Visit BBAT

Maandblad voor de aquarium-, terrarium- en vijverliefhebber
Visit BBAT
terug
Jaargang 65 - 2012
vorige maand Volgende maand
   

 

Jaargang 65 – Nr. 3 - Maart 2012
 
ISSN 1372-6501

Foto: Robert Van Mossevelde
Schoolvorming
Björn De Coninck - Aquarianen Gent
074
Van de 25.000 door de wetenschap bekende vissoorten vormt meer dan de helft in één van zijn levensfases scholen. Een kwart doet dat tijdens de hele levensloop. Haringen bijvoorbeeld kunnen absoluut niet zonder een school want anders sterven ze snel, maar de meeste vissen vormen scholen als dat hen het beste uitkomt. Deze scholen vallen uit elkaar als er bijvoorbeeld iets te eten is of als er geen gevaar dreigt. Cichliden anderzijds, vormen een school als ze jong en kwetsbaar zijn, maar gaan als ze ouder zijn hun eigen weg.
Hoe werkt schoolvorming nu eigenlijk?
Vissen vormen scholen onder invloed van sociale aantrekking. Schoolvormende vissen proberen altijd in de buurt van hun soortgenoten of zelfs in die van verwante vissoorten te blijven. Is dit niet het geval, dan proberen ze die te lokaliseren en zich zo snel mogelijk weer bij de school aan te sluiten.
In normale omstandigheden houden vissen in een school 2 à 3 lichaamslengten afstand van de dichtste soortgenoot. Scholen worden bij gevaar dichter van structuur omdat de vissen aan de gevaarlijke buitenkant naar het veiligere midden van de school proberen te geraken en deze in het midden van de school hun positie willen handhaven. Ze proberen zich als het ware achter elkaar weg te stoppen en gaan dus zeer dicht bij elkaar zwemmen. Als ze eten zullen de vissen verder van elkaar zwemmen en zal de school zijn structuur verliezen.
Vissen houden hun school bijeen door hun zintuigen te gebruiken. De drukgevoeligheid van de zijlijn zorgt ervoor dat de leden van school niet te dicht bij elkaar komen en niet tegen elkaar opbotsen. De reukzin zorgt ervoor dat soortgenoten die uit het zicht zijn verdwenen teruggevonden worden, maar het belangrijkste blijft toch het gezichtsvermogen. Het beste bewijs hiervan is dat scholen ‘s nachts meestal uit elkaar vallen om ‘s ochtends opnieuw gevormd te worden. Daarnaast gebruiken veel schoolvissen ook de strepen of tekens op hun flanken of vinnen om de school samen te houden of tekens te geven. Een voorbeeld daarvan is Pristella maxillaris die de strepen op zijn rugvin gebruikt (ze wapperen met hun rugvin) om de school samen te houden. Als ze dit snel doen dan waarschuwen ze de soortgenoten voor een dreigend gevaar.
Een synchroon zwemmende school vissen is een zeer indrukwekkend zicht. Het lijkt een perfecte choreografie, maar de vissen reageren gewoon op de omstandigheden van het moment. Het maakt niet uit hoe groot een school is, elke vis heeft maar enkele naaste buren en zijn gedrag wordt rechtstreeks bepaald door deze enkelingen. Als één bepaalde vis (of enkele vissen) een gevaar of obstakel tegenkomt dan zal hij van richting veranderen. Deze beweging wordt gevolgd door zijn naaste buren die meestal niet weten wat er aan de hand is en dus de beweging gewoon kopiëren. Dit brengt een kettingreactie tot stand in de hele school die te snel is om met het blote oog waar te nemen, maar bij vertraagde beelden is er duidelijk een golf van activiteit te zien in de school.


 

Foto: Anton Lamboj
Lamprologus werneri
Bert Polling - vanuit Zuid-Afrika
080
Een vis waar in de literatuur weinig over te vinden is en bovendien een Lamprologus welke nu eens niet uit het Tanganyikameer komt. Waar vandaan dan wel, zult u vragen ? Wel, deze vis wordt, volgens de Mergus’ Atlas, in de omgeving van de Stanley Pool in de Congo rivier gevonden. Dat is inderdaad het geval, want tijdens een bezoek aan Congo Brazzaville was ik bevoorrecht om een aantal jonge dieren van deze soort te kunnen vangen.
Een aantal kilometers stroomopwaarts van Brazzaville bevindt zich de enorme Stanley Pool. Een aantal kleine stroompjes monden daarin uit en het was in één van die stroompjes, net onder een stroomversnelling, waar ik een hele school kleine visjes op de bodem uiterst bedrijvig zag wezen. Met wat moeite werd  een aantal vissen gevangen en die mochten mee naar huis.
De natuurlijke habitat.
Het stroompje, dat in het omringende woud zijn oorsprong had, vloeide langs een nederzetting en werd door de bevolking gebruikt voor alle waterbehoeftes, inclusief sanitaire. Door de constante aanvoer van schoon water uit het opvanggebied en het relatief sterke debiet, was het water echter kristalhelder. Net voorbij de nederzetting lag een aantal grote rotsblokken in de bedding, die een stroomversnelling veroorzaakten. Langs de oever waren geen hoge bomen maar wel wat struiken en kruidachtige planten en het water was constant met zon overgoten. Bijgezegd “als de zon scheen”, wat in de tropische regengordel van Afrika niet altijd het geval is. De bodem van het stroompje achter de rotsblokken bestond uit heel grof zand met hier en daar wat keien en het was tussen dit grove zand dat ik de kleine grijze visjes zag. Ze kwamen achter alles wat voorbijkwam aan om het met een snelle beweging te grijpen en weer naar de bodem te duiken. Daar werd vastgesteld of het al dan niet eetbaar was. Volwassen vissen werden niet waargenomen. Wel scholen groene congozalmen (Phenacogrammus interruptus) van allerlei grootte, waarvan ook een aantal jonge dieren gevangen kon worden.


 

Foto: Freddy De Gendt
Breken of kweken? (Deel 2 - slot)
Freddy De Gendt

084
De eiwitafschuimer
Al lang bewezen dat dit hét hulpmiddel bij uitstek is om ons bij te staan en deze hobby succesvol uit te oefenen. Over de te kiezen “sterkte” van de afschuimers voor een specifiek aquarium geraken we echter niet uitgediscussieerd. Het blijft een moeilijk onderwerp.
Sommigen beweren dat een eiwitafschuimer niet sterk genoeg kan zijn, anderen bewijzen via de praktijk dat een kleine of heel kleine afschuimer op een groot aantal liters water perfecte resultaten oplevert. Beide partijen hebben misschien gelijk. Je moet de redenering van de eiwitafschuimer trouwens benaderen in functie van het geheel waarin hij geïntegreerd wordt (inbegrepen de bestuurder-aquariumhouder).
Mijn visie is dat de liefhebber vooral in de beginfase best een stevige eiwitafschuimer gebruikt. In die periode is het aquarium niet stabiel en werken we in het beste geval met vers levend steen en wellicht maken we af en toe beginnersfoutjes bij het beheren van het aquarium... Een stevige eiwitafschuimer helpt ons door deze fase en maakt dat het systeem voldoende bufferend vermogen heeft en vergevingsgezind is t.o.v. onze beginnersfoutjes.
In een latere fase mag er wellicht wat getemperd worden om de voedingsstoffen die de dieren nodig hebben niet te snel uit het water te onttrekken.
Misschien is dit iets waarop de fabrikanten eens moeten broeden: het ontwerpen van een afschuimer die kan afgeregeld worden naar sterk of minder sterk – lees: meer of minder efficiënt – afschuimen.

Welke koralen kunnen we kunstmatig vermeerderen?
Voor praktisch alle koralen (harde en zachte) die in het aquarium bewezen hebben goed houdbaar te zijn, bestaat er wel één of andere techniek om ze kunstmatig te vermeerderen.
In regel zijn de meeste lederkoralen, gorgonen en tak- of plaatvormige steenkoralen het gemakkelijkst om te stekken.
Sommige exemplaren vergen wat meer moeite, maar het lukt wel ... de aanhouder wint. De hoofdregel tot succesvol stekken is dat we enkel zeer gezonde dieren nemen die bovendien een continue sterke groei kennen in ons eigen aquarium. Of we dan gaan stekken van een koraal dat groot uitgegroeid is of we stekken rechtstreeks van een goed groeiende stek, maakt niet zo veel uit. Het is een persoonlijke keuze en eenieder heeft een eigen geprefereerde manier van werken.
 

Foto: Arend van den Nieuwenhuizen
Marsilea hirsuta
Walter Van der Jeught - A.h.v. De Minor Rupel-Vaartland vzw
092
Marsilea hirsuta is een hele vreemde aquariumplant die bij de eerste blik wat tot verwarring kan leiden, omdat die op het ons bekende “klavertje vier” lijkt en we dan niet meteen aan een aquariumplant denken. Aan elke plantstengel ontstaan namelijk 4 bladeren met deze typische vorm. In het Nederlands vind je hem als waterklaver, of gewoon als “klavertje vier”. Het is echter een geschikte aquariumplant om een laag en dicht, groen veld op de voorgrond van het aquarium mee te creëren.
Deze plant, die slechts een paar centimeter hoog wordt, groeit langzaam en is gemakkelijk te houden. Als het plantje eenmaal groeit, is het zelfs niet meer te stoppen. Voor de gevorderden is het met zijn dicht tapijt van mooi groene blaadjes een ideale plant om een gevoel van diepte mee in het aquarium te creëren.
De wetenschappelijke naam voor Marsilea hirsuta, hoewel al decennia commercieel gekweekt, is nog niet geheel duidelijk. De plant is in de aquaristiek al terug te vinden in de vroege jaren 1980, maar bereikte nooit een grote populariteit. Echter, sinds 2000 is met de aquascaping en de nano-aquaria trend de interesse in Marsilea hirsuta enorm toegenomen en vandaag de dag is deze plant zeer populair onder aquarianen.
Marsilea hirsuta is een watervaren, behorende tot de familie der Marsileaceae en vernoemd naar de 18de eeuwse Italiaanse botanicus G. Marsili. De plant is afkomstig uit Australië, maar vandaag kunnen we hem eigenlijk een kosmopoliet noemen en komt hij bijna in heel Azië voor, samen met Marsilea quadrifolia en Marsilea drummondii. Deze laatste kan trouwens gemakkelijk verward worden met Marsilea hirsuta. In de handel komt hij echter niet zo vaak voor. Wel geregeld voorkomend in de handel kun je beperken tot: Marsilea crenata; Marsilea hirsuta; Marsilea quadrifolia (zie ook AQW60(2007):106 Fernand Verbeeck); Marsilea mutica en Marsilea minuta. In zijn natuurlijke emerse habitat is Marsilea hirsuta een vaak voorkomende plant die lange bladstelen vormt met daarop verdeelde bladeren die lijken op een “klavertje vier”. Zo tref je hem meestal ook in de speciaalzaak aan, als ... bovenwatervorm. Dit in tegenstelling tot de onderwatervorm, die veel kortere bladstelen heeft en soms hele bladeren (meestal ook wat groter) vormt. De plant lijkt dan enigszins op Glossostigma elatinoides. Onder optimale omstandigheden vormt de plant na een korte aanpassingsperiode, onderwaterbladeren die zijn onderverdeeld in twee, drie of vier lobben met een lichtgroene kleur. Dit is afhankelijk van de waterparameters, de voeding, CO2 toevoeging en de verlichting. Eens in zijn nieuwe aquariumomgeving kan deze plant dus verschillende vormen aannemen.

Foto: Guido Lurquin
De beste planten voor moerasbedfilters
Guido Lurquin - De Siervis Leuven.
096

De functie van planten in de vijver is velerlei. Planten dragen bij tot het esthetische aspect, ze dienen als schuilplaats voor allerlei dieren, ze schermen een deel van het licht af,…
Wat betreft zuiveren van water spelen planten een grote rol. Plantenwortels kunnen fungeren als mechanische zeven waar grof vuil blijft tussen hangen, als adsorptieoppervlak waar kleine deeltjes op neerslaan, als drager van nuttige nitrificerende bacteriën (die zuurstofbehoeftig zijn en dus graag op planten zitten), als verbruikers van de reststoffen van de afbraakprocessen... Wat men ook beweert, geen enkele filter kan wat planten kunnen: fosfaten en nitraten opslorpen en omzetten tot weefsel. Daarom maakt men in veel filtersystemen gebruik van planten.

Mechanisch-biologische filters zijn nuttig, zeer nuttig, zeker meerkamerfilters gevuld met goede filtermaterialen (opeenvolgend borstels, matala matten en daarna vijversubstraat of beter nog clinoptiloliet) die bovendien nog voorzien zijn van een vuilaftapkraan onder elke kamer. Dergelijk filters zeven het grove vuil weg, laten zware deeltjes bezinken (worden afgetapt via de kranen) en zetten met behulp van bacteriën de giftige ammoniak om in nitriet en vervolgens in nitraten dan stopt het eigenlijk. In vijvers met alleen maar vissen of met te weinig planten is er ophoping van zowel nitraten als fosfaten. Daarom is het in dit geval nodig geregeld een deel van het water te verversen om het te verdunnen In rijk van planten voorziene vijvers en moeraszones worden de eindproducten van de omzetting worden verbruikt.

Welke vijverplanten zijn nu eigenlijk geschikt voor moerasfilters? Het antwoord is dat alle vijverplanten geschikt zijn - want ze gebruiken allemaal nitraten en/of fosfaten als voeding - maar dat sommige beter geschikt zijn dan andere.
Hoe sneller een plant groeit, hoe meer voedingstoffen hij verbruikt. Weinig eisen stellende en snel groeiende planten zijn het meest aangewezen voor moerasbedfilters. Vooral grasachtigen (Poaceae) voldoen erg goed. Ze moeten de hoofdmoot uitmaken van de moerasbeplanting.

  BBAT-informatief 102
  VOEDSELGIDS Roeipootkreeftjes (2)  
Top