Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand Volgende maand

 

Jaargang 64 – Nr. 11 - November 2011
 
ISSN 1372-6501

Foto: Robert Van Mossevelde
Puntius tetrazona (Bleeker, 1855), het sumatraantje
Jacques Roelandts - Siervis Geraardsbergen

326

P. tetrazona werd vanuit Indonesië in 1935 in Europa geïntroduceerd en komt dus oorspronkelijk uit Sumatra, doch ook op Borneo blijkt hij voor te komen. De aanwezigheid van de soort in Thailand is omstreden en onzeker. Er is ook een Maleisische populatie in Lake Chini, waarschijnlijk geïntroduceerd door de mens.
Hij behoort tot de familie der Cyprinidae en subfamilie der Cyprininae.
De familie Cyprinidae telt het grootste aantal soorten van een grote diversiteit, verspreid in Europa, Azië, Afrika en Noord-Amerika. Daartegenover vinden we ze niet in Zuid-Amerika en Australië. Karperachtigen zijn primaire vissen, dit wil zeggen: strikt beperkt tot zoet water, gekenmerkt door een lichaam bedekt met cycloïdale schubben en een schubloze kop.
De mond heeft geen of slechts een paar tanden, maar ze beschikken daarentegen over een gehoornde kauwplaat gelegen aan de basis van de keelholte. De mond is erg rekbaar.
De meeste vertonen de typische morfologie van een vis. Ze hebben geen vetvin en bezitten maximum twee paar baarddraden. Ze hebben de botten die het apparaat van Weber vormen dat de blaas met het binnenoor verenigt. De zwemblaas, verbonden met de slokdarm (physostomous) is gevuld met de ingeslikte lucht. Zij is meestal groot en verdeeld in twee compartimenten. Op enkele uitzonderingen na is het voorste deel van de zwemblaas niet omgeven door een benige capsule.
De zijlijn is compleet en bijna rechtlijnig. Bij een aanval door een roofdier kan hun huid een stof afscheiden die angst en alarm uitstraalt.
Het Sumatra barbeeltje heeft een oranje-gele jurk met goed gemarkeerde schubben. Hij heeft vier zwarte verticale banden. De eerste gaat door het oog, de tweede is geplaatst halverwege tussen de kop en de rugvin, de derde vertrekt vanaf het einde van de rugvin tot aan de onderkant van de anaalvin en de vierde bedekt de staartwortel. De buikvinnen zijn roodachtig, de rug- en staartvinnen zijn rood gemarkeerd. Het kleurpatroon is voor beide geslachten hetzelfde, maar is meer uitgesproken bij de mannetjes en er zijn enkele kleine verschillen. Bij het vrouwtje vertoont de rode rand van de rugvin een dunne, transparante sliert. De snuit van het vrouwtje is roze en deze van het mannetje is felrood, vooral wanneer hij klaar is om te paaien. De volwassen grootte ligt tussen de 5,5 en 7 cm en de mond is voorzien van twee baarddraden.
Geslachtsonderscheid is bij de jongeren moeilijk vast te stellen, maar eens volwassen heeft het vrouwtje een ​​iets hoger lichaam, een vollere buikpartij en minder levendige kleuren.Diverse kleurvarianten werden door professionele kwekers geselecteerd uit mutanten. Zo is er een albino vorm, een xanthochromische "fantoom" vorm en een vrijwel geheel groene vorm.


Foto: Robert Van Mossevelde
Telmatochromis bifrenatus
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
334

Eerst gaan we even na of de wetenschappelijke naam ons iets meer leert over deze Tanganyika-cichlide. Telmatochromis is samengesteld uit het Klassiek Griekse telma en atos dat moeras of vijver betekent. Hier staat het overdrachtelijk voor meer. De aanduiding chromis verwijst naar de kleur en het in 1814 door Cuvier opgerichte genus Chromis. De soortnaam bifrenatus geeft aan dat ze een dubbele lengtestreep vertonen.
Telmatochromis-soorten zijn naaste familie van Lamprologus en Julidochromis, wat blijkt uit hun soortgelijke lichaamsvorm.
Telmatochromis-soorten onderscheiden zich, samen met deze van Julidochromis en de voormalige vertegenwoordigers van het genus Lamprologus, tot de cichliden die in hun anaalvin meer dan drie harde vinstralen bezitten. Op latere leeftijd ontwikkelen ze – zoals bij Cyphotilapia en Steatocranus – een voorwaarts hellende bult op de zware kop. De bek is voorzien van dikke lippen en krachtige tanden.
Op een gedetailleerd kaartje van het meer en zijn naaste omgeving is duidelijk merkbaar dat het dit begrensd wordt door Burundi en Tanzania in het oosten, terwijl de Democratische Republiek Congo de westelijke oever inneemt en Zambia in het zuiden het sluitstuk vormt.
De temperatuur van het oppervlaktewater is normaal circa 26 °C, maar kan oplopen tot 28 °C. Het water is vrij hard maar variabel en schommelt van 12 tot 30 °dH bij een pH rond 8,8.
Deze endemische soort komt er voor in het in het ondiepe (5 à 10 m) heldere water langs de rotskusten waar talrijke spleten en holen voorkomen in het puin en de rotsen. Soms komen ze ook voor in de overgangszone met het zandlitoraal. Ze zijn sterk plaatsgebonden, wat ook blijkt doordat ze bij gevaar slechts maximaal één meter van hun schuilplaats wegvluchten.
De term bifrenatus slaat uitsluitend op het lichaam, daar ook de rugvin een diagonale donkere band vertoont. Een eerste band, de bovenste, loopt vanaf het kieuwdeksel tot het einde van de rugvin en vangt het einde van de diagonale donkere band ervan dicht bij het einde op. De tweede of onderste ontstaat bij de snuit en loopt onder het oog verder over het kieuwdeksel en eindigt in een vlek voor de aanzet van de staartvin. Deze vlek bestaat uit een aantal schuin geplaatste streepjes. Deze dwergcichliden meten amper 7 cm voor het mannetje terwijl het vrouwtje nog iets kleiner uitvalt.In de natuur en in aquaria, vindt men soms exemplaren met een derde langsband welke geen verwantschap vertonen. Handelt het hier om een andere soort of een genitief afgedwaalde populatie? We zullen het maar aan de specialisten ter zake overlaten om zulke puzzels op te lossen...


Foto: Wilfried Van der Elst
Tijgervissen blijven verbazen
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent, Dierenverzorger Aquarium - Zoo Antwerpen
338
Het is al een hele tijd geleden dat ik over de tijgervissen, Hydrocinus vittatus, heb geschreven (Aquariumwereld 60/020:023). Je vraagt je misschien af hoe het er ondertussen mee gesteld is?
Wel, het zijn ondertussen echte “watertijgers” geworden. Er zijn van de 25 stuks, 8 vissen overgebleven. Daarvan is er eentje die toch wel ruim 50 cm haalt. De kleinste is zo’n 35 cm. De onderlinge agressie is sterk verminderd met het volwassen worden, maar ze blijven nog steeds totaal onvoorspelbaar. Ondertussen hebben we ook een totaal nieuw aquarium voor hen gebouwd, zodat ze over veel meer ruimte beschikken.
Hun snelle acceleraties vallen nu nog meer op dan toen ze nog kleiner waren. Zoals vroeger al vermeld, zijn ze niet altijd lief voor elkaar, zeker niet als juvenielen. En geloof me, met hun grote tanden en hun snelle bewegingen, kunnen ze op een paar seconden heel wat schade aanrichten. De eerste grote verwonding die we zagen, was er eentje boven op de staartwortel. Een hele hoop weefsel was gewoon weggevreten tot op de graat. Het was ongelooflijk hoe dit dier nog überhaupt zijn staart  kon gebruiken. De eerste gedachte was, we vangen hem eruit en maken snel een einde aan zijn lijden, maar als je het dier zag rondzwemmen, was er – hoe ongelooflijk ook – niets mis met zijn motoriek. Dit fascineerde me wel. Straffer nog: toen er gevoederd werd, kwam dit dier gewoon mee eten. Dit had ik nog niet eerder met een vis meegemaakt. We besloten om hem nog wat te laten zitten, maar hem wel goed op te volgen natuurlijk.
Er kwamen wel wat terechte opmerkingen van het publiek, waardoor we dat telkens moesten uitleggen dat het erger leek dan het was en het beter was voor de vis dat hij er niet werd uitgevangen, wat het stressniveau onnodig de hoogte in zou jagen. Elke dag werd de verwonding nauwlettend in de gaten gehouden. Heel merkwaardig, géén enkel spoortje van schimmelvorming. Na een paar dagen begonnen de randen van de wonden al te helen. Er kwam een mooie zwarte lijn die de randen strak maakte. Ook het weefsel groeide bij tot de oorspronkelijke proportie. Ook raar, als dit bij een andere vis gebeurt, groeit een wonde ook wel dicht, maar waar de verwonding was, blijft altijd wel een “deuk”. Eens het weefsel was bijgegroeid, ging ook de huid het geheel afsluiten en ten slotte groeiden er zelfs terug schubben op. De vetvin die ook weggebeten was, kwam wel niet meer terug. Je kan niet alles hebben en die hebben ze, volgens mij, toch ook niet echt nodig. Nu, de schubben groeiden wel dakpansgewijs maar niet op mooie horizontale lijnen zoals het oorspronkelijk was. Echter, heel de wonde werd wel helemaal hersteld zodat hij dezelfde hydrodynamiek had zoals vroeger. Deze kerel zwemt nog altijd rond bij ons. Hij is te herkennen aan de ontbrekende vetvin en de schubben die een beetje door elkaar liggen op de staartwortel.
Een hele poos later was het weer prijs. Nu hing er bij eentje op de linkerflank een flinke lap af, door een diepe snede. Een geluk dat de flap aan de bovenkant vast hing, zodat de flap tegen de flank lag. Deze genezing ging ongelooflijk snel. Ook viel op dat de vis precies wist waar de verwonding was. Zo bleef hij mooi de gewonde flank uit het zicht van zijn soortgenoten houden. Telkens zwom hij zo dat de wondzijde naar een zijkant van het aquarium gericht was. Al na 14 dagen was alles dicht en bleef er nog enkel een zwarte lijn over, die nadien ook verdween. Toen de wonde nog maar juist dicht was, ging hij ook normaal terug door het aquarium zwemmen en hoefde zijn wonde niet meer aan het zicht onttrokken te worden. Toch een doordacht gedrag voor een vis. Ook dit dier verblijft nog altijd bij ons. Zulk een enorm regeneratievermogen heb ik nog nooit gezien bij een vis. Ik heb wel al wat gezien bij zeebaarzen en bij een Synodontis-soort (Afrikaanse meerval) maar deze zijn zonder meer de strafste. Hoe komt het dat ze geen schimmel krijgen of een bacteriële infectie? Want er is nooit enig antibioticum in het water toegevoegd tijdens het herstel. Voor mij blijft de tijgervis nog altijd iets raars waar ik nog altijd niet echt hoogte van krijg, maar dat maakt hem echt zo speciaal.

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Horadandia atukorali
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst.
342
Enkele jaren geleden, op een tentoonstelling in Klein-Willebroek ingericht door de aquariumclub De Minor Rupel-Vaartland, zag ik tussen de vele aquaria, paludaria en terraria, een bescheiden maar prachtig beplant aquarium met kleine flonkerende gouden visjes. Deze soort had ik nog nooit gezien en het feit dat de naam van deze pareltjes niet was vermeld in het programmaboekje, wakkerde mijn nieuwsgierigheid nog meer aan. De toenmalige voorzitter Walter Van der Jeught wist mij er te vertellen dat de tentoonsteller Luc Van Parys thuis nakweek had van deze mysterieuze pareltjes. Het bleek te gaan om Horadandia atukorali, een niet zo vaak gehouden kleine vissoort uit Sri Lanka. Uiteindelijk maakte ik een afspraak met Luc en werd er zeer vriendelijk onthaald. Zijn hobbyruimte was indrukwekkend. Tal van planten- en vissoorten werden er gekweekt, waaronder ook de visjes waar het mij om te doen was. Hij had voor mij maar liefst 17 exemplaren uitgevist, maar waarschuwde ervoor dat het zeer fragiele visjes waren. Dat bleek overigens terecht te zijn, want drie exemplaren overleefden de autorit van amper een kleine drie kwartier niet. De overige 14 exemplaren werden heel voorzichtig met de druppelmethode overgewend aan het aquariumwater. Ik had er wel op gelet om de al aanwezige vissen in het aquarium (100 x 40 x 50 cm) vooraf goed te voederen. Dit was een Aziatisch gezelschap bestaande uit een ruime school kegelvlekjes en enkele volwassen diamantgoerami’s. Voorts werden de lampen boven het aquarium gedoofd om te beletten dat de kleine visjes meteen zouden aangevallen worden als waren ze visvoer. Niettegenstaande deze voorzorgsmaatregelen, stelde ik de ochtend erop toch vast dat alle vinnen waren afgebeten, maar ze leefden gelukkig allemaal nog en na verloop van tijd herstelden ze allemaal. Zodra ze zich hadden aangepast aan het nieuwe aquarium, waren het prachtige visjes met een unieke kleuring.

Foto: Terver
Pygoplites diacanthus, de pauwkeizersvis
Bruno Lemer - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
345
Wat leert ons de hedendaagse wetenschappelijke naam van het dier dat Boddaert beschreef onder de naam Chaetodon diacanthus? De vis vertoont zowel kenmerken van het genus Centropyge als van Holacanthus. Nader onderzoek door Shen en Liu in 1985 wijst uit dat het een zustergenus betreft van Apolemichthys. Fraser-Brunner richtte in 1933 ervoor het monotypisch genus Pygoplites op dat als voornaamste kenmerken heeft: de relatief grote schubben en de onvolledige zijlijn die eindigt ter hoogte van de zachte stralen van de rugvin. Hij vergat er echter bij te voegen waar hij de mosterd had gehaald voor de naam. Janus in 1972 dacht de hoofdvogel af te schieten door te verwijzen naar het Oud Griekse “hoplites” wat zwaar bewapende infanterist betekent. Het was zuiver fantasie want hij had de eerstbeschrijving van zijn landgenoot Boddaert niet goed gelezen want die beschreef voor het uitzicht van deze vis onder anderen: “…Zwei grosse Stacheln an die Bauchflossen…“ Dus wordt de juiste lezing “met gewapende buikvinnen”. Waarmede zij bewapend zijn zegt het eveneens van Griekse afkomst “diacanthus” wat vermeldt dat het twee “dia” stekels “acanthus” betreft. Hoe deze vis in tal van beschrijvingen genoemd werd, bespaar ik u. De synoniemenlijst zou minstens een hele pagina in beslag nemen.
De import van deze tropische zeebewoners is vrij recent. Eerst in 1975 kon Jonklass, ter hoogte van de Malediven, er enkele vangen die hij vervolgens schonk aan verscheidene Duitse openbare aquaria.
Nu, er is plaats genoeg om er enkele buit te maken want hun biotoop is enorm groot. Oordeel zelf. Het strekt zich van de oostkust van Afrika uit tot het centrum van de Stille Oceaan. In het zuiden raakt het bijna de 30ste graad zuiderbreedte op de oostkust van Australië en de op de 22ste de oostkust van Madagaskar. In de Rode Zee zijn ze plaatselijk sterk vertegenwoordigd. Vooral het Groot Barrière Rif is in trek. Neem daarbij de omgeving van de meeste eilanden uit de Indische Oceaan plus Taiwan en de Filippijnen. De noordgrens hierbij zijn de eilanden voorbij Japan. Vooral op het Groot Barrière Rif en in de Koraalzee komen ze veel voor. Vooral in lagunes en zeewaarts gerichte riffen die rijk bezet zijn met koralen op een diepte variërend tussen 1 en 50 m. Het feit dat ze een dergelijk reusachtig gebied bestrijken, uit zich in de plaatselijke varianten wat zich in de herkomst van de geïmporteerde dieren weerspiegelt. Zo komt 5% via Sri Lanka van de Malediven, Indonesië levert 15% en het leeuwenaandeel ervan – 80% – komt uit de Filippijnen. De Rode Zee levert sporadisch enkele exemplaren aan. Een door Randall gefotografeerd exemplaar uit Djibouti vertoont geen dwarse strepen. De hele flank is geel. In de rugvin is de schuine aanzet van de strepen merkbaar. Dat de afkomst de houdbaarheid en overlevingskansen bepaalt, is een fabel. De overlevingskans wordt bepaald door andere factoren zoals de aard en de snelheid van het transport en de ouderdom van de vissen. Jonge dieren – 60 à 75 mm Tl* – acclimatiseren vlugger en aanvaarden gemakkelijker voedsel. Spijtig genoeg zijn deze nog in hun jeugdkleed zijnde visjes niet vlot verkrijgbaar en zijn het trage groeiers. Vooral de voeding is aanvankelijk één van de grote problemen.

Foto:Robert Van Mossevelde
Elk zijn stekje...
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw.
348
Zover zijn we dan. Het aquarium is gereed met alles erop en eraan. De juiste bodem erin, achterwand aangebracht, filter, verwarming en verlichting veilig geregeld, het geheel uiteindelijk met water gevuld en we hebben dat goed gedaan, dat mag eens gezegd. Mooi dus, maar … hier komen de planten! Nu ja, waar komen die eigenlijk in het aquarium? Zijn daar richtlijnen en regels voor? Laten we dit eens bekijken zonder veel ingewikkelde termen en plantennamen, maar gewoon “to the point”…
Ik kan me goed inbeelden dat vele beginners het daar zeer moeilijk mee hebben. Ook in het clublokaal van de vereniging hoor je geregeld dat vooral nieuwe leden daar soms gewoon geen idee van hebben. Echter … er zijn inderdaad wel degelijk enkele basisrichtlijnen om je daarbij te helpen. We gaan die niet overdreven moeilijk proberen toe te lichten in deze tekst en het is hier ook niet de bedoeling om van naald tot draad uiteen te zetten hoe je een aquarium van niets start, dat is stof voor een andere tekst. Een goed boek over planten is alleszins al een fatsoenlijk begin voor elke goedbedoelende aquariaan. Dat hoef je niet van buiten te leren, maar gebruik het als een naslagwerk om je vooral te informeren (liefst vooraf!) over de bladvorm, de bladkleur en de grootte van een plantensoort die je wenst aan te kopen.
Globaal gezien kunnen we deze in drie groepen indelen: achtergrondplanten die hoog uitgroeien, middelgrote planten die ideaal zijn voor in het midden en de klein blijvende planten die we als voorgrondbeplanting kunnen aanwenden. Ja, ook nog kamerplanten en die worden in vele aquariumzaken als aquariumplant aangeboden (echt waar!), maar schrap die meteen al resoluut van je lijstje.
Daarnaast dient dan gelet te worden op de verschillende bladvormen en bladkleuren, zodat je geen planten met eenzelfde bladvorm of bladkleur naast elkaar plaatst. Evenzo moet je letten op de verschillen in bladgrootte, opdat je in de ene aquariumhelft bijv. niet allemaal kleinbladige planten zou zetten en in de andere allemaal grootbladige, laat staan met ook nog eens dezelfde bladvorm. Zo zet je bijv. verschillende Vallisneria-soorten nooit naast elkaar of naast andere lint- of naaldvormige planten. Wat we wel moeten proberen te doen, is met die verschillen in grootte, bladvorm en bladkleur trachten contrasten te vormen. Enkel bij een doordachte plaatsing, waarbij je rekening houdt met het verschil in bladvorm en bladkleur, ontstaan van die prachtige aquariumcomposities. Idem dito voor de plantlengte, want je plaatst hoge planten niet voor laagblijvende vormen, al heb ik “licht anarchistische” aquarianen al wel het tegendeel horen beweren. Nu ja, je vindt ze in alle geledingen en het is allemaal misschien goed bedoeld, hun redenering is ook mooi om te aanhoren, alleen ... er ontbreekt iets aan: ze klopt nl. langs geen kanten. Hoge planten behoren in een aquarium achteraan te staan, of aan de zijkant en nergens anders, tenzij als een solitaire blikvanger, midden kleiner blijven soorten. Voor die achtergrondplanten, plaats je dan de middelhoge soorten en op de voorgrond kunnen enkel de laagblijvende soorten worden geplaatst. Zo ontstaat een oplopende beplanting van laag naar hoog.

Foto:BBAT-archief
Nerodia fasciata, de gebandeerde waterslang
Fernand Verbeeck - Aquatom vzw.
354
Nerodia fasciata komt vooral voor in het westen van de Verenigde Staten. In Alabama, Arkansas, Noord- en Zuid-Carolina, Florida, Georgia, Illinois, Indiana, Kentucky, Louisiana, Mississippi, Missouri, Oklahoma, Texas en het noorden van Cuba. De op dit eiland voorkomende dieren zijn er ofwel oorspronkelijk door de mens heen gebracht of zijn als “stow away” of verstekeling, op een schip daar geraakt. Hun biotoop is nogal afwisselend en omvat bergbeken, meren, moerassen en rivieren. Zoals u merkt, geeft de gebandeerde waterslang de voorkeur aan zoet water en komt dus niet in zee voor. Nu is Florida in aan moerassen geen gebrek, want de Everglades zijn er heel uitgestrekt. De daar levende reigers vormen wel een van hun geduchtste predatoren. Ze gaan wel geregeld aan land om een zonnebad te nemen.
Nerodia fasciata confluens (Blanchard, 1923) leeft verspreid in West-Alabama, Oost-Texas en Mississippi.
Nerodia fasciata fasciata  (Linnaeus, 1766) – de nominaat vorm – vinden we vanaf Noord-Carolina tot Florida en ten westen hiervan tot in Zuidwest-Alabama.
Nerodia fasciata pictiventris  (Cope, 1895) bewoont Florida en westelijk Alabama.
Daar de biotopen van verscheidene ondersoorten zich overlappen, is er aan bastaarden geen gebrek, wat de determinatie zeker niet bevordert.
De meeste exemplaren zijn zwart met dunne, schuine, gele dwarsbanden over de hele lengte. Na verloop van tijd gaan deze gele banden over in zwart. De gele banden komen naar de buik toe nader bij elkaar zodat ze op een netwerk lijken. De onderzijde is effen geel. Waarschijnlijk heeft dit, zeker wat de buik betreft, te maken met mimicry. Geel en oranje zijn waarschuwingskleuren om aan te geven dat het een giftig of onsmakelijk dier betreft.
Hun lengte varieert tussen één tot anderhalve meter. Voorzie daarom een onderkomen dat even of iets langer is, want anders is de slang verplicht om rolmops te spelen. Waterslangen zijn zeer actief en kunnen in een groot vivarium zelf, ten opzichte van de verwarming, de juiste plek kiezen. De bodembedekking speelt ook een niet te onderschatten rol. Best gebruikt men een bodem die toelaat om de uitwerpselen gemakkelijk te verwijderen, want visetende slangen produceren een sterk riekend afval. Vermijd scherp zand, want dit blijft dikwijls in grote hoeveelheden aan het voedsel kleven, waarop de dieren het meteen weer uitspuwen. Zorg er tevens voor dat minstens een derde van de bodem steeds droog blijft. Hierdoor vermijden we huidproblemen. Een ander derde kan dan weer dienen als waterbak. Over alles kunnen nog enkele stevige, liefst schuin opgaande, takken aangebracht worden. De helling en hoogte van de takken biedt een mogelijkheid om bij het zonnen de juiste plaats en de eraan verbonden warmte op te zoeken. De takken, samen met enkele stenen en stukken schors, dienen niet enkel als verstek, maar vormen tevens een hulp om bij het vervellen de oude huid af te stropen. In een ruim onderkomen zult u merken dat vooral de mannetjes goede klimmers zijn. De vrouwtjes die bij gelijke ouderdom tot vijfmaal meer kunnen wegen, doen het iets minder vlug.
 
  BBAT-informatief 358
  VOEDSELGIDS Krekels (2)  
Top