beschadigen met mogelijk fatale schimmelinfecties tot gevolg. Zij duiken met hun kop soms diep in het zand om dit voedsel te bemachtigen. Je kunt je voorstellen wat gemalen of gebroken grind met hun hoofd/snuit/ogen aanricht. De ervaring leert dat een mengeling, waarvan de korrelgrootte niet kleiner is dan 2 mm en ook niet groter dan 5 mm voor beplante aquaria, de meest functionele structuur oplevert.

  BBAT-informatief 286
  VOEDSELGIDS Zijdevlinder, zijderups (3)  
Top   Spirulina, blauwalgen (1)