Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 64 - 2011
vorige maand  

 

Jaargang 64 – Nr. 12 - December 2011
 
ISSN 1372-6501

Foto: Wilfried Van der Elst
Notropis lutipinnis, weer een aanwinst voor het Eco-aquarium !!PRIMEUR!!
Wilfried Van der Elst - Aquarianen Gent
, Dierenverzorger Aquarium - Zoo Antwerpen

362
Ondertussen ben ik al zeer vertrouwd met het begrip “Eco-Aquarium”, of met andere woorden gezegd: “Het onverwarmde huiskameraquarium.”
Vooral de soorten uit Noord-Amerika interesseren me meer en meer. Ik heb al leuke ervaringen met Cyprinella lutrensis en vooral de onwaarschijnlijk schitterende Notropis chrosomus of glittervis. Nu houd ik altijd mijn ogen open mochten er nog eens nieuwe soorten opduiken, maar ze vinden is andere koek.
Een tijdje geleden echter kreeg ik een mailtje dat groothandel Ruinemans deze soorten geregeld importeert. Zo bestelde ik dan bij een bevriende handelaar de soort Notropis lutipinnis of “Yellowfin Shiner”. Vrij vertaald zou dit “geelvin elrits” moeten zijn. Dat vind ik wat raar, want hoewel ze in de paartijd héél kleurrijk worden, zie ik toch geen gele vinnen. Ik vraag me bovendien af of mijn visjes wel degelijk N. lutipinnis zijn. Ik heb niet de baltskleuren gezien zoals ze in het boek "American Aquariumfishes" van Robert J. Goldstein te zien zijn. Mochten ze het wel zijn, dan zijn ze dus afkomstig van Noord-Amerika, meer bepaald North Carolina waar je ze vindt in de Santee River en in Georgia in de Altamaha River. Blijkbaar ook op nog wat plaatsen waar ze terecht zijn gekomen als aasvisjes die hengelaars gebruiken om grotere vissen te vangen.
Ik had voordien ook al eens drie van deze visjes gehad. Die had ik toen gekregen van Hammie Monch van de bekende vijverzaak “De Watermolen”. Deze kregen toen jammer genoeg zeer snel een heel agressieve schimmelinfectie. Mijn fout was dat ik ze te snel naar kouder water had gebracht, zo ondervond ik later. Je kunt ze het best overzetten naar water dat een tikkeltje warmer is dan dit waar ze uit komen. Dit mag dan echter zacht afkoelen naar 15 °C, ze voelen zich het actiefste bij 20 à 24 °C. Wat warmer verkort hun levensduur aanmerkelijk. Trek die verwarmer dus maar uit en hang er een circulatiepompje bij, daar doe je deze kereltjes een groter plezier mee.
Denk ook niet dat die visjes van het koudere water gemakkelijker zijn dan onze tropische. Het tegendeel is waar: ze stellen veel hogere eisen aan het water. Het moet zuurstofrijk zijn en totaal vrij van ammonium en nitriet. Best blijft het nitraatgehalte ook wat binnen de perken.
Met mijn nieuw groepje zou ik een pak voorzichtiger zijn. Ik had 8 visjes die normaal wildvang zouden zijn en ik heb ze in een aquarium van 120 (L) x 60 (B) x 30 (H) cm gezet. Die staat bij mij op de onderste plank van mijn aquariumkamer. Ik liet ze daar maar alvast aanpassen. Dat ging heel goed, ze aten al direct alles: droogvoer en diepvries Cyclops en Mysis. Ik geef geen rode muggenlarven omdat ik daar al slechte ervaringen mee heb gehad bij de soorten die uit stromende watertjes afkomstig zijn. Het klinkt misschien wat raar, maar ik geef de voorkeur aan hoogstaand droogvoer en neen, ik kleef hier geen merk op. Met droogvoer krijg je veel minder fosfaten in je aquarium en als je met deze vissen wilt kweken, moet het water zo onbelast mogelijk zijn. Leidingwater is geen probleem, ze prefereren volgens mij zelfs hard water.

Foto: Robert Van Mossevelde
Cichlasoma portalegrense, een cichlide met een aanlegplaats
Romain Van Lysebettens - Aquarianen Gent vzw.
366
De geschiedenis van de wetenschappelijke naam voor deze vis begon in 1870, toen hij werd gevangen in de buurt van Porto Alegre in Brazilië. Deze havenstad ligt op de oostelijke oever van de Rio Guaiba waar vijf rivieren samen komen naar de Lagoa dos Patos, een gigantische zoetwater lagune. We vinden hem ook terug in Bolivia, Paraguay en Uruguay.
Ik echter, leerde hem voor het eerst kennen onder de naam Aequidens portalegrense en bevolkte hij een aquarium bij één van onze leden in de Arteveldestad. Ondertussen is hij een echte Cichlasoma geworden en heeft aan schoonheid zeker niets verloren.
Sta me toe even wat duidelijk te maken over het genus Cichlasoma in de grote cichlidenfamilie. Schiet echter niet op de pianist als bij het verschijnen van deze Aquariumwereld terug alles overhoop ligt in de nomenclatuur over deze vis.
Bij aanvang van mijn aquaristieke loopbaan was het genus Cichlasoma enorm uitgebreid, we vonden ze zowel terug in Midden- als in Zuid-Amerika. Herindeling en de daaropvolgende splitsing van het genus Cichlasoma, nu geplaatst in aparte genera zoals Amphilophus, Amatitlania, Herichthys, Heros, Nandopsis, Parachromis, Thorichthys, Vieja en nog een aantal andere, veranderden de situatie volledig … en maar goed ook: de uiterlijke verschillen al waren soms heel groot!
Cichlasoma bestaat nu uit volgende soorten gevonden in Zuid-Amerika. Zonder tegenbericht zijn dit de volgende: Cichlasoma amazonarum; C. araguaiense; C. bimaculatum; C. boliviense; C. dimerus; C. facetum; C. orientale; C. orinocense; C. paranaense; onze Cichlasoma portalegrense; C. pusillum; C. santifranciscense; C. taenia. Er zijn nog een aantal Cichlasoma-soorten in Midden-Amerika en Mexico. Tot zover…
Ik weet het, een lange inleiding, maar ik vond dit toch interessante informatie voor de Amerikaanse cichlidenfreaks.

Foto: BBAT-archief
Limia melanogaster
Johan Keulemans - Pristella Schoten
370
Hoi! Ik kom uit een warm vakantieland waar men rastakapsels heeft, reggae speelt en rare sigaretjes rookt. Een land waar iedereen wel een muts heeft met rode, groene en gele kleuren nl. Jamaica. Om deze reden noemt men mij dan ook Jamaica-tandkarpertje of in het Latijn Limia melanogaster.
Vroeger was dat Poecilia melanogaster, maar de indeling van de genera durft nogal eens te wijzigen naargelang wie de lijst opstelt, melanogaster wil zeggen “met zwarte buik”. Dit slaat veeleer op de vrouwtjes, maar hierover later meer. 
Ik behoor als ei-levendbarende tandkarper tot de familie van de Poeciliidae en de onderfamilie van de Poeciliinae. Mijn over-, over-, over- … overgrootouders werden voor het eerst beschreven in 1866 door ene meneer Günther. Genoeg Latijn evenwel ... geschiedenis nu.
Ik leef hier in België liefst in een schooltje van een 7-tal volwassen vissen en enkele van onze jongen in een aquarium van ca. 65 cm lengte. Als je ons in een grotere groep wilt houden, moet ook in een groter aquarium worden voorzien. Aangezien we zeer snelle zwemmers zijn, moet je het aquarium zeer goed afdekken want daardoor zijn we ook zeer goede springers. Anders zou je ons wel eens uitgedroogd naast het aquarium kunnen vinden. Als je dan nog het aquarium voor 30 à 50% beplant en voor een lichte waterbeweging zorgt zijn we al ruim tevreden met onze huisvesting. De temperatuur mag aan de hoge kant zijn, tussen de 25 à 28 °C.
Met een lengte van 4 cm voor de mannetjes en 6 cm voor de vrouwtjes, zijn we geen al te grote vissen.
Onze kleuren zijn – afhankelijk van onze gemoedstoestand – zeer wisselvallig. Jonge dieren hebben een grijsbruine en olijfgroene grondkleur. Wij volwassen dieren hebben op onze grondkleur een blauwe metaalglans. Bij baltsende mannetjes kan deze blauwe kleur echt heel donkerblauw worden, tot bijna zwart. Onze staartvin is voorzien van een lichtgele kleur omzoomd met een zwarte band. Bij de ene is deze gele kleur al wat feller dan bij de andere. Onze buikzijde is zilverkleurig. Bij onze vrouwtjes heeft de buikzijde ook een zwarte vlek (vandaar melanogaster) die de helft van de buik bedekt. Deze vlek is de zogenaamde zwangerschapsvlek die typisch is voor de ei-levendbarende tandkarpers. Normaal gezien verdwijnt deze vlek nadat de jongen geboren zijn, doch bij onze vrouwtjes verdwijnt deze niet. Dus eens bevlekt ... altijd bevlekt.
Zoals bij alle ei-levendbarende tandkarpers zijn onze mannen polygaam en zijn ze duidelijk te herkennen aan hun gonopodium. Dit ontstaat doordat de (derde, vierde en vijfde) onderste vinstralen samen vergroeien  tot een soort “gootje” waarmee de vrouwtjes bevrucht kunnen worden. Een viertal weken na de bevruchting werpt het vrouwtje dan 20 tot 80 jongen die dan een lengte hebben van ongeveer 6 mm en volwaardige visjes zijn die we allen zeer graag lusten. Dus als ze niet snel een schuilplaats vinden tussen de planten zijn ze een kort leven beschoren.

Foto: Rik Verhulst
Althzernanthera reineckii "minor"
Patrick Loosveldt - Wagtail Aalst.
374
Nota van de redactie
We ontvingen dit artikel van Patrick Loosveldt over een nieuwe vorm van Alternanthera onder de benaming Alternanthera reineckii var. 'rosaefolia minor'. Omdat we alle benamingen op juistheid nazien vóór publicatie gingen we derhalve op zoek naar meer informatie over deze plant. Veel was er echter niet over te vinden, behalve dat we deze naam bij enkele kwekers en leveranciers van planten aantroffen. In het nieuwste boek “Aquarienpflanzen – 450 Arten im Porträt – 3e Auflage – 2010” van Christel Kasselmann vonden we op blz. 103 de beschrijving van Alternanthera reineckii ‘Rosa’ en hierbij wordt Alternanthera “rosaefolia” als handelsnaam opgegeven. Bij deze beschrijving maakt de auteur ook gewag van een mini kweekvorm die sinds 2007 op de markt zou zijn. Hieruit concludeerden wij dat Alternanthera reineckii var. 'rosaefolia minor' geen juiste benaming kon zijn voor deze plant en dachten eerder in de richting van Alternanthera reineckii “Rosa minor”. We legden onze redenering voor aan Patrick Loosveldt en aan enkele plantenspecialisten zoals Rik Verhulst, Björn Hoorelbeke en Gianni Malfait waarvan de aquaria ook in het boek van Kasselmann vermeld staan. Dit leidde tot een geanimeerde discussie met pro’s en contra’s, maar er kwam geen eensluidend antwoord naar voor. Uiteindelijk werd besloten om de vraag naar de juiste benaming van deze minor aan Christel Kasselman zelf voor te leggen. Zij bevestigde dat de benamingen Alternanthera reineckii ‘Rosa’ met de handelsnaam Alternanthera “rosaefolia” wel degelijk de juiste zijn en stelde voor om onze mini te benoemen als Alternanthera reineckii “minor”, omdat het een kweekvorm is met A. reineckii als moederplant, iets waar wij het vanzelfsprekend mee eens zijn.
Meteen kregen we in haar antwoord ook de uitleg over het gebruik van de enkele (bvb. ‘Rosa’) en dubbele haakjes (bvb. “minor”) in de naamgeving, iets waar ook wij mee in de knoei zaten, en dat we jullie graag ook meegeven. De toevoeging ‘Rosa’, enkele haakjes en hoofdletter, duidt op een eigen soortnaam (geen kweekvorm dus), zeg maar, in dit geval, een variante van de moederplant Alternanthera reineckii. Zo heb je ook nog Alternanthera reineckii ‘Lila’ en A. reineckii ‘Groen’…
De toevoeging “minor”, dubbele haakjes en kleine letter, duidt op een handelsnaam, een door plantenkwekers geteelde vorm en derhalve geen zelfstandige soort, maar een uit een moederplant kunstmatig gekweekte vorm.
Onze speciale dank in deze gaat uit naar de genoemde plantenspecialisten voor hun hulp in ons streven naar correcte berichtgeving in Aquariumwereld.
Freddy Haerens, hoofdredacteur.

Eén van de klassieke basisregels voor het aanplanten van een aquarium, is te zorgen voor een opgaande beplanting bestaande uit een voor-, midden- en achtergrondbeplanting. Dit is belangrijk om een goede dieptewerking te verkrijgen, samen met de nodige variatie in bladvormen en –kleuren. Althans, dat was tot voor enkele jaren het geval. Bij de hedendaagse inrichtingen (“aquascaping” in het schoon Vlaams) wordt van deze oude stelregel meer en meer afgeweken. Al heet het dan niet meer expliciet “voorgrond”-beplanting, ook daar zal je nog altijd laag een blijvende beplanting aantreffen. Soms kun je zelfs spreken van een ruim “veld” in plaats van een groep voorgrondplanten. De meeste laag blijvende plantensoorten zijn doorgaans groen van kleur, op een enkele klein blijvende bruine Cryptocoryne-soort na. Het was dan ook een welkome verrassing toen er een nieuwe, klein blijvende variëteit van de klassieke roodbladige Alternanthera reineckii in de aquariumwereld zijn intrede deed. De naam van deze plant luidt Alternanthera reineckii “minor”. Deze variëteit is de verkleinde versie van de klassieke Alternanthera reineckii, die je in de handel vaak tegenkomt als roodkleurige stengelplant. De oorspronkelijke A. reineckii is een moerasplant uit Zuid-Amerika, die in de natuurlijke biotopen – afhankelijk van de plaats en de periode van het jaar – ook submers groeit.

Foto: Eddy Vlyminckx
Hymenocera picta, de harlekijngarnaal
Eddy Vlyminckx - Gracilis Hoboken.
378

Nvdr.
Dit artikel bereikte ons onder de titel Hymenocera elegans Heller, 1861. Bij het nazien van deze naamgeving (zie bv. http://www.itis.gov/index.html) vinden we echter dat in het genus Hymenocera er slechts één soort vermeld wordt, nl. Hymenocera picta Dana, 1852. In oudere literatuur worden H. elegans en H. picta nog als afzonderlijke soorten vermeld (zie bv. Mergus’ Meerwasser Atlas, Band 1-1992, blz. 507-509) en in het beeldmateriaal dat we hierbij vinden, valt soms een uiteenlopend kleurpatroon te zien bij de dieren die onder deze benamingen worden opgegeven. Hierbij valt het op dat Hymenocera elegans meer blauw gekleurd is en H. picta meer rood heeft. Volgens de laatste taxonomische gegevens echter zou het dus om één en dezelfde soort gaan, nl. Hymenocera picta Dana 1852 en zou Hymenocera elegans een synoniem zijn, vandaar dat wij de titel hebben aangepast.

Al enkele jaren verzorg ik deze prachtige garnaal in mijn rifaquarium. Ik weet niet zeker of het de soort Hymenocera elegans is, of de in de literatuur eveneens vermelde H. picta. Men is het er nog niet over eens of het wel degelijk twee verschillende soorten zijn (*zie bijgevoegde nota). De kleur van de ringen op het lichaam zou van elkaar verschillen. Bij de soort die ik verzorg, zijn deze ringen op het lichaam overwegend blauw, zoals je op de foto’s kunt zien, daar waar ze bij H. picta meer als roodblauwe, paarsachtige vlekken voorkomen. Wat het verschil ook moge zijn, het zijn prachtige garnalen die men ook per koppel kan houden.
Hun leefgebied is de Indo Pacific. Harlekijngarnalen worden ongeveer 4 cm groot, doorgaans is het vrouwtje groter dan het mannetje. De vrouwtjes hebben op de flanken van het eerste achterlijfsegment een duidelijk omrande vlek. Ze leven meestal paarsgewijs en worden daarom ook best als paartje gehouden. Als je voor 100% wil zeker zijn dat je een koppeltje hebt, moet je op zoek naar een aquariumzaak waar er meerdere dieren worden aangeboden. Koppeltjes zitten steeds samen, ook in de verkoopsstelling. Ook als bij het voederen de dieren elkaar dulden in elkaars omgeving, dan gaat het waarschijnlijk om een koppeltje.

Soms gaan ze spontaan tot eiafzetting over. De felrode eitjes worden tussen de zwempootjes onder het achterlichaam meegedragen en worden, als de larfjes uitbreken, losgelaten. Opkweek van de larfjes is uiterst moeilijk omdat het haast onmogelijk is het juiste opfokvoeder te vinden.
  De redactie bezocht... Siervisshow 2011 Pristella Schoten 382
  De redactie bezocht... Tentoonstelling 2011 van Gracilis Westerlo 384
  De redactie bezocht... Aquariumshow 2011 van Daphnia Lille 386
  BBAT-informatief 388
  VOEDSELGIDS Krekels (3)  
Top