Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand

 

Jaargang 64 – Nr. 10 - Oktober 2011
 
ISSN 1372-6501

Foto: Peter Maguire
Corydoras julii, een gepantserde kurassier uit Noordoost Brazilië
Jacques Roelandts - Siervis Geraardsbergen
290

Deze sympathieke, gepantserde en gehelmde katvis die er gevaarlijk uitziet – maar toch vreedzaam is – stelt er prijs op om in groep op de bodem van het aquarium rond te scharrelen. Hij doorzoekt de bodem terwijl hij je aankijkt met zijn grote beweeglijke ogen.
Het succes van de corydorassen neemt nog toe, net zoals het aantal bekende soorten. Ze zijn levendig en blijven een extra blikvanger in elk Amazone-aquarium.
Corydoras julii is een gepantserde katvis, behorend tot de familie der Callichtyidae, onderfamilie: Corydoradinae en de punctatus-groep, ttz. de gespikkelde of gevlekte Corydoras.
Hij heeft een stevige kop met 3 paar baarddraden die dienen om de bodem te doorzoeken, zich te voeden en elkaar te herkennen, maar die ook een rol spelen bij de voortplanting.
De vis heeft een platte buik, versterkt met twee beenachtige platen. Zijn kleur is grijsbruin, soms grijsgroen met een bleke buik. Hij is helemaal bezaaid met ontelbaar kleine bruine vlekjes, tot en met de kop toe die noch een gemarmerd, noch een ruitpatroon heeft.
Op de rug verschijnt een bruinachtige band gevormd door puntjes die soms uit elkaar staan. De buitenste vinstralen zijn stekelig en bovenaan de rugvin heeft hij een zwarte vlek.
Zoals bij sommige botia’s heeft de Corydoras zeer beweeglijke ogen.
Net als andere pantsermeervallen beschikken de corydorassen over een bijkomend inwendig ademhalingsorgaan. Ze happen lucht aan het wateroppervlak. De uitgeademde lucht ontsnapt via de anus, waaruit dan belletjes  opstijgen.
De C. julii leeft in het noordwesten van Brazilië, in de staat Parà, een streek met bossen en moerassen en, meer naar het westen, op de grens van Maranhào en Piaui, een gebied van savannes en vlakten.
Zijn aanwezigheid werd er voor het eerst opgemerkt in de delta van de Amazone, in de Rio Parahine en Caete. De types van de eerstbeschrijving komen van de Rio Parnaiba, nabij Alto Parnaiba en Santa Filomena (savanne). Dit verspreidingsgebied van de soort omsluit naar het noordnoordoosten, richting Atlantische Oceaan, een gebied met tropische regens, waar de jaarlijkse neerslag meer dan 200 cm bedraagt. Naar het westen een zone met zomerregens (moesson) van mei tot juli, met een jaarlijkse neerslag van 100 tot 200 cm.
Dit betekent dat C. julii zich voornamelijk voortplant in juli, maar ook op andere tijdstippen, afhankelijk van het eigen klimaat van de verschillende biotopen die hij bewoont. Daar komen nog andere factoren zoals overstromingen, grote temperatuurschommelingen, e.d. bij.
In de Rio Parnaiba vindt men C. julii samen met meervallen van de soort Cochliodan (L 77) en Hypostomus (L 78) en cichliden van de soort Geophagus (een nog niet beschreven soort).


Foto: Robert Van Mossevelde
Aphyosemion australe, de Kaap Lopez sluier vaandeldrager
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
296

Naar gewoonte bij aphyosemions zijn de mannetjes prachtig gekleurd. Ze pronken met een mooie lierstaart afgezoomd met een chocoladebruine rand. Er is ook een andere kleurvariatie, namelijk oranjekleurig met een witte rand. Het lichaam van het mannetje en het vrouwtje is groenachtig bruin tot zilverachtig grijs. Beide hebben rode vlekken (bij de man meer en helderder) verspreid over het hele lichaam en de vinnen. De mannetjes bezitten ook kleine, rode golfachtige lijnen op kop en kieuwen. De vrouwtjes zijn tamelijk saai grijs gekleurd met duidelijk kleinere en rondere vinnen zoals bij de meeste Aphyosemion-soorten. Er komt ook een goud of oranje vorm voor, die ten onrechte in aquariumliteratuur beschreven wordt als een ondersoort met de naam Aphyosemion australe hjerreseni.
De dieren beschrijven is hopeloos omdat er naargelang de herkomst verscheidene ondersoorten voorkomen om van kleurschakeringen bij onjuist gehouden exemplaren maar te zwijgen. Als u van hun volle kleurenpracht wil genieten, voorzie dan zeker een donkere bodem.
Ze behoren tot de groep van Aphyosemion calliurum die plusminus nog acht andere soorten omvat. De lichaamsvorm is typisch voor alle andere vissen van deze soortengroep. Deze is langgerekt, slank en cilindrisch van vorm. De omhooggerichte bek bezit een iets uitpuilende onderkaak.
Het aquarium behoort dicht beplant te zijn en dat liefst met fijnbladerige exemplaren omdat deze als afzetplaats kunnen dienen voor de eitjes. Drijfplanten worden op prijs gesteld, evenals schuilmogelijkheden in de vorm van plantenwortels. Kienhout is hiervoor ook geschikt.


Foto: Romain Van Lysebettens
Cyprichromis leptosoma sp. jumbo variant Kitumba
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent.
300

Kitumba ligt in de Democratische Republiek Congo waar deze maternale muilbroeder, zover ik weet, een van de grootste en meest robuust gevormde haringcichliden uit het Tanganyikameer is. Ze worden tot 15 cm groot en de eerste vereiste om ze optimaal te behuizen, is ze plaatsen in ruime aquaria.
Kleuren beschrijven is een onbegonnen werk en met het bijgeleverde fotomateriaal hoop ik de liefhebbers van deze juwelen te doen watertanden. Hierbij toch echter enkele details. Je hebt in een populatie zowel mannen met een blauwe staart als met een gele staart en het ongelofelijke: de ene zijkant van het lichaam ten opzichte van de andere, kan totaal anders gekleurd zijn.
De vrouwtjes zijn, zoals bij heel wat cichlidensoorten, heel wat minder kleurrijk. Een grijsbruin lichaam met een donkerblauwe rugvin … en dat zal het zijn!
Zij houden in het aquarium van heel wat open zwemruimte. Het zijn, in tegenstelling tot de Paracyprichromis-soorten, ook heel actieve vissen. Je moet ze bovendien zeker in groep houden (25 stuks is hier niet te veel) indien je de verschillende mannetjes wilt zien fonkelen.
In het open water bakenen ze een territorium af. Aan de grenzen daarvan intimideren ze elkaar bijna de gehele dag met wijd open gespreide vinnen, om tegelijk de aandacht te krijgen van de kuitrijpe vrouwtjes.
Het zijn in de vrije natuur planktoneters!
In ons aquarium kunnen we ze best Artemia, watervlooien en Cyclops aanbieden. Wees voorzichtig met te groot voedsel! Ik denk hierbij o.a. aan pellets, hun uitstulpbare bekje verdraagt dit niet.
Ik leg hier nogmaals speciaal de nadruk op “school- en groepsdieren”. Koop dus geen koppel of een stuk of 5, zorg voor 25 stuks! Schaf ze aan bij verschillende kwekers, zo verkrijg je nieuw “bloed” en heb je geen zusters en broers die onder elkaar gaan kweken.
Laat de school los in een lang, ruim aquarium. Al wat minder is dan 1,50 x 0,50 x 0,50 m is voor mij, maar vooral voor deze vissen, ontoelaatbaar.
Ze leven in mijn aquarium samen met Neolamprologus helliantus (geen simpel viske!) en Julidochromis transcriptus. Plaats ze echter nooit samen met Cyphotilapia frontosa! Dit zou je wel eens zuur kunnen oprispen, daar deze prachtige dieren op het menu staan van de Tanganyika-bultkop.


Foto: Germain Leys
Beginnen met een zeeaquarium
Germain Leys - Tanichthys Hasselt.
304

Eindelijk heb je besloten om te starten met een zeeaquarium! Wat moet je doen als je wilt beginnen met een zeeaquarium? Waarop moet je letten bij de aanschaf van het aquarium en de randapparatuur?
Met dit artikel trachten we jou wegwijs te maken in de start van een zeeaquarium vanaf de eerste gedachte tot de aanmaak van het eerste zeewater.
Vanaf de eerste gedachte is het belangrijk om jouw plannen te bespreken met je huisgenoten, want ook zij zullen het lief en leed van je hobby moeten delen. Het is dus noodzakelijk om de tijd die je er aan gaat besteden en de te verwachten onkosten, even met je partner door te nemen.
Als je partner niet volledig achter jouw plannen staat, zul je niet zoveel plezier beleven aan je aquarium.
De plaats van het aquarium in de woning bespreek je ook best samen.
Neem nu gerust de tijd om een grondige studie te doen over de aanschaf van het aquarium en de randapparatuur. De eerste vragen die je hebt, zijn zeker de grootte van het aquarium, de hoogte van het onderstel en het filtersysteem. De meeste zeeaquarianen doen er verschillende maanden over om een studieronde te maken. Indien je een aquariumvereniging in de buurt hebt, kun je daar best even je licht opsteken. Zo kun je contacten leggen met andere zeewateraquarianen.
Het is altijd nuttig om een aantal aquaria van enkele liefhebbers te gaan bekijken. Vraag ook om de techniek van hun aquarium te mogen zien en vraag gerust uitleg over de werking ervan.
Je eerste aanschaf zou een beginnershandleiding moeten zijn. Een aantal goede boeken kun je misschien vinden in de bibliotheek van jouw aquariumvereniging.
Ga je een nieuw aquarium aanschaffen of neem je genoegen met een tweedehandsaquarium? In het laatste geval moet je opletten dat er geen krassen in het glas zitten en let op met oude aquaria! Vooral als ze een tijd leeg gestaan hebben, is de trekkracht van het silicone sterk achteruitgegaan. Dit kan op lange duur leiden tot lekkages.
Als je beslist hebt welke grootte het aquarium ongeveer dient te hebben, kun je best eerst uitkijken naar een lichtarmatuur. Dan moet je al weten welke soorten lagere dieren je wilt houden. Sommige moeilijker houdbare steenkoralen vereisen zeer veel licht en nu moet je gaan beslissen of je genoegen neemt met buislampen (tegenwoordig gebruiken we daarvoor T5-lampen) of metaalhalogeenlampen, HQI-lampen genaamd. Deze laatste hebben het voordeel dat het licht dieper doordringt in het water, waardoor je een hoger aquarium kunt bouwen.
Als je weet hoe groot de lichtarmatuur is, kun je de afmetingen van jouw aquarium beginnen uit te tekenen. Afhankelijk van de grootte van het aquarium zal ook de filterinstallatie aan de grootte van dat aquarium aangepast moeten worden. Dit kan onder het aquarium geplaatst worden, maar indien je over een kelderruimte beschikt, kun je dit best daar plaatsen. Dit biedt het voordeel dat je minder met water zal morsen in de leefruimte, dat je een betere afkoeling krijgt in de zomer en dat je meer plaats hebt om de randapparatuur te plaatsen.


Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
De ontdekking van de Colombiaanse reuzenpad, Bufo blombergi, in 1950
Theo Cornelissen.
308

Tijdens een wetenschappelijk onderzoek op het eiland Santa Cruz (= Indefatigable) van de Galapagos-archipel, vertelt een Colombiaan, die een goede metgezel en een scherp waarnemer bleek tijdens het onderzoek, aan Rolf Blomberg over het bestaan van een reuzenpad, waarvan hij het gewicht met Zuid-Amerikaanse overdrijving op 90 kg schat. Hij zou het dier hebben gezien in de zuidwestelijk provincie Nariño in Columbia. Dit was natuurlijk niet te geloven, maar later ontmoet Blomberg in Quito, in Ecuador, twee andere Colombianen. Die bevestigen dat in die provincie inderdaad een pad of kikker voorkomt die veel groter zou zijn dan de op zichzelf al grote Lepodactylus pentadactylus of de hoornpadden (Ceratophrys), die elk toch wel ongeveer een pond kunnen wegen.
Dr. J. W. Funkhouser van het Stanford Museum of Natural History, die in Ecuador was voor een studie betreffende de rond de evenaar voorkomende amfibieën, achtte het voorkomen van een nog onbeschreven reuzenpad of -kikker in Zuid-Amerika niet onmogelijk en daarom worden dan, met het stadje Fasto aan de voet van de Caleras-vulkaan in Zuid-Colombia als uitgangspunt, onderzoekingstochten gemaakt in oostelijke en westelijke richting.
Nu had de Colombiaan op het Galapagos-eiland nauwkeurig verteld wáár de dieren voorkwamen: in een meertje bij het dorpje El Castigo (= “De Bestraffing”), een dorpje van – naar later bleek – slechts enkele huizen, dat niet enkel moeilijk te lokaliseren was, maar bovenal moeilijk te bereiken. Na een lange rit per bus, moest men nog zeker een hele dag lopen langs een muildierpad in de bergen, dat zό slecht was dat zelfs muildieren er geregeld verongelukten.
Blomberg sloeg zijn tenten op in Policarpa, dicht bij El Castigo.  Hoewel de plaatselijke inwoners hem bevestigden dat er inderdaad zeer grote padden voorkwamen die – al naar de zegsman – 2 tot 10 kg zwaar zouden moeten zijn, bleek tevens dat hij in de verkeerde tijd (droge tijd) van het jaar was gekomen. Door ondeskundig wegbranden van het bos, was het in het bergland nog droger dan gewoonlijk: het bewuste meertje bleek zelfs geheel drooggevallen te zijn.
“Neen, in de regentijd”, zegden de mensen, “dan moet je komen, dan maken de padden zoveel herrie, dat je jezelf ternauwernood verstaanbaar kunt maken”. Desondanks begon Rolf Blomberg samen met enkele dorpsbewoners toch te zoeken, dagen en nachten lang, maar ... zonder enig resultaat.
Eindelijk, op 11 september 1950, komt een man met een grote pad aan die hij in de omgeving heeft gevangen: een dorpje dat, aanzienlijk lager in het bergland, ja bijna aan de voet van de westelijke Cordillera, op een hoogte van ongeveer 550 m en ca. 90 km ten noordwesten van Pasto gelegen (zie kaartje) is.
Alle mensen uit de omgeving bevestigden dat, dát de pad was die ze bedoelden en deze daar Sapo Saina (= vetgemeste pad) heet. Men vond tevens dat het niet eens een groot exemplaar was. Hoewel dit voor het eerst in de wetenschap bekend geworden dier (holotype) toch altijd nog 1 kg zwaar was en, over de kop en de rug gemeten, 20,7 cm lang was. Het was dus praktisch even groot als het grootste exemplaar van Bufo marinus, de grootste tot dan bekende Zuid-Amerikaanse pad.
De mensen waren nogal bang voor het dier. Men beweerde dat je er eczeem en blaasjes van kon krijgen, de padden beten ... alléén het zien ervan zou eigenlijk al ongeluk kunnen brengen. De roomachtige vloeistof, die de opvallende klieren aan beide zijden van de nek (paratoïden) kunnen afscheiden, bleek bij later onderzoek inderdaad giftig te zijn. Ondanks ijverig zoeken, vanwege de uitgeloofde hoge beloning, vond men toen geen dergelijke padden meer.


Foto:Guido Lurquin
Alisma plantago-aquatica, de grote waterweegbree
Guido Lurquin - De Siervis Leuven.
314
De leden van de waterweegbreefamilie (Alismataceae) kunnen vrijwel alleen in het water leven. Het is een kosmopolitische familie die, met uitzondering van Antarctica, op alle continenten groeit.
Grote waterweegbree groeit op alle continenten van het noordelijk halfrond, behalve in de poolstreek. De plant heeft zich weten te verspreiden over bijna de hele wereld en is daardoor kosmopoliet geworden. Grote waterweegbree is in Nederland vrij algemeen. Ook in België is de plant vrij algemeen in Vlaanderen en de Kempen maar (vrij) zeldzaam elders. De modderige oeverzone langs stilstaand of zacht vliedend water is zijn domein. Hij groeit meestal in wateren die soms droogvallen zodat zuurstof in de bodem kan doordringen.
Grote waterweegbree is een hoge, meestal tussen 30 en 90 cm maar soms meer dan een meter hoge, plant met een vrij korte vegetatieve periode. De grootte van de plant hangt af van veel externe factoren en varieert ergens tussen de tien en honderd cm. Vanuit een knolvormig verdikte wortelstok verheft zich een grondstandige toef van langgesteelde bladeren, die lepelvormig zijn. De verspreid staande bladschijven zijn ovaal, tot 25 cm lang en tot 10 cm breed. De basis ervan is afgerond hartvormig, de top is spits. Ze zijn parallelnervig of kromnervig. In dieper water worden onderwaterbladeren gevormd. Deze onderwaterbladeren zijn lijnvormig. De bloemen staan in een grote, nogal losse, piramidale pluim. Ze verschijnen in de periode mei tot augustus. De bloei kan duren tot de eerste vorst. De stengels zijn stomp driekantig. Hun zijdelingse vertakkingen staan per drie of meer in een krans. De bloemen zijn tweeslachtig en openen zich van juni tot september. Ze zijn nauwelijks 1 cm groot en dragen elk drie witte of lichtroze kroonblaadjes. De dopvruchten zijn eenzadig. Twee maanden na de bloei komen de zaadjes vrij. De plant vermeerdert zich ook door zijdelingse knollen.
  De redactie bezocht... Colisa Mol 317
  De redactie bezocht... Danio Rerio 318
  20 vragen aan... Philemon De Cuyper 320
  BBAT-informatief 322
  VOEDSELGIDS Spirulina, blauwalgen (2)  
Top   Krekels (1)